Sprekende portretten

Facebooktwittergoogle_plusmail

“Een great flemish novel zoals die zelden wordt geschreven” noemt Joël De Ceulaer dit boek. Komend van een notoir scepticus is dat een geweldig compliment, en het is nog verdiend ook. Het boek is een indrukwekkende prestatie : het vervlecht driekwart eeuw eigentijdse geschiedenis (of althans segmenten daarvan) met portretten van vier generaties, en weeft daar ook nog ’s een scheut ‘roman à thèse’ doorheen. Maar het is méér dan de optelsom van dit alles: het is een magistrale roman.

Een familiekroniek in de vertrouwde zin kan je dit niet noemen, en een epos al helemaal niet. Want de hoofdfiguren in vier opeenvolgende generaties zijn niet bepaald helden. Ze zijn wel, ieder op een heel verschillende manier, typisch voor een bepaald tijdsgewricht en/of een bepaalde denkwijze. Dat houdt het gevaar in dat de personages slechts bordkartonnen figuren zijn om een of andere idee of geschiedenis-interpretatie te schragen.

Aan dat gevaar is Pohlmann echter wonderwel ontsnapt. Hij heeft vier meesterlijke portretten neergezet, haarfijn en scherp getekend, maar nooit helemaal meedogenloos. Integendeel. Precies omdat hij vier erg uiteenlopende wereldjes met verrassend veel empathie weet op te roepen maakt hij van zijn personages geen loutere ideeën-dragers maar mensen zoals je ze elke dag in de werkelijke wereld ziet rondlopen. En hoe meer je als lezer met die verschillende wereldjes vertrouwd bent, hoe meer je van die portretten zal snoepen.

Vier verhalen

Maar goed, het verhaal dan. Of liever: de vier verhalen, die elk hun eigen gang gaan, en waarvan je de samenhang – én de contradicties – pas ten volle begint te begrijpen en te smaken naarmate je verder in het boek vordert. Generatie 1 is de nijvere middenstander Charles Verdickt, die met politiek niets wil te maken hebben, zich tijdens de bezetting wel verrijkt door zijn handel met de Duitsers, daarvoor nadien een zware tol betaalt en uit de gevangenis komt als een rancuneus flamingant. Aangezien aan het boek niet de afgezaagde waarschuwing voorafgaat dat “elke gelijkenis met bestaande of bestaan hebbende personen louter toevallig is” mag men aannemen dat een summiere toespeling op Karel Dillen er niet zomaar staat.

Generatie 2 is Raymond Verdickt, zoon van, die tot verbijstering van zijn ouders – en meer om aan de middenstandse alledaagsheid te ontsnappen dan om iets anders – naar het Oostfront trekt, daar (na vele jaren, wanneer hij in het België van de Koude Oorlog op meer begrip kan rekenen) relatief onbeschadigd van terugkeert, zich als hardwerkende zelfstandige opnieuw integreert in zijn dorp van herkomst en daar zelfs een bescheiden carrière als lokaal VU-politicus uitbouwt. Parallellen met de werkelijkheid zijn niet op één hand te tellen. En het herhaalde opvoeren van het ‘blad voor mensen met een goed hart maar een slecht geweten” is slechts een van de vele ironische noten in het boek.
Generatie 3 vereist een zijsprong. Rolf is een neef van bovenstaande ‘zwarte Mon’. Hij is het kind dat bij Raymonds zus Germaine werd verwekt door een in 1944 gesneuvelde Duitse soldaat, en de brutale behandeling van Germaine overleefde. Germaine zelf blijft echter getekend door haar onstelpbaar verdriet om haar verloren geliefde, en na verloop van tijd zal Rolf worden grootgebracht in het gezin van Raymond/Mon.

Dat die Rolf later de zwarte schaapstal ruilt voor de fel-rode en een tijdlang kopstuk wordt van de ‘amadezen’ is natuurlijk het perfecte cliché, maar tegelijk ook werkelijkheid geweest in vele Vlaamse en andere families. In het portret dat de lezer hier krijgt opgedist ontbreken de clichés evenmin; maar tegelijk is het beeld zo realistisch – en tot in details waarheidsgetrouw – dat je je afvraagt bij wie de auteur zijn mosterd heeft gehaald. Allicht niet meer bij grote roerganger Ludo Martens, die in 2011 overleed, maar van wie waarnemers zich zeker het gebaar herinneren waarmee hij “met een handbeweging het sluike zwarte haar voor zijn ogen wegveegde” …

Briljant nihilist

De ene generatie-opstand is de andere waard, en dus verrast het niet echt dat Rolfs zoon Armin (die ondertussen ook een andere familienaam heeft) in een heel andere hoek belandt : met een Londense MBA op zak wordt hij binnen de kortste keren en met dank aan de financiële collaps van 2008 topbankier bij diezelfde ‘Société’ (in een roman hoeven de data niet echt te kloppen) die door zijn vader en zijn grootoom werd verafschuwd.en door zijn overgrootvader tevergeefs als excuus gehanteerd. Armin is het prototype van de geur-, kleur- en smaakloze financiële ‘wizard’; briljant en (dus ?) volkomen cynisch, vol neerbuigende minachting voor elke vorm van links of rechts ideaal ofte zelfbedrog.

Die Armin is ook de ik-verteller, die aan de ‘laatste wens’ van zijn ten dode opgeschreven vader voldoet door met hem naar Duitsland te reizen, op zoek naar verwanten van de  Duitse grootvader die Armin nooit heeft gekend. Tijdens die reis en onmiddellijk erna worden de laatste draden blootgelegd die de vier verhalen verbinden en die alle samen het canvas vormen waarop ettelijke segmenten van drie kwart eeuw Vlaamse geschiedenis worden geschilderd. Maar daar houdt het niet bij op.

Briljante Armin zorgt ook voor de roman à thèse. Hij gaat er prat op dat hij – anders dan zijn vader of diens oom – nergens in gelooft, maar hij heeft uiteraard wel een kijk op de wereld. Die kijk is betrekkelijk eenvoudig. Iedere mens – met wat voor ideeën of idealen ook, met wat voor goede of kwade bedoelingen of acties ook, met wat voor grote of kleine inzet ook – heeft in werkelijkheid slechts één bestemming: het ‘systeem’ dienen. En dat systeem heeft slechts één finaliteit : steeds efficiënter worden.

Zo simpel is het. En vanuit die briljante analyse kan je tenslotte alleen maar meewarig neerkijken op al die mensen die dat nog steeds niet begrepen hebben. Morele overwegingen of bezwaren hebben in die kijk op de wereld geen plaats. Wroeging al helemaal niet. Armin “aanvaardt’ dat zijn vader dit “geen eerbare manier van leven” vindt. Punt.

Verontrustend

Dat postmoderne nihilisme van de verteller krijgt de lezer ettelijke keren beknopt of uitvoerig opgedist. Dat is een storend aspect van dit boek. En aangezien het voor het overige zo weloverwogen gecomponeerd is, ga je je toch afvragen of de auteur met dat drammen misschien een bedoeling heeft. Ook hier weet Pohlmann immers vlijmscherp een gedachtenwereld weer te geven met een heel eigen  innerlijke samenhang, al is dat niet meteen de gedachtenwereld die een doorsnee-lezer anno 2016 kan bekoren. Zoveel is duidelijk: Pohlmann provoceert graag. Dus is zijn toekomstbeeld à la Armin wellicht ook als waarschuwing bedoeld, net als zijn analyses van de vorige generaties.

Is dat wensdenken van een ouder wordende recensent ? Misschien. Opvallend is toch dat Armin zelf, op het eind van het boek toch – via een overigens erg genietbare omweg langs de Griekse Oudheid – terugkomt op de spanning tussen ‘enkeling’ en collectieve mythe.
Kortom: dit is een bijzonder lezenswaardig boek met een rijkdom aan rake en soms zelfs hilarische details, en toenemend raadselachtige tot ronduit verontrustende beschouwingen. Onvermijdelijk herinnert het bijwijlen aan ‘Het verdriet van België’ (dat overigens even om het hoekje komt loeren) maar evenzeer aan de betere sociaal-psychologische science-fiction van de tweede helft van vorige eeuw.

Alleen heeft de auteur het ongeluk professioneel actief te zijn voor de N-VA. Het siert De Ceulaer dat hij ondanks zijn obsessionele afkeer van de N-VA dit boek op zijn eigen mérites heeft beoordeeld. Zoveel ‘fair play’ viel blijkbaar niet te verwachten van de Standaard der Letteren, die Pohlmanns boek wetens en willens liet afkraken door een Nederlandse dame die ondanks – of juist vanwege ? – menigvuldige contacten met bekende Vlaamse schrijvers geen sikkepit (als in: geen snars, geen bal, geen ene moer) van Vlaanderens geschiedenis in de twintigste eeuw begrepen heeft. Het is niet ondenkbaar dat Pohlmann een en ander dialectisch relativeert: een slechte recensie kan zo adembenemend dom zijn dat ze in feite een compliment wordt.

Een unie van het eigen
Joachim Pohlmann
Polis
216
428
978-94-6310-112-7