Van kaste tot bondgenoot. Over de moeilijke relatie tussen PSOE en Podemos

Pablo Iglesias
Facebooktwittergoogle_plusmail

De kans is niet gering dat ook na de parlementsverkiezingen van 26 juni de sociaaldemocraten van de Partido Socialista Obrero Español (PSOE) de sleutel in handen krijgen om de politieke impasse te deblokkeren. Dat was al het geval na de verkiezingen van 20 december 2015. Toen keek de partij, toen ze aan zet kwam, echter meteen naar rechts en klonk ze zich vast aan Ciudadanos, terwijl een alliantie met Podemos niet alleen meer zetels opleverde maar, dankzij de eventuele gedoogsteun van gematigde nationalisten, ook de kans op een daadwerkelijke meerderheid vergrootte. Toch ging PSOE-leider Pedro Sánchez nooit in op de uitnodigingen van Podemos om samen een linkse coalitie  op de been proberen te brengen. Wat is er toch aan de hand tussen beide formaties?

 

“José Luis Rodríguez Zapatero was de beste premier sinds de wederinvoering van de democratie”. In tegenstelling tot wat mag verwacht worden, zijn dit niet de woorden van Pedro Sánchez of enig ander kopstuk van de Spaanse sociaaldemocratische PSOE. Vreemd genoeg betreft het een uitspraak van Pablo Iglesias, algemeen-secretaris van Podemos en de grootste uitdager van de PSOE voor de hegemonie ter linkerzijde. Nu diens formatie de krachten bundelde met Izquierda Unida geven de peilingen een ‘sorpasso’ aan: van op links zou Unidos Podemos – de naam van de eenheidslijst – de PSOE voorbijsteken in de kiesgang van zondag 26 juni aanstaande.

 

Dat zou spectaculair zijn. Wanneer we het perspectief verbreden, zien we dat de PSOE – net als haar Europese zusterpartijen – in de loop van de jaren tachtig ‘de ideologische veren heeft afgeschud’ (de uitspraak was van Wim Kok), zich positioneerde rond een synthese tussen socialisme en liberalisme (de Derde Weg) wat praktisch een draai naar rechts inhield die een deel van de traditionele achterban verweesd achterliet. De partij steunde op de nieuwe middenklasse die globalisering en Europese eenmaking met vertrouwen tegemoet zag omdat ze er dacht voor ‘geoutilleerd’ te zijn. De partij zette de neoliberale koers consequent door, ook na de bankencrisis, wat in Spanje leidde tot dermate harde besparingen dat velen uit de middenklasse in de verpaupering terecht kwamen. Dat laatste doet zich in Noord-Europa nog niet op even massale schaal voor. Maar het schept her en der ruimte op links voor een grote formatie die de leemte invult. Iglesias zinspeelt daar openlijk op en vergelijkt zijn partij graag met de sociaaldemocratie ten tijde van Olof Palme of Bruno Kreiski. De mix van besparingen en corruptie creëren ook opportuniteiten voor populistisch of radicaal rechts, maar in Spanje wordt dat vooralsnog allemaal geabsorbeerd binnen de Partido Popular, een partij die nog lange tijd op een sociologisch minimum van minstens een kwart van de stemmen zal kunnen rekenen.

Het moeilijkste komt nog

Maar peiligen zijn wat ze zijn en vooral niet zijn en de ‘sorpasso’ is nog geen feit, hoewel bij Podemos de ambities en intenties weinig plaats voor twijfel laten. De amper in januari 2014 opgerichte partij wil, in die volgorde, de sociaaldemocratie overvleugelen, de grootste partij van het land worden, een linkse regering op de been brengen, Spanje bevrijden van de neoliberale houdgreep van de Europese instellingen dankzij een Zuid-Europees front dat een schuldherschikking afdwingt en daardoor een neo-keynesiaans beleid kan doorvoeren van overheidsinvesteringen, tewerkstelling, koopkrachtverhoging.  Linkse die hards kunnen daar de neus voor ophalen, maar we behoren vandaag allemaal te weten dat daar in de Europese hoofdkwartieren niet mee gelachen wordt, zoals het Syriza van Alexis Tsipras mocht ondervinden. De Trojka en de andere EU-lidstaatregeringen laten geen enkele halve opening toe en wie probeert hard te maken dat er voor het meedogenloze neoliberale beleid een alternatief bestaat, moet verslagen, afgestraft en vernederd worden.

 

Ingeval van zo een ‘sorpasso’ of zelfs van het minder waarschijnlijk passeren van de rechtsconservatieve Partido Popular hebben ze bij Unidos Podemos hun zaakjes nog niet voor elkaar. Een regeermeederheid is immers enkel mogelijk mét de PSOE en de Spaanse sociaaldemocraten krijgen het niet warm van de alternatieve Podemos-roadmap. Ze kijken, voorlopig althans, enkel naar rechts. Daar hadden ze na de verkiezingen van december 2015 een akkoord gevonden met Ciudadanos. Deze anti-Catalaanse Catalaanse partij werd door het Spaanse establishment gepimpt tot een federale anti-Podemos-partij. Ook de liberale ALDE-fractie van het Europees Parlement stak een gretige hand toe in deze operatie. Maar de PSOE kwam daar niet mee aan een meerderheid: zowel de PP op rechts als Podemos op links weigerden deze constructie elke gedoogsteun. Tot overmaat van sociaaldemocratische ramp lijkt Ciudadanos nu weg te zakken. Momenteel strijdt de formatie geleid door Albert Rivera wanhopig om een relevante rol in de Spaanse politieke arena te behouden.

 

Het is in die context dat de lof van Iglesias voor Zapatero moet begrepen worden. Binnen zijn eigen partij werd de voormalige premier, die na zijn tweede en laatste ambtstermijn zelf wat de luwte opzocht, in de marge gedrukt. Het is een publiek geheim dat huidig leider Sánchez en ‘ZP’ geen al te beste vrienden zijn. In de lopende verkiezingscampagne zal Zapatero slechts eenmaal ten tonele verschijnen. De machtige PSOE-baronnen rekenen niet op hem. De primus inter pares van die baronnen is de Andalusische Susana Díaz. Zij regeert in haar autonome gemeenschap met de gedoogsteun van Ciudadanos. Ze zit voortdurend op ramkoers met de door Teresa Rodríguez aangevoerde Andalousische tak van Podemos. Rodríguez wilde na de regioverkiezingen in de lente van 2015 de PSOE best wel terug aan de macht brengen, maar stelde drie voorwaarden in ruil voor gedoogsteun: de corrupte PSOE-coryfeeën moesten eruit (onder meer de voormalige Andalusische minister-presidenten José Antonio Griñan en Manuel Chávez), de privatiseringen moesten stopgezet worden en er moest geïnvesteerd worden in lokaal onderwijs en gezondheidszorg. Die voorwaarden zag de PSOE niet zitten.

 

Met de Andalusische federatie erfde de 41-jarige Díaz het machtigste PSOE-bolwerk waardoor ze de doorslaggevende stem werd onder de partijbaronnen. Ze ambieert zelf het nationale leiderschap van haar partij, maar liet in ondankbare tijden de kelk aan zich voorbijgaan om Sánchez de wei in te sturen maar hem toch zoveel mogelijk aan de leiband te houden. Tot nu toe slaagt die er niet echt in aan de druk van de baronnen te weerstaan. Als de PSOE het op 26 juni slecht doet en uit de boot valt, zal zijn lot als algemeen-secretaris van de partij bezegeld zijn.

Een andere strategie?

Iglesias en Unidos Podemos moeten dus de PSOE van strategie doen veranderen. Ze moeten de Spaanse sociaaldemocraten overtuigen een coalitie ‘a la valenciana’ aan te gaan. Met die slagzin refereert de paarse formatie (de huiskleur van Podemos) naar de regioregering die er in Valencia in geslaagd is de door en door corrupte maar almachtige PP eindelijk uit het zadel te stoten. Die nieuwe coalitie is er een van PSOE, Podemos en Compromís, de links-Valenciaanse formatie onder leider van Monica Oltra die op nationaal vlak deel uitmaakt van Unidos Podemos. Iglesias heeft daarvoor bondgenoten nodig binnen de PSOE en betrekt daarom Zapatero in het debat. Bij de PSOE-basis is de minzame Zapatero nog steeds populair. Dat hij vanaf het uitbreken van de bankencrisis in 2008 het roer omgooide en een hard soberheidsbeleid invoerde, beschouwt men onder socialisten als iets ‘onvermijdelijks’. ‘José Luis kon niet anders’, klinkt het.

 

Zo ver wil Iglesias het niet drijven. Hij betreurt de capitulatie van Zapatero in 2008 en vooral het feit dat ‘José Luis niet gevochten heeft’. Iglesias laat plagerig weten dat beide mannen het goed met elkaar kunnen vinden. Ze bellen elkaar regelmatig, alhoewel ze dat ‘uit voorzorgsmaatregelen’ tijdens de zoektocht naar een meerderheid tussen januari en mei even niet gedaan hebben. Onlangs, nog steeds volgens Iglesias, belden ze over Venezuela, waar Zapatero onderhandelt tussen regering en oppositie. Venezuela wordt vooral door Ciudadanos, maar ook door PP en PSOE, gebruikt om Podemos in het defensief te drukken. Ondanks het feit dat rechtbanken tot viermaal toe klachten van financiering van Podemos door het Venezolaanse regime als ongegrond hebben afgeketst, blijven haar politieke tegenstanders de partij linken aan het regime van Maduro waar oppositiekranten verboden worden en opposanten in de cel belanden. In tegenstelling tot de wanhopige pogingen van Ciudadanos zullen de Spaanse verkiezingen niet over Venezuela gaan en geven de peilingen aan dat de kiezer Unidos Podemos niets ‘Venezolaans’ ten kwade duidt.

 

Maar terug naar Zapatero die door Iglesias het hof gemaakt wordt. In tegenstelling tot de PSOE-baronnen spreekt Zapatero zich mild uit over Iglesias. Hij nuanceert dat Podemos ‘populistisch’ zou zijn, laat weten dat er met Iglesias goed te praten valt en dat diens lof op hem eigenlijk bedoeld is aan het adres van de hele partij.

 

Het geflirt van Iglesias met de PSOE via Zapatero betekent voor Podemos toch ook wel een quasi Coperinicaanse omwenteling. Discursief had de partij zich van in het begin ijzersterk gepositioneerd door de invoering van het Laclauaanse antagonisme volk-kaste. Tot die kaste werden expliciet twee partijen gerekend, de belichamers van het vermaledijde ‘bipartidismo’, de PP en… de PSOE. Nu willen regeren met één van de twee politieke bestanddelen van de kaste vereist dus een discursieve herpositionering. Die klinkt vandaag in de mond van Iglesias als volgt: ‘De PSOE is onze vijand niet. Onze vijand is de PP en de PSOE is onze bondgenoot’.

 

Maar zo makkelijk is dat niet, zeker niet voor de tienduizenden die zich in Podemos herkennen vanuit de sociale verontwaardiging na de bankencrisis. De dringendheid én de legitimiteit van het ‘volk-tegen-kaste’-discours haalde Podemos uit de 15-M-beweging: komaf maken met corruptie en met soberheid. Dat discours sloeg aan en maakte Podemos mee groot. Qua corruptie worstelt de PSOE immers met tal van gevallen, niet in het minst in haar Andalusische bolwerk. En de soberheid… ja, dat was nu net het werk van Zapatero. Toen vijf jaar geleden de 15-M-beweging begon met de bezetting van de Puerta del Sol en andere Spaanse pleinen was dat onder de regering van Zapatero. Het was zijn PSOE die de private banken redde met overheidsgeld. Het was Zapatero die de huisuitzettingen als terecht en noodzakelijk bestempelde. Het was ook de PSOE die de hervorming van de arbeidsmarkt organiseerde, waardoor werkgevers vandaag zowat de vrije hand hebben, vooral om te ontslaan. Het was ook de PSOE die de pensioengerechtigde leeftijd optrok naar 67 jaar. Kan het nog straffer? Ja. Het was immers ook de PSOE van Zapatero die op vraag van de Trojka artikel 135 van de grondwet wijzigde waardoor in het kader van ‘begrotingsstabiliteit’ voorrang moet gegeven worden aan schuldaflossingen. Het was tenslotte ook onder de PSOE-regering van Zapatero dat Arnaldo Otegi, voormalig Batasuna-leider, voor zes jaar achter de tralies werd gezet, terwijl nu net hij de man was die een cruciale rol speelde in de definitieve opgave van de gewapende strijd door de ultra’s van ETA.

 

Iglesias is dus bereid deze kritieken niet meer centraal te plaatsen in zijn discours om de PSOE ervan te overtuigen met hem in zee te gaan. Ten eerste omdat de PSOE, net zomin als de rest van de Europese sociaaldemocratie, bereid is om storm te lopen tegen een asociale en ondemocratische Europese constructie die ze zelf mee gebouwd hebben. Ten tweede omdat beide formaties inzake een verdere herstructurering van de Spaanse staat pal tegenover elkaar staan. Geïnspireerd door de erkenning van de plurinationaliteit in het Bolivia van Evo Morales, steunt Podemos het recht op zelfbeschikking van de Catalanen. Podemos wil dat de Catalanen zelf kunnen beslissen én dat ze beslissen om bij Spanje te blijven in een lossere constructie, met meer autonomie en bevoegdheden. Dat is voor Podemos van groot belang, want onder haar steunpunten in Catalonië (En Comú Podem, de grootste formatie van Catalonië bij de afgelopen parlementsverkiezingen) zitten mensen als Ada Colau en vele anderen die daar uiterst gevoelig voor zijn. Tijdens het tv-debat van vorige week met de vier kopstukken (Rajoy, Sánchez, Iglesias, Rivera) liet Iglesias uitschijnen dat hij op dat vlak ook tot toegevingen bereid was. Dat zou tweemaal een deur kunnen openzetten: die voor een alliantie met de PSOE, maar ook die voor de uittocht of de breuk met Catalaanse, Baskische en Galicische partners.

 

De voormalige burgemeester van Córdoba en ex-leider van Izquierda Unida, Julio Anguita, kondigde het al aan: ‘Mochten we de verkiezingen winnen, dan begint pas het moeilijkste’.  Kopzorgen dus voor Podemos. Maar ook voor de PSOE. Wat als ze, mocht dat mathematisch mogelijk worden na 26 juni, geen meerderheid vormt met Unidos Podemos en de PP opnieuw aan de macht helpt? Her en der – te verstaan: in de hoofdkwartieren van de Europese elites – wordt al gespeculeerd over zo’n ‘grote coalitie’ waarin Ciudadanos zou meegenomen worden. Door die laatste er bij te nemen maskeer je het feit dat de coalitie steunt op de twee pijlers van het ‘bipartidismo’ en kan je laten uitschijnen dat er een zekere ‘vernieuwing’ aan zet komt. Maar zal de PSOE-achterban pikken dat je met de gehate PP regeert en niet met wat dan wellicht de grootste linkse formatie van Spanje zal zijn? Dreigt er dan geen ‘pasokisering’ van de PSOE, zeker als – zoals de PP aan de Europese rentmeesters beloofde – na de verkiezingen nieuwe besparingen zullen volgen?