Dromen met de voetjes op de grond

Facebooktwittergoogle_plusmail

Ergens in het begin van deze eeuw maakte toenmalig Agalev-boegbeeld Jos Geysels via een bevriend politoloog kennis met de Duitse militaire zegswijze “getrennt marschieren, vereint schlagen”. Zeg maar: langs gescheiden fronten oprukken, maar dan samen toeslaan. Geysels vond dat een uitstekende samenvatting van wat hij toen al politiek-strategisch dacht, en nu, zo’n vijftien jaar later, nog eens uitvoerig uit de doeken doet in een boekje dat hij samen met voormalig progressief VU-er Herman Lauwers schreef.

Nu ja, wat heet uitvoerig? Een uit de kluiten gewassen pamflet van een kleine zeventig bladzijden is het geworden. Met een overzicht van diverse pogingen tot progressieve frontvorming in het verleden, enige toelichting over technische aspecten en mogelijkheden, en vooral: een dringende waarschuwing voor de valkuilen op weg naar progressieve frontvorming.

Met als welgemeende (maar natuurlijk hoegenaamd niet bevoogdend bedoelde…) goede raad : sociaaldemocraten en groenen kunnen beter gescheiden naar de kiezer trekken, en pas nadien samen naar de onderhandelingstafel. Zo verhogen beide componenten elk afzonderlijk hun electorale aantrekkingskracht, en omzeilen ze het gevaar twee keer compromissen te moeten sluiten: bij het opstellen van een gemeenschappelijk programma, en later nog eens in onderhandelingen over regeringsvorming. “De aarde kouder en de samenleving warmer maken” willen ze. Een prachtig idee, maar hoe krijg je dat in werkelijkheid omgezet wanneer je – zelfs in barre tijden van verrechtsing – kiezers verliest in plaats van wint ? Dat is uiteraard een cruciale vraag, en de auteurs proberen die zo realistisch mogelijk te bekijken.

In hun schets van voorbije pogingen tot progressieve frontvorming en van de huidige situatie duikt dan ook meer dan eens de zelfkritische vraag op “kan je het hen kwalijk nemen ?” wanneer een of andere potentiële partner voor zo’n frontvorming het laat afweten om het eigenbelang op korte termijn veilig te stellen. Dat met name de christelijke arbeidersbeweging daarbij herhaaldelijk in het vizier komt zal niemand verbazen. Maar de auteurs – die immers beiden buiten de traditionele zuilen aan politieke deden en doen – sparen ook de sociaaldemocratie niet : die zag (en ziet ?) frontvorming vooral als een handigheidje om opkomende nieuwe bewegingen of stemmentrekkende individuen op te slorpen, in plaats van ze als gelijkberechtigde partners te respecteren.

Anno 2016 lijken de herhaalde electorale opdoffers de zelfgenoegzaamheid aan sociaaldemocratische zijde ietwat getemperd te hebben, hebben de groenen zich stap voor stap hersteld van hun (door zelfoverschatting veroorzaakte) bijna-dood-ervaring van 2003, en komt ook in Vlaanderen de communistische PVDA “aan het venster piepen”. Dat kan het klimaat voor samenwerking ten goede komen. Maar hoe moet die samenwerking gestalte krijgen? Liever niet door al voor de verkiezingen een gezamenlijke (of zelfs maar kartel-) lijst te vormen, waarschuwen de ervaren “oudgedienden”.

Met niet méér dan het strikt noodzakelijke cijfermateriaal (want de auteurs schrijven een pamflet en geen wetenschappelijk betoog, maar verwijzen wel naar ernstige studies) wordt duidelijk gemaakt dat sp.a en Groen niet zomaar ‘communicerende vaten’ zijn, dat beide partijen vanuit nogal uiteenlopende achtergronden ook nogal uiteenlopende kiezerscategorieën aanspreken, en daarom juist elk afzonderlijk méér kiezers kunnen aantrekken dan ze zouden kunnen met een geforceerd gemeenschappelijk programma. Bovendien stellen Geysels en Lauwers – terecht – dat ook bij christendemocraten, liberalen en (zelfs?) nationalisten heel wat mensen zitten die zeker niet minder ‘progressief’ voelen en denken dan de doorsnee sp.a- of Groen-kiezer, maar zich momenteel toch tot geen van beide aangetrokken voelen. Het is dààr dat moet gehengeld worden, en dat kan slechts door die mensen te “overtuigen met alternatieven”.

Dat is zeker een rake analyse, maar precies daar laat het pamflet de hongerende lezer in de steek. Een nieuw en wervend verhaal brengen, dat klinkt goed. Maar van twee mensen die “gepokt en gemazeld” zijn in concrete politiek (en dat ook zelf zeggen) verwacht je toch iets meer concreets dan het bekende wensdenken. Een paar voorstellen die “tergend haalbaar” zijn, bijvoorbeeld, en waarmee je die ‘progressievelingen’ in andere partijen over de streep zou kunnen halen of tenminste voor hun verantwoordelijkheid plaatsen.

Nu ja, een pamflet hoeft wellicht niet tot dat concrete niveau ‘af te dalen’. Maar het is toch merkwaardig dat Geysels noch Lauwers er op wijzen dat in de recente parlementaire geschiedenis alternatieve meerderheden – los van de regeringssamenstelling – wél konden gevonden worden over zogenaamd bio-etische thema’s, maar dan alleen daar over. Omdat die in wezen niets afdoen aan de reëel bestaande sociale en economische machtsverhoudingen?

Binnen dit erg korte bestek roepen beide auteurs essentiële vragen op over wat nu precies ‘links’ is of ‘progressief’ en in wat voor perspectief bestaande partijen daarvoor mensen kunnen aantrekken die zich totnogtoe beter geborgen voelen bij een (neo-)traditionele partij. Elk van die vragen brengt de recensent in bekoring om breedvoerig de eigen ideeën daaromtrent uit te stallen, maar het is echt niet de bedoeling om aan de schier eindeloze reeks teksten terzake er nog eentje toe te voegen.

Samenvattend dan maar: samenwerking tussen verschillende – en verschillend blijvende – progressieve partijen is prima, aldus Geysels en Lauwers, maar het is uitkijken voor de valkuilen op weg daarheen. En  (voegt de recensent daar aan toe) wachten op een nieuw, wervend en vooral geloofwaardig verhaal.

Valkuilen van de progressieve frontvorming
Jos Geysels en Herman Lauwers
Vrijdag
2016
79