De uitverkoop van Zuid-Amerika: nog steeds

Facebooktwittergoogle_plusmail

De onderzoeksjournalist Raf Custers analyseert in ‘De uitverkoop van Zuid-Amerika’ niet alleen zorgvuldig de nefaste rol die multinationale ondernemingen spelen maar hij brengt ook zeer goed het hardnekkige verzet in beeld van gewone mensen die zich vaak verenigen in lokale asamblea. Het boek gaat niet alleen over big business maar ook over het verzet van burgers, over de poder popular. Die bewegingen van onderuit zijn zeer belangrijk, zeker in tijden dat linkse regeringen op hun retour zijn.

Er is een tijd geweest dat Latijns-Amerika veel aandacht kreeg. Niet alleen in de internationale pers, maar ook bij ons was er een aantal aandachtige Latijns-Amerika watchers actief. Ik denk dan bijvoorbeeld aan GRESEA (Groupe de recherche pour une stratégie économique alternative), CETRI (Centre Tricontinental), SAGO en het Bolivia Centrum Antwerpen die diepgravende tijdschriftartikels en studies brachten over dat continent, waren daar de spreekbuis van (o.a. Solidaridad, América Ventana, LA Chispa) via oerdegelijke journalisten als Dirk Vandersijpen, Jan Van Bilsen, Liesbet Walckiers, Luc Versmissen, Luc Verheyen, Tom Dieusart, Guido De Schrijver  en Filip Huysegems die vaak ook in Latijns-Amerika gingen wonen en werken. Die tijd is voorbij. De ruk naar links ook. De aandacht van de pers gaat nu naar andere points chauds in de wereld. Wat gebeurt er nu op dit continent?

Grondstoffen, burgers en big business

Journalist en GRESEA-onderzoeker Raf Custers wilde het weten en trok gedurende een jaar met vrouw en kind met een eenvoudig camperbusje door de Cono Sur,  door de vijf meest zuidelijke landen van het continent: Brazilië, Argentina, Uruguay, Chili en Bolivia. Die reis alleen al zou zeker een boeiend verhaal geweest zijn, maar Raf Custers doet dat niet: hij schrijft zichzelf en zijn familie naar de achtergrond en focust op zijn algemeen thema ‘de uitverkoop van Zuid-Amerika’. Ook de periode waarin zij die landen doorkruisen is heel bijzonder. Zij vertrekken in 2013 en laat dat jaar nu juist een kantelmoment zijn, want het politieke bestel in Latijns-Amerika begon toen te keren. Het elan van links, op Bolivia (en Ecuador) na, verbleekte en nieuwe rechtse formaties werden gevormd.

Custers is met dit werk niet aan zijn proefstuk toe want in zijn vorige boek ‘Grondstoffenjagers’ illustreert hij uitvoerig dat in de mondiale grondstoffenhandel, voornamelijk mijnbouw, alles rond multinationale ondernemingen draait. In ‘Grondstoffenjagers’ draagt hij daarvan voorbeelden aan uit verschillende continenten, maar in dit boek beperkt hij zich tot een fors stuk van de Latinoregio. Met de ondertitel ‘Grondstoffen, burgers en big business’ geeft hij zeer goed aan wat de grote thema’s van ‘De uitverkoop van Zuid-Amerika’ zijn.

El consenso de los commodities

Het boek bestaat uit vier forse hoofdstukken ‘Teren op de stad’, ‘La frontera agricola’, ‘Ertsen, ertsen! Alles moet weg’ en ‘Brandstof voor eigen gebruik’, waarin hij telkens een thema ontwikkelt met voorbeelden uit de verschillende landen. De hoofdstukken zijn dus thematisch en niet geografisch opgebouwd.

Alleen in het eerste hoofdstuk beperkt hij zich tot slechts één geografisch voorbeeld, met name Rio de Janeiro, de Braziliaanse grootstad die hij, zoals in ‘Grondstoffenjagers’ benadert vanuit het begrip ‘enclave’. Ook woonzones kunnen volgens de auteur opgevat worden als enclaves, als streng bewaakte privédomeinen: gated communities dus. Die ziet hij in overvloed in Rio de Janeiro, maar zijn sociale onderzoeksbril reikt verder, tot in de favelas: ‘Rond en tussen de gecommercialiseerde en geprivatiseerde zones leven mensen die wonen, werken, pendelen naar school gaan, winkelen, uitgaan en zich organiseren, ook voor een leefbare stad.’ (p. 42) Raf Custers is geen zwartkijker. Zijn boek gaat niet alleen over kommer en kwel. In de ondertitel staat dat ‘De uitverkoop van Zuid-Amerika’ niet alleen gaat over big business maar ook over het verzet van burgers, over de poder popular. ‘Stadscomités en vakbonden, politieke partijen, ecologisten, georganiseerden en individuen lopen naast en door elkaar. Vaak stappen ze solo op. Hier delen ze echter één ambitie. Ze willen Brazilië sturen in een richting waarbij de mensen baat vinden.’ (p. 45)

In een sterk hoofdstuk over La frontera agricola, over de opschuivende grens tussen het in ‘cultuur’ gebrachte land en de ‘wildernis’, geeft Custers voorbeelden uit Argentina van de agro-industrie en de rol daarin van Monsanto,  ook over de pulpfabrieken in Uruguay, de monocultuur in het Chileense Mapuchegebied met onmetelijke aanplantingen van pijnboom en eucalyptus, en ook over genetisch gewijzigde gewassen in het Boliviaanse Santa Cruz. Het resultaat van al die activiteiten maakt dat er in Latijns-Amerika opnieuw een trend van  re-primarización aan de gang is. In plaats dat die landen loskomen van de primaire sector wordt die opnieuw de motor van de economie. L’histoire se répète. De uitverkoop van de ruwe grondstoffen uit Zuid-Amerika gaat dus onverminderd voort. Die trend komt ook uitvoerig aan bod in de twee laatste hoofdstukken waaruit onder meer blijkt dat ook progressieve regeringen niet vies zijn van een extractivistische economische politiek. Extractivisme kan volgens Eduardo Gudynas worden  gedefinieerd als een type van extractie van natuurlijke hulpbronnen, in grote volumes en intensiteit, die voornamelijk voor de export bestemd zijn, zonder of slechts met een minimale verwerking. Custers benadrukt en illustreert overvloedig met voorbeelden dat ook in Brazilië, Argentina en Uruguay extractivistische praktijken plaatsvinden. Maristella Svampa noemt dat el consenso de los commodities, de ‘consensus van de grondstoffen’. Svampa gebruikt ook de term neo-extractivisme waarmee ze een overexploitatie van de natuurlijke rijkdommen bedoelt. De progressieve regeringen zijn volgens haar allemaal behept met grootschalige export van grondstoffen. Deze regeringen beweren dat het extractivisme de enige mogelijkheid tot ontwikkeling is en ze ontkennen of negeren de sociale en territoriale conflicten voornamelijk met inheemse volkeren die dergelijke politiek met zich meebrengt.

Proceso de cambio in Bolivia

Ook Bolivia, een land waar onder Evo Morales nochtans getracht wordt  industrialisering op gang te brengen, ontsnapt daar niet aan. In zijn ‘Grondstoffenjagers’ behandelde hij al uitvoerig de pogingen van dat Andesland om lithium uit voornamelijk de salar de Uyuni om te zetten in lithiumbatterijen, maar bij zijn tweede bezoek aan dat Andesland, ongeveer vijf jaar later, moet hij constateren dat het pilootproject voor het ontwikkelen van lithiumcarbonaat noch steeds in de ontwerpfase zit. Hoe dat precies komt kan hij onvoldoende uitwerken omdat hij niet de geschikte gesprekspartners heeft kunnen vinden die hem daarover konden informeren.

Op een evenwichtige manier – zonder hoerageroep, maar ook zonder een kort door de bocht afwijzend oordeel – bespreekt Raf Custers het proceso de cambio dat zich in Bolivia met veel vallen en opstaan aan het voltrekken is. Uit zijn beschrijving blijkt duidelijk dat Morales en zijn vice-president Álvaro García Linera – socioloog en tevens ideoloog van het Boliviaanse  maatschappelijk veranderingsproces – proberen te balanceren tussen extractivisme en buen vivir, tussen economische ontwikkeling en bescherming van inheemse rechten en natuurbescherming. De nieuwe mijnwet is daarvan een voorbeeld. ‘Deze wet verbreekt de harmonie met Moeder Aarde, en dat is toch het sluitstuk van de grondwet. Bolivia blijft dus een land dat grondstoffen zonder toegevoegde waarde exporteert en afhankelijk blijft van de buitenlandse economieën.’ (p. 154)

Van Bolivia tot Balen

Vooralsnog blijft Bolivia  afhankelijk van het buitenland, maar het land probeert daaraan te ontsnappen. Het lithiumverhaal is daartoe een poging. En nu blijkt, zo vermeldt Raf Custers,  dat de Boliviaanse ondergrond ook rijk is aan indium. Indium is een van die hightechmaterialen die bij ons de ‘digitale revolutie’ onderhouden.  Het dient om touchscreens van smartphones en tablets te maken. Indium is dus zeer gegeerd en multinationals maken er gretig jacht op. Ook in België, weet Custers, en hij verwijst naar Umicore met een belangrijke vestiging in Hoboken. Umicore, erfgenaam van de Union Minière doet niet meer aan mijnbouw, maar vestigde zijn wereldreputatie met het terugwinnen van kostbare metalen. Uit zinkconcentratie bijvoorbeeld kan indium gehaald worden. Dat gebeurt onder meer in de Belgische onderneming Nyrstar in het Kempense Balen en het Franse Auby waar zinkconcentraten uit Bolivia aankomen. ‘Zal de Balense groep Bolivia ooit helpen om uit te groeien tot een concurrent?’ vraagt Custers zich retorisch af. En hij antwoordt zelf: ‘Zo zit de mondiale economie jammer genoeg niet in elkaar. Deze milieus zijn niet gebaat bij een transitie naar een eerlijke grondstoffenketen.’ (p. 19) Daarvoor moeten andere samenwerkingsverbanden tot stand gebracht worden, schrijft de auteur in zijn proloog: ‘Voor onze transitie zijn hun materialen onmisbaar. Logisch toch, dat wij van onze transitie dan ook de hunne maken’ (p. 11)

High intensity democracy

De onderzoeksjournalist Custers analyseert in ‘De uitverkoop van Zuid-Amerika’ niet alleen zorgvuldig de nefaste rol die multinationale ondernemingen spelen – zie de veelheid aan interviews en verwijzingen naar literatuur na elke hoofdstuk – maar hij brengt ook het hardnekkige verzet in beeld van gewone mensen die zich vaak verenigen in lokale asamblea. Die bewegingen van onderuit zijn zeer belangrijk, zeker in tijden dat linkse regeringen op hun retour zijn. Daar ontstaan de kiemen van een high intensity democracy waarover Custers het in zijn besluit heeft, verwijzend naar de omschrijving van de Portugese socioloog Boaventura de Sousa. ‘Het debat over alternatieven is bezig, ook in Zuid-Amerika, en basisorganisaties en gemeenschappen werken opnieuw in netwerken aan een menselijke transitie.’ (p. 234)

Wat de auteur in zijn inleiding schrijft kan evenzeer als hoopvol slot gelezen worden: ‘Overal roeren zich mensen die sociale waarde willen scheppen. Ik heb met bewondering en respect naar hen gekeken en geluisterd: j’ai bien regardé, j’ai bien vu, merci petit jézus. Zij plooien niet voor de oligarchen en hun geweld, zij willen goed leven. Dat is geen utopie maar dagelijks pionierslabeur.’ (p. 10)

De uitverkoop van Zuid-Amerika, Grondstoffen, burgers en big business
Raf Custers
EPO
2016
260
9789462670686
Borgerhoutenaar Walter Lotens (°1942) noemt zich een glokale burger. Deze gepensioneerde leraar, mede-oprichter van de Actiegroep Kritisch Onderwijs (AKO), moraalwetenschapper, publicist en Latijns-Amerikawatcher schreef voor LA Chispa, een Nederlandstalig magazine over Latijns-Amerika en de Cariben, het Belgische De Reiskrant en voor de Surinaamse krant “De Ware Tijd” en nu voornamelijk voor de webzine voor internationale politiek uitpers.be, waarin hij niet alleen uitvoerig aandacht besteed aan Latijns-Amerika, maar ook aan het Antwerpse mobiliteitsdossier.