Europa als vlucht voorwaarts

Facebooktwittergoogle_plusmail

Op de lagere school werd (wordt ??) het ons al ingelepeld : het legendarische rijk van Karel de Grote (een Belg, natuurlijk) werd in 843 opgedeeld tussen zijn drie zonen. Het ‘middenrijk’ (tussen oost en west), van de Noordzee tot Noord-Italië, verviel in vele kleine stukken en werd in de volgende elf  eeuwen twistappel en slagveld voor diverse machtiger Europese staten.

Elf eeuwen en tientallen staten en staatjes .. dat is niet niks. Wie daarvan één geschiedenis wil schrijven waagt zich op een bijzonder glibberig pad, om niet te zeggen in een moeras. Zo een groots opzet maakt maar kans op slagen wanneer het gepaard gaat met duidelijke beperkingen. In zijn “geschiedenis van grensnaties” beperkt de Gentse historicus Olivier Boehme zich dus tot een beschrijvend verhaal van enkele kleine én grote grensnaties: de Benelux-landen, Zwitserland, de Oostenrijks-Hongaarse dubbbelmonarchie en Duitsland (dat allicht het meest verrast in deze opsomming).

Doorslaggevend is echter niet de geografische beperking, maar de keuze van de invalshoek. Boehme onderzoekt hoe in opeenvolgende fasen van hun geschiedenis die landen (of wingewesten, proto- of potentiële staten) hun wankele positie achter een idealistisch rookgordijn proberen te verhullen. Om de eigen belangen te verdedigen of te bevorderen wordt een niet echt benijdenswaardige geopolitieke situatie voorgesteld als ‘historische roeping’ om een brugfunctie te vervullen. Een dappere poging om de eigen bevolking te verzoenen met haar lot én de machtiger buren tot enige terughoudendheid te bewegen – dat wel. Maar een poging die zelden succes had wanneer de nobele ideeën niet werden beschermd door natuurlijke grenzen (zoals voor Zwitserland of de Verenigde Provinciën), door interne en externe diplomatie (Oostenrijk) of door militair overwicht (Pruisen).

Toch is deze historische zwerftocht langs voorheen weinig verkende paden leerrijk. Al was het maar omdat – ruim twee eeuwen na het Congres van Wenen – niet de geopolitieke kaart van Europa hertekend moet worden, maar wel de mentale. Nu de hybride constructie die de Europese Unie is, steeds meer kritiek te verduren krijgt, is een terugblik op oudere hybride constructies zeker niet nutteloos.

Voluntarisme

Wanneer thans her en der de noodzaak wordt beklemtoond van verder doorgedreven eenheid weerklinkt daarin vaak iets te veel voluntarisme, dat overduidelijk meer om efficiëntie bekommerd is dan om democratie. Pleidooien voor meer ‘unity of command’ komen soms verdacht dicht in de buurt van de roep om één ‘commander’. Zoiets ziet iemand als Verhofstadt misschien wel zitten maar een echte democraat natuurlijk niet. Anderzijds lijkt juist de geschiedenis van het ‘middenrijk’ aan te tonen dat een lappendeken weinig overlevingskansen heeft in een omgeving die steeds verder naar schaalvergroting streeft, maar ook dat eenheidsgericht voluntarisme op zichzelf evenmin volstaat.

Alleen: hoe moet het dan wel ? Wie naar antwoorden op die vraag zoekt kan alvast veel opsteken uit de voorbije eeuwen Europese geschiedenis. Vooral om te leren hoe het niét moet ? Ongetwijfeld. Maar ook om inspiratie op te doen over mogelijke formules die misschien meer kans op slagen hebben dan in het verleden. Schaalvergroting bijv. wordt niet meer als alleenzaligmakend beschouwd. Terwijl technologieën van de 21ste eeuw communicatie zonder grenzen wel hebben vergemakkelijkt, maar zeker niet minder problematisch gemaakt.

Aan toekomstbeelden waagt Boehme zich echter niet. Hij schetst de geschiedenis van de door hem uitgekozen landen wel vanuit een ongebruikelijk en daarom verfrissend perspectief, en doorspekt ze met prikkelende verwijzingen naar het heden. Ook  zonder expliciete verwijzingen zal de lezer vaak kunnen vergelijken met de hedendaagse Europese problematiek, al zijn die vergelijkingen niet bepaald bemoedigend. Dat geldt met name voor ettelijke vaststellingen of citaten die eigenlijk slaan op de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie maar ‘bangelijk’ toepasselijk zijn op de Belgische situatie. “Deze staat had zichzelf alleen nog beleefd in het bewustzijn van de ontoereikende redenen voor het eigen bestaan”; de o zo verschillende inwoners beschouwden “gecultiveerde middelmatigheid” als het hoogste goed, en “bekeken elkaar met de panische schrik van ledematen die elkaar met vereende krachten verhinderen iets te zijn” (p. 291). Zo poëtisch hoor je het de burgemeester van Antwerpen niet meteen verwoorden…

Troostende illusie

De bijtende vaststellingen komen alle uit Robert Musils meesterwerk “De man zonder eigenschappen”, en worden waarachtig niet toevallig aangehaald door Boehme, die met duidelijk plezier – indien al niet instemming – citeert uit de klassieker die Musil wijdde aan de laatste jaren van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie.

Nu hier en nu het debat woedt over de al dan niet ‘mislukte staat’ klinkt Musils koele beschrijving van het gestuntel in ‘Kakanien’ (zijn legendarisch geworden spotnaam voor de ‘Kaiser- und königliche’ Donaumonarchie)  erg vertrouwd als kritiek op een “anachronisme dat de een koesterde en de andere verwierp”. Waar “laksheid tot nationale deugd verheven” werd, “zwakheid als nobel ideaal gestiliseerd” en de gedroomde brugfunctie in feite neerkwam op “terughoudendheid uit vrees voor de afgrond en het einde van het rijk” maakt Boehme Musils kritiek tot de zijne en hekelt hij expliciet het wensdenken van patriotische historici als Pirenne.
De kritiek op het ‘vis-noch-vlees’-karakter van zelfverklaarde ‘brugnaties’ is overigens niet nieuw (niemand minder dan Jules Destrée voer in het begin van de twintigste eeuw al fel uit tegen het ‘middelmatisme’); het dwepen met de ter ziele gegane dubbelmonarchie als ‘multinationale staat avant la lettre’ is dat evenmin. Wél nieuw voor de Belgische lezer is veeleer het opvoeren van Duitsland als ‘grensland’ – althans voor zo ver die lezer zich niet heeft verdiept in de Duitse geschiedenis. Want het oostelijk deel van het rijk van Karel de Grote heeft een bewogen ontwikkeling gekend.

Naarmate het zich steeds verder uitbreidde naar het oosten van het continent ging het zichzelf steeds meer zien als geprangd tussen oost en west, met een ‘deutscher Sonderweg’ als enige uitweg. In feite mag je stellen dat slechts na Wereldoorlog II de definitieve binding met het Westen (met zachte dwang) werd verwezenlijkt door Adenauer.

Misschien is Boehmes keuze om ook de twee verdwenen Centraal-Europese grootmachten als ‘grensland’ te bekijken juist daarom zo boeiend. Over België en Zwitserland is dat beeld al ten overvloede gebruikt; en wanneer (de al even patriotisch gemotiveerde) Huizinga Nederland die rol wou aanmeten was dat toch vooral om de koopmansnatie wat intellectueel respectabeler te maken. Ook het idealiseren van de Donaumonarchie moest destijds vooral het eigenbelang van de heersende – Duitstalige – elite dienen, en later (nadat ze al ruim een halve eeuw was opgedoekt) als bewust gemystifieerd model voor het samenleven van verschillende talen en culturen elders.

Duitsland past op het eerste gezicht niet zo goed in die beeldvorming. Wellicht verklaart dat waarom Boehme zoveel aandacht besteedt aan de uiteenlopende manieren waarop Duitse historici en schrijvers die specifieke Duitse positie ontleden. Als Oostenrijk-Hongarije één staat was waarin vele volkeren leefden, was ‘Duitsland’ daarentegen eeuwenlang een ‘Kulturnation’ die over vele kleine en grote staten was verdeeld. Wat – ook voor hedendaagse pleitbezorgers van een of andere Europese (of Belgische ?) unie – meteen duidelijk maakt dat een gemeenschappelijke cultuur niet noodzakelijk behoefte heeft aan één enkel staatsverband. Nobelprijswinnaar Thomas Mann, die zich wàt graag zag als Duits én wereld-burger, opperde zelfs eens “dat het bijna bij de Duitse humaniteit hoorde om zich on-Duits te gedragen” (p. 231).

Voor een goed deel zijn de hoofdstukken over de beide Centraal-Europese grootmachten een soort ‘mitteleuropese’ maar toch vooral Duitse ideeëngeschiedenis geworden over de verhouding tussen identiteit, natie, staat én de wijze waarop die onderscheiden lagen kunnen samen bestaan of zelfs samenwerken. Een thematiek die in de Europese Unie anno 2016 niet zonder betekenis is.

Suboptimaal

Zoveel is duidelijk: Boehme had met zijn kanjer een groots – en ongetwijfeld ook loffelijk – opzet voor ogen. Hij heeft daarvoor ontzettend veel hooi op zijn vork genomen, zeker. Maar juist dan komt het er op aan hoofdzaken van bijzaken te onderscheiden, zodat de lezer doorheen de talloze bomen het zicht op het bos niet verliest. De omvangrijke materie en de originele invalshoek hadden van dit boek een klassieker kunnen maken; dat die belofte slechts ‘suboptimaal’ wordt waargemaakt is toe te schrijven aan enkele betreurenswaardige onvolkomenheden.

De meest irritante daarvan is de overvloed aan details. Soms zijn het leuke aardigheidjes, maar te vaak brengen ze geen relevante informatie aan en vertragen daardoor onnodig  de lectuur van wat toch al een zware brok is. ’Uitstallen van eruditie’ klinkt lelijk, en is vooral iets wat de auteur van deze omvattende studie zeker niet nodig had. ‘Der Teufel steckt im Detail’ is een uitdrukking die Boehme zeker kent, en in dit geval komt ze er op neer dat de overvloed aan onnodige details stoort in wat een groots fresco kon zijn van het oude Lotharingische middenrijk. Storend wordt het vooral wanneer zo’n detail voor discussie vatbaar blijkt.

Daarentegen had best wat meer plaats mogen ingeruimd worden voor twee theoretische aspecten én een praktisch hulpmiddel. Zo wordt herhaaldelijk ingegaan op de hierboven aangehaalde verhouding tussen identiteit, natie en staat; daarbij wordt jammer genoeg te weinig aandacht besteed aan bestaande literatuur en polemieken over sociale tegenstellingen als dimensie van die verhouding. En over de problematiek van ‘centrum versus periferie’ in éénzelfde land schreven de Franse federalist Guy Héraud en de Noorse polemoloog Johan Galtung reeds in de jaren ‘zestig van vorige eeuw zeer behartenswaardige dingen, waaraan hier helaas wordt voorbijgegaan. Tot slot: er valt allicht iets voor te zeggen een kanjer als deze niet te doorspekken met historische datums. Maar men had de lezer wel wat meer houvast kunnen bieden door voor- of achteraan een chronologisch overzicht te voorzien.

Dat alles neemt niet weg dat uit dit boek ontzettend veel te leren valt. En naarmate dit omvattende overzicht-en-analyse dichter bij het heden komt, groeit de bekoring om er citaten uit te plukken die ook nu nog perfect van toepassing zijn. Samuel Huntingtons “Clash of Civilizations” krijgt na diverse aanslagen meer instemming dan bij zijn verschijnen.

Dichter bij huis brengt Boehme de Oostenrijkse ‘Exil’-auteur Joseph Roth  rechtstreeks in verband met de Belgische situatie: “Zijn superioriteitsgevoel van de weldenkendheid in de dramatische situatie waarin hij en het hele continent zich eind jaren dertig bevonden, is enigszins vergelijkbaar met de toon waarop intellectuelen het laat-20ste-eeuwse en vroeg-21ste-eeuwse debat in Europa over de multiculturele maatschappij voeren. Ook in de discussie over het voortbestaan van ‘veelvolkerenstaten’ als België schatten verdedigers daarvan op een vergelijkbare manier het ‘betere bewustzijn’ hoger in dan ‘de stem van het volk’. Tolerantie en democratie vormen kennelijk niet zonder meer een paar” (p. 318).

Ofte: hoe Boehme waarschuwt dat elitair neerkijken op ‘populisme’ niet bepaald de beste manier is om het te bestrijden. Na wat recent in Oostenrijk werd vertoond heeft die waarschuwing gelukkig nog meer pleitbezorgers gekregen.

Europa. Een geschiedenis van grensnaties
Olivier Boehme
Polis
2016
471
978-94-6310-079-3