“Het Koerdisch bestaansrecht staat los van het nationalisme”

koerdische vrouwen
Facebooktwittergoogle_plusmail

Een gesprek met Saadet Che Demir en Gulbahar Adanc

Twee jonge Koerdische vrouwen beslisten enkele maanden terug om een lange mars door Europa te ondernemen. Met de mars willen ze Europese politici interpelleren maar ook bewust maken over de oorlogssituatie in de Koerdische gebieden en opkomen voor hun identiteit. Ze doopten hun initiatief EM, Koerdisch voor ‘wij’, maar ook van het Engelse acroniem van ‘Existence March’ (Mars voor het Bestaan).

Hun bewustzijn over de Koerdische situatie kwam niet vanzelf. Saadet Che Demir: “Ik ben van Konya, een stad in Centraal-Anatolië, ver van de Koerdische regio in Turkije (‘Bakur’). Het was moeilijk om vandaar een duidelijk beeld te krijgen van de situatie in Koerdistan in de jaren ’90 en er voor. We leken in vrede te leven. Tot mijn veertiende wist ik niet dat ik Koerdische was. Pas dan begon ik mij af te vragen: wie zijn de Koerden? Sindsdien stel ik me voortdurend vragen en zoek ik antwoorden. Ik zie deze actie als het echte begin van mijn bestaan. We waren heel actief rond Kobani en de rest van Rojava. Ik kon niet passief blijven. Ik wilde iets doen en de vragen waarmee ik zat aan de juiste personen en organisaties stellen. En dat zijn onder meer de Verenigde Naties (VN).

Ook Gulbahar Adanc was zich pas laat bewust van haar afkomst: “Ik ben van Ankara. Op mijn achttiende verhuisde ik naar Noorwegen. Tot dat moment dacht ik dat Koerden bergturken waren, zoals ons door de staat is aangeleerd. Onze taal leek niet zo belangrijk. Zolang je in het Turkse praatte waren er geen problemen. Op het moment van mijn verhuis naar Noorwegen in 1993 was er een oorlog aan de gang in Turks Koerdistan. Ik wist dat niet. Ik werd me er geleidelijk aan van bewust dat er een gewelddadig conflict was tussen de regering en de bevolking. Ik begon me te realiseren dat ik ergens vandaan kom. Mijn vader begon me de situatie uit te leggen. Ik begon te lezen, zoeken, met mensen uit de oorlog te spreken.”

Oorlog in Koerdistan

Beiden voelden ze zich gegrepen door het geweld in Irak en Syrië. Na de verdrijving en grootschalige moordpartijen van de (Koerdische) Yezidi’s in Sinjar en de opmars tegen Kobani in het Koerdische Noord-Syrië (Rojava) door de Islamitische Staat wilden ze niet machteloos toekijken. Gulbahar: “We wilden Koerdistan zien. Twee jaar geleden trokken we naar Bakur, Turks-Koerdistan. Toen waren er nog onderhandelingen tussen de Turkse regering en de PKK. Maar na de bomaanslagen in Suruc op 20 juli 2015 veranderde de situatie drastisch. Ik stond toen op het punt om in de buurt vrijwilligerswerk te verrichten. Maar dat ging dan niet meer door. Saadet kwam toen ook toe. Het was een moeilijke zomer. We waren er getuige van hoe politie en leger optraden tegen de burgers. Vooral christenen, Armeniërs en Assyriërs, vluchtelingen uit Irak. Ze werden naar Amed (Diyarbakir) en Urfa gestuurd. In Nusaybin, Kiziltepe, en andere plaatsen kon je vanaf augustus het geluid van explosies horen. Na mijn terugkeer in Noorwegen vond de de slachtpartij in Cizre plaats. Als je het ons vraagt is er weinig verschil tussen wat er in Sinjar en Cizre is gebeurd.”

Cizre ligt aan de grens met Syrië. Tussen midden augustus en midden maart kreeg de stad maar liefst 79 dagen uitgangsverbod op gelegd. Volgens mensenrechtenorganisaties vielen er in de regio 310 burgerslachtoffers tijdens het geweld. Vooral in Cizre ging het er hard aan toe. Een observatiemissie van mensenrechtenactivisten en advocaten tekende zware mensenrechtenschendingen begaan door het Turkse leger. Tientallen mensen verbrandden levend in een aantal kelders waar ze vast zaten. Er mochten geen ambulances uitrukken, eigendommen werden moedwillig vernield, scherpschutters schoten op alles wat beweegt… Saadet en Gulbahar wilden niet langer toekijken en naarmate hun project concreter werd, groeide hun bewustzijn.

Koerden hebben bestaansrecht

Gulbahar: “Ik denk dat het de laatste druppel was. We wilden iets doen. Persoonlijk of samen. Toen we de geschiedenis lazen, begonnen we van Koerdistan en de rijke geschiedenis te houden. We lazen over 15.000 jaar steden, over Mesopotamië…De menselijke beschaving begon daar. De Koerden waren een van de volkeren die daar deel van uitmaakten. Maar op papier bestaan we niet. Dat is de politiek tussen regeringen. Met onze stapactie willen we tonen dat we het recht hebben om te zeggen: we bestaan! We proberen op onze eigen bescheiden manier aandacht te vragen voor de oorlog en de situatie van ons volk, zodat de aanvallen op de burgers stoppen. We schreven een verklaring, gericht aan de VN en aan de regeringen met zeven punten. We willen een statuut. Zoals de Palestijnen willen we een status als waarnemer binnen de VN. Wanneer we de mensen ontmoeten in Duitsland, Denemarken,… dan zien we veel gealarmeerde mensen, ze weten wat er gebeurt, maar ze weten niet hoe ze kunnen helpen. Sommigen waren er zich niet van bewust en blij om ons initiatief. Dat is ook voor ons belangrijk. We doen iets juist. De reacties van de mensen motiveren ons.”

De Koerden zijn wellicht het grootste volk zonder een eigen staat. In het verdrag van Sèvres (1920) was er even sprake van een Koerdische staat, maar olie en koloniale belangen staken daar een stokje voor. Voor Saadet en Gulbahar doet het niet ter zake of er een Koerdische staat komt of niet. Saadet: “We willen dat er een oplossing komt in de regio die er voor zorgt dat de rechten van iedereen worden gegarandeerd, van welke afkomst ook. We willen dat de diplomatie in de plaats komt van het geweld. Of we Koerdistan willen, een federatie of een of andere vorm van autonomie…. het is niet aan ons om daarop te antwoorden. Het Koerdische bestaansrecht zien we los van het nationalisme.” Gulbahar: “Eerlijk gezegd, wisten we niet zo goed wat de standpunten waren van de verschillende Koerdische politici. We hebben daar nu beter zicht op, maar we zijn geen politici, we zijn geen lid van een partij, geen aanhangers van een staat. We zien nu dat veel Koerdische politici zelf geen eigen staat willen, maar een democratisch systeem op lokaal niveau in smalle autonome zones. Het gaat om een heel kleurrijke regio, met veel verschillende etnische groepen of talen, en daardoor zijn er ook zoveel verschillende behoeften.”

Beide Koerdische vrouwen hebben inmiddels al een heel traject afgelegd. Ze zijn vertrokken in Noorwegen en stapten vervolgens door Denemarken, Duitsland en Nederland. Na hun doorticht door België volgen nog Frankrijk, Zwitserland, Italië, Griekenland en tot slot Turkije. Of er wel geluisterd wordt naar hen? Gulbahar: “We hadden een ontmoeting met een groen Europarlementslid. Ze schreef een brief aan de Turkse regering waarin ze haar ongerustheid uitte over Cizre en een einde van het geweld vroeg. In Duitsland, Denemarken, Noorwegen vonden we gehoor bij verschillende politici, maar we weten ook wel dat ze niet altijd veel kunnen doen. Ze tonen zich gealarmeerd, alleen is dat nog niet het geval op regeringsniveau.” Saadet: “We proberen af te spreken met partijen van alle politieke strekkingen, maar meestal zijn het linkse partijen die we ontmoeten. In het Belgisch parlement hadden we een ontmoeting met Dirk Vander Maelen van de Sp.a. Er volgen er nog. We zijn erg afhankelijk van lokale organisaties om toegang te krijgen tot de parlementen, want zelf kennen we niemand.

“We stellen onze vragen en wachten op de reacties op onze verklaring. De antwoorden die we krijgen voegen we aan onze verklaring. We hebben een antwoord gekregen van de Noorse regering waarin ze zegt dat ze hulp geeft aan de Koerdische bevolking via de VN. Het is de eerste keer dat politici onze vragen beantwoorden. We hebben geen politieke ervaring en leren bij. We leren terwijl we stappen.” Gulbahar: “We hebben veel discussies met mensen en passen onze vragen en verklaring aan. We zijn ook verplicht om rekening te houden met de voortdurend veranderende actualiteit.”

Politiek misbruik van het etiket ‘terrorisme’

Hoe denken ze de Turkse politieke wereld te bereiken? Gulbahar: “Ik weet niet of we de moed zullen vinden om op de deur van Turkse partijen te kloppen die op de HDP (Democratische Volkspartij) na heel nationalistisch zijn. Ook tijdens onze tocht zijn het toch vooral Koerdische organisaties die we ontmoeten. We weten dat ze ons kunnen helpen zonder dat ze ons onder druk zetten om iets anders te doen. Ze zijn bereid om hun deur te openen, ons eten te geven, want we moeten het doen zonder financiële hulp. In Duitsland kregen we ook de hulp van een Turkse mensenrechtenorganisatie, Tüday in Keulen. Ze hebben projecten opgezet in Kobani (bouwen van ziekenhuizen en scholen). Ze nodigden ons uit en gaven wat steun. Ze zeiden dat ons project hetzelfde doel nastreeft als hun projecten. Ze kampen met veel problemen om de hulp ter plaatse te krijgen, omwille van de oorlog en politieke redenen, maar die solidariteit is zo belangrijk.”

Wie opkomt voor de rechten van het Koerdische volk wordt makkelijk in de hoek van de PKK geduwd, zeker in Turkije waar je dan meteen ook een terrorist bent. Ook in Europa staat de PKK als de lijst met terroristische organisaties. Ondervinden ze daar hinder van? Saadet: “Toen we onze actie startten, wisten we heel goed dat het al een politiek statement is als je zegt dat je Koerd bent. En als je Koerd bent, ben je ook al gauw PKK. Men smijt alles makkelijk op een hoop. Dat is triest, want Koerd zijn is zoveel meer dan een politieke identiteit. Gulbahar: “Het is schokkend dat je niet als Koerd bestaat, maar wel als terrorist. Dat is ook wat de PKK in het begin is overkomen. De PKK eiste bestaansrecht op voor de Koerden, maar haar leden werden in de gevangenis gestopt. Uiteindelijk zagen ze geen andere keuze dan de wapens op te nemen. De partij heet nu terroristisch te zijn. Hetzelfde gebeurde in Kobani. De stad werd aangevallen door extremistische Jihadi’s. Veel vrouwen namen de wapens op om zich te verdedigen. Hier in Europa kunnen we het anders doen. Ik verafschuw wapens en daarom staan we ook met overtuiging achter ons vreedzaam initiatief.

Saadet: “Wat is terrorisme? Ik weet het niet. Wat ik wel weet is dat het politiek wordt misbruikt. Maar mij kan het niet schelen welk etiket ze op me kleven. Maar ik moet toch wel zeggen dat het een opluchting is voor mij dat de mensen zich beschermd voelen door een organisatie als de PKK tegen de militaire aanvallen van het Turkse leger. Voor de Koerden zorgt de PKK voor hun bescherming. Eerlijk, ik hoop dat er een dag komt waarop er geen grenzen meer zijn en er vrede heerst tussen de verschillende volkeren. Maar eerst hebben we de erkenning van ons bestaansrecht nodig. Kinderen moeten gezondheidszorg krijgen en onderwijs. Dan kan er ook vrede zijn en is de tijd hopelijk ook rijp om de grenzen weg te doen.

Ludo De Brabander studeerde pers- en communicatie aan de Universiteit Gent. Sinds 1995 werkt hij voor Vrede vzw, een linkse vredesorganisatie met kantoor in Gent. Tegenwoordig is hij er de woordvoerder. Hij is auteur van o.m. 'Als de NAVO de passie preekt' (EPO, 2009 - samen met Georges Spriet) en 'Oorlog zonder grenzen' (EPO, 2016). Hij is van bij de start (1999) redactielid van Uitpers