Gedreven en afgedreven

Facebooktwittergoogle_plusmail

Van een biografie verwacht je niet dat ze ‘spannend’ is, of ‘ontroerend’. Je mag wel verwachten dat ze de essentiële lotgevallen, ideeën en karaktertrekken van de ‘gebiografeerde’ tot hun recht laat komen. Kortom: dat de figuur waarover het boek gaat, tot leven wordt gebracht.

Dat is niet altijd makkelijk. Zeker wanneer een publieke figuur zijn privé-leven zo goed mogelijk probeert af te schermen, zelfs zijn naaste medewerkers geen inkijk geeft in zijn gemoedsgesteltenissen, en weinig of geen persoonlijke brieven of dagboeknotities heeft geschreven. Dan moet de biograaf zijn toevlucht nemen tot formele documenten en de herinneringen van verwanten en bekenden.   Dat was de moeilijke taak waarmee Hellinck zich geconfronteerd zag. Je mag veronderstellen dat hij zich van die taak ‘naar best vermogen’ heeft gekweten. Helaas moet de lezer vaststellen dat de talloze uren, doorgebracht in archiefmappen en met bijna honderd gesprekspartners, slechts een ‘portret in mineur’ hebben opgeleverd.   Je kan iemand immers op veel verschillende manieren portretteren. Zoals een obligate klasfoto, die geen andere ambitie heeft dan te zorgen dat iedereen er op staat. Of zoals een schilderij dat de toeschouwer aangrijpt hoewel (of: omdat ?) het zich van nauwgezette weergave niets aantrekt maar wel de essentie van een persoonlijkheid te voorschijn haalt.  Het eerste is in het beste geval vakwerk; het tweede is kunst.

Nu hoeft een biografie niet perse een kunstwerk te zijn. Maar wanneer ze een bijzonder boeiende figuur behandelt, zou ze toch verder moeten reiken dan ongeïnspireerd vakwerk.  Hellinck heeft zijn boek bedoeld als “het portret van een gedreven man”. En dat wàs Van Miert ook, ongetwijfeld. Maar het is niet door dat om de haverklap te herhalen dat een biograaf die gedrevenheid ook voelbaar maakt voor wie de betrokkene niet heeft gekend. Van Miert had beter verdiend.   Zijn  achtergrond, zijn intellectuele en politieke ontwikkeling, zijn bewogen politieke loopbaan, zijn alom gewaardeerde inzet als EU-Commissaris, en zijn ietwat verrassende integratie in het bedrijfsleven:  al die facetten van Van Mierts rijk gevulde en intens geleefde leven worden plichtsgetrouw verteld en behoorlijk gestoffeerd. Maar de geestdrift die hem bezielde ‘proeft’ de lezer zelden of nooit.   Vermoedelijk werd de biograaf geteisterd door twee angsten: de angst om in een hagiografie ofte ‘heiligenverhaal’ te verglijden enerzijds, de angst om iets te vergeten anderzijds. De eerste vrees heeft geleid tot een onnodig afstandelijke verhaaltrant; de tweede liet het onderscheid verdwijnen tussen belangrijke en minder belangrijke elementen in het levensverhaal. Met als gevolg dat deze biografie, eens de jeugdjaren van Van Miert voorbij, steeds meer de ergerlijke indruk wekt van een omgevallen archiefkast of steekkaartenbak.  En dan irriteert het des te meer dat voor- of achteraan niet een elementair chronologisch overzicht wordt gepresenteerd van een toch wel opmerkelijke loopbaan.   Even herinneren. Karel Van Miert werd in 1942 geboren in een Kempens landbouwersgezin. De familie had het niet breed, en als oudste zoon onderbrak Karel zijn secundaire studies om mee de kost te verdienen. Later zou hij via zelfstudie de draad weer oppikken, en vervolgens in Gent diplomatieke wetenschappen gaan studeren. In Gent, inderdaad, want ondertussen was de intelligente en kritische Karel  ‘weggegroeid’ uit het ‘geloof der vaderen’, maar zonder daaraan enige rancune over te houden. Later zou hij zich trouwens als partijleider van de Vlaamse socialisten (meer dan zijn voorgangers) inspannen om markante figuren uit de christelijke en ‘nieuwe sociale’ bewegingen te overhalen tot partijpolitiek engagement in de (B)SP.

Voor het zover was had Van Miert aan studie en werk een uitgesproken Europese inslag gegeven: door een specialisatie in Nancy, en een baan op het kabinet van toenmalig Europees Commissaris Simonet. Hij was naar Brussel verkast, en speelde daar een rol in de vorming van de ‘Rode Leeuwen’ nadat de Brusselse PSB-BSP zowat alle Vlaamse socialisten de woestijn wilde insturen.

Een mandaat in het Belgische parlement ambieerde hij niet echt, ook niet toen hij eerst co-voorzitter was van de PSB-BSP en vervolgens voorzitter van de SP. Maar toen in 1979 het Europees Parlement voor het eerst rechtstreeks werd verkozen behaalde hij als boegbeeld van de pas autonoom geworden SP een indrukwekkend resultaat, en dat ondanks de electorale landverschuiving die toen  plaatsgreep rond CVP-kopstuk Leo Tindemans die kort voordien het Egmontpact had gekelderd.   Men mag aannemen dat het partijvoorzitterschap voor Van Miert eerder plicht dan plezier betekende, en dat ‘Europa’ zijn eerste ideaal bleef. Geen wonder dus dat hij in 1989 met beide handen de kans greep om voor België EU-Commissaris te worden. In die functie maakte hij – door zijn dossierkennis en gedrevenheid – grote indruk, zodat hij er een tweede termijn en enkele ‘zware’ bevoegdheden bij kreeg. Op de hoogten van de Europese Unie had hij weinig last van het Agusta-schandaal dat een hele generatie SP-ers uit elkaar dreef. In zijn persoonlijk leven speelde die affaire wel een rol omdat partner Carla Galle fel onder vuur werd genomen; de verbitterde verwijdering tussen Van Miert en voormalige kameraden maakte pas in de laatste maanden van zijn leven plaats voor voorzichtige verzoeningspogingen.   Die laatste tien jaren (1999-2009) leidde ‘de Kempenaar’ (zoals Hellinck hem tientallen keren omschrijft) een tijd lang een ‘business’-georiënteerde privé-universiteit in Nederland, en bewoog hij zich in tal van raden van bestuur in het bedrijfsleven; met andere woorden: aan de andere kant van de barrière die hij eerder had verdedigd als EU-Commissaris. Sociaaldemocraten die zich na hun politieke loopbaan nestelen in raden van bestuur … nieuw is het niet, en onbesproken evenmin. De biograaf doet dan ook erg zijn best om aan te tonen dat Van Miert altijd zijn nuchtere, sociaal voelende en integere zelf bleef: wars van ideologische scherpslijperij maar steeds gedreven door een sterk rechtvaardigheidsgevoel.   Maar … is dat genoeg ? Niemand zal beweren dat Karel Van Miert zich onrechtmatig heeft verrijkt. En ongetwijfeld heeft hij er ook in raden van bestuur altijd voor gepleit om de sociale dimensie van bedrijfsbeslissingen niet uit het oog te verliezen. En is daarmee de kous af?   Van Miert zelf heeft er nooit een geheim van gemaakt dat voor hem praktische resultaten – hoe bescheiden ook – zwaarder wogen dan ‘zuiverheid in de socialistische leer’. Zo plaatste hij bijvoorbeeld zichzelf (in een veelomvattend onderzoek naar het eerste rechtstreeks verkozen Europarlement) op een links-rechts-schaal in precies hetzelfde centrum-vakje als … toenmalig collega-europarlementslid Karel de Gucht. En toen hij in het begin van zijn voorzittersjaren dapper probeerde mensen aan te trekken van buiten de traditionele zuil, keek hij verbaasd (en zelfs ietwat neerbuigend) toen die mensen hem vertelden dat zij niet aarzelden of weigerden omdat zij de SP te links vonden, maar integendeel niet links genoeg…

Wat toen gold, geldt ook nu: valt over de houding van sociaaldemocraten tegenover – en vooral : in – de kapitalistische vrije-markteconomie niets méér te zeggen dan “erger vermijden”? Die vraag hoeft niet te worden beantwoord in een biografie, maar ze had wel mogen gesteld worden. Want indien  tegenwoordig het electorale afkalven van de sociaaldemocratie niet te stuiten lijkt, heeft dat (méér dan men daar zelf graag toegeeft) toch ook te maken met het gebrek aan geloofwaardigheid van een partij die tientallen jaren mee bestuurde maar nergens in staat bleek om een voldoende stevige dam op te werpen tegen de zegetocht van het wilde kapitalisme. Dat fenomeen doet zich trouwens overal voor in dat Europa dat Van Miert zo dierbaar was.   Een ‘strijder voor Europa’ was hij ongetwijfeld. “Europa is het waard om voor te vechten” schreef hij ooit, in een voor hem ongebruikelijk strijdlustige taal; en hij zou anno 2016 ongetwijfeld fel van leer trekken tegen het rechtse of linkse ‘populisme’ dat alles wat tegenwoordig maatschappelijk fout loopt toeschrijft aan de ‘bureaucraten in Brussel’. Alleen kan (of wil ?) deze biografie niet de indruk wegnemen dat Van Miert – en bij uitbreiding de hele Europese sociaaldemocratie – maar weinig echt ‘gestreden’ hebben om te beletten dat de vrije-markteconomie met de dag minder ‘sociaal gecorrigeerd’ werd en wordt.   Er worden in dit boek enkele kritische uitspraken van Van Miert geciteerd die ook vandaag perfect geldig blijven, al zijn ze soms veertig jaar oud. Maar hun overtuigingskracht is aanzienlijk geringer voor wie het parcours bekijkt dat de spreker in Europa heeft afgelegd. Kortom: voor een hagiografie is dit boek te droog; als sociaaldemocratische ‘oratio pro domo’ ofte zelfrechtvaardiging is het (mocht het al zo bedoeld zijn) wel erg slap.

Karel Van Miert, strijder voor Europa. Een politieke biografie
Bart Hellinck
Manteau
2016
495
9789022328200