Rudy De Leeuw: een vakbondsman in het defensief

Facebooktwittergoogle_plusmail

Rudy De Leeuw is tien jaar voorzitter van het Algemeen Belgisch Vakverbond (ABVV) en momenteel ook voorzitter van het overkoepelende Europees Verbond van Vakverenigingen (EVV). Tijd voor een boek, zal hij hebben gedacht. Het werd een boek dat uit verontwaardiging ontstond en waarin De Leeuw vooral zijn ontgoocheling weergeeft  over het beleid dat zowel op Europees, Belgisch als Vlaams niveau wordt gevoerd. Dat is een sociaal afbraakbeleid.

Zijn de vakbonden bij machte hiertegen voldoende weerwerk te bieden? Rudy De Leeuw is daar niet van overtuigd, want de vakbonden worden in het defensief gedrongen en een sociaal beleid is in de ogen van bedrijfleiders en regeringen synoniem geworden van achteruitgang. Het boek werd dan ook vooral een aanklacht tegen de sociale achteruitgang, met suggesties om nog erger te voorkomen, maar zonder duidelijk programma om het tij te keren. Waarschijnlijk omdat Rudy De Leeuw een ‘pragmatisch idealist’ is, zoals op de achterflap van het boek te lezen staat.

Het valt meteen op dat Rudy De Leeuw in zijn boek geen algemene visie op een betere samenleving ontwikkelt, maar zich vooral beperkt tot kritiek op het beleid van de Europese Unie, van de Belgische regering Michel en de Vlaamse regering Bourgeois. De Leeuw geeft zelf aan dat zijn boek niet vertrekt vanuit zo’n maatschappijvisie, maar wel vanuit verontwaardiging. Dat is natuurlijk een zeer dubbelzinnig en vooral beperkt uitgangspunt. Jaren geleden vroeg men Louis Tobback (SP.A) wat het voor hem betekent socialist te zijn. Hij antwoordde: ‘Verontwaardigd zijn’. Als dat zo is, loopt de wereld vol socialisten, want iedereen is wel over iets verontwaardigd. Ook de rijken zijn verontwaardigd omdat ze niet rijk genoeg zijn. In het hele boek wordt men gewaar dat daar het schoentje wringt: wat voor samenleving wil een socialistische vakbond en een socialistische partij? Een iets ‘sociaal gecorrigeerde’ kapitalistische samenleving of een socialistische samenleving? Met dat laatste moet men zeker bij de sociaal-democratische partijen niet af komen. Zij hebben zich al lang bij het kapitalisme neergelegd.

Het is spijtig dat De Leeuw dat niet ruiterlijk toegeeft. Integendeel, hij blijft wat hij noemt de ‘eenheid van links’ verdedigen. Waarmee hij bedoelt dat al wie zich links voelt de sociaal-democratische partijen (in België SP.A en PS) moet steunen. Partijen als de PVDA-PTB acht hij uit den boze omdat ze voor ‘versnippering’ zorgen. Gaat het hier om versnippering of om een poging een socialistisch programma die naam waardig te verdedigen? De Leeuw lijkt op dit gebied een beetje blind, want bladzijden lang haalt hij scherp uit naar het nationalistische en rechtse beleid van de N-VA, maar hij besteedt geen letter aan het failliet van de sociaal-democratie. Het succes van het Vlaams Blok in de jaren negentig en nu van de N-VA was en is toch in eerste instantie te danken aan het feit dat de sociaal-democratische partijen de werkende klasse en zeker de armste bevolkingslagen lieten vallen. Ze werden burgerlijke partijen zoals alle andere, die zich honderd procent thuis voelen in het kapitalisme en de voorbije decennia mee de sociale afbraak (besparingen, inleveringen) hebben georganiseerd.

Sociaal Pact van 1944

Rudy De Leeuw heeft heimwee naar het Sociaal Pact dat werkgevers en vakbonden in 1944 sloten, al geeft hij toe dat dat niet volmaakt was. Het doel was immers pacificatie, sociale rust en het aanvaarden van het gezag van de patroon. We hebben, aldus De Leeuw, als socialisten en zeker als socialistische vakbond ideologische toegevingen gedaan. De vakbonden aanvaardden het gezag van de werkgevers en zwakten de strijd tegen het kapitalisme af. Maar, aldus De Leeuw, het Sociaal Pact van 1944 legde wel de basis van de sociale welvaartstaat, van de sociale zekerheid met een overheid die sociaal corrigeert en van afspraken tussen de sociale gesprekspartners om de productiviteitswinsten te verdelen tussen werkgevers en werknemers. De jongste decennia kwam dit alles echter onder druk te staan, met als resultaat sociale onrust en sociale ongelijkheid. Erger nog, voor de werkgevers zijn de vakbonden niet langer de sociaal-economische actoren die ze de voorbije decennia waren. Voor Pieter Timmermans, gedelegeerd bestuurder van het Verbond van Belgische Ondernemingen (VBO), is de rol die de vakbonden destijds speelden ‘niet meer van deze tijd’.

De werkgevers houden zich dan ook niet meer aan de afspraken van 1944. De voorbije 25 jaar stijgt de arbeidsproductiviteit sneller dan de reële lonen. De productiviteitswinsten gaan bijgevolg eenzijdig richting kapitaalbezitters. Het aandeel van de lonen in het nationaal inkomen daalt daardoor tegenover een stijgend aandeel van de winsten. De Leeuw geeft toe dat de vakbonden te weinig weerwerk bieden tegen deze evolutie en pleit voor een scherpere profilering van een sociaal-economisch alternatief van het ABVV. Maar tegelijkertijd geeft hij de onmacht van de vakbonden toe: ‘We slagen er niet in een tegenbeweging op gang te brengen. Linkse partijen en vakbonden hebben wel antwoorden, maar we worden onvoldoende gehoord of onze boodschap slaat niet aan.’ Vraag is natuurlijk hoe dat komt.

Kritiek op Michel-Bourgeois

In zijn kritiek op de federale regering van Charles Michel en op de Vlaamse regering van Geert Bourgeois wijst Rudy De Leeuw op het kiezersbedrog dat in 2014 werd gepleegd. Geen enkele partij kondigde voor de verkiezingen van dat jaar aan dat de wettelijke pensioenleeftijd tot 67 jaar zou worden opgetrokken en dat langer werken zou worden bereikt door mensen te bestraffen. Ook van een indexsprong was voor de verkiezingen geen sprake. Wel werd een verlaging van de zogenaamde loonkosten aangekondigd. De Leeuw doet er goed aan erop te wijzen dat de de arbeidskost inkomen uit arbeid is. Die sociale bijdragen zijn een vorm van uitgesteld loon dat wordt gebruikt om de pensioenen, de ziekteverzekering, de kinderbijslagen en de werkloosheidsuitkeringen te financieren. De Leeuw wijst erop dat de regering Michel de sociale zekerheid herleidt tot een systeem van bestaanszekerheid, wat helemaal iets anders is dan een stelsel van solidaire sociale bescherming.

De regeringen Michel-Bourgeois organiseren de sociale achteruitgang: meer betalen (inschrijvingsgeld universiteiten, elektriciteitsfactuur), minder koopkracht, langer werken, meer flexibiliteit, ontmanteling van de overheidsdiensten, dalende uitkeringen en meer werkzoekenden. De Leeuw geeft toe dat ‘we tegenwoordig niets anders meer doen dan ons verzetten tegen afbraak’. Van de andere kant worden de werkgevers op hun wenken bediend: verlaging van de vennootschapsbelasting, indexsprong (meer winst) zonder verbintenis om voor meer werkplaatsen te zorgen, terwijl de werknemers aan steeds meer flexibiliteit onderworpen worden. In 2014 leverde de verlaging van de loonkosten de Belgische bedrijven 12,5 miljard euro op, een bedrag dat zo goed als volledig naar de aandeelhouders ging. Tijdens de eerste zes maanden van 2015 gingen 60.000 banen verloren, terwijl nieuwe banen steeds meer mini- en flexi-jobs  of uitzendwerk zijn.

Sociale zekerheid moet federaal blijven

De ABVV-voorzitter maakt zich niet alleen zorgen over het voortbestaan van de sociale zekerheid als dusdanig, maar ook en vooral over een verdere regionalisering van het sociale beleid in België. Hij wil dat op zijn minst vier materies federaal blijven: het loonoverleg, het arbeidsrecht, de sociale zekerheid en de vennootschapsbelasting. De sociale zekerheid moet  een federale sociale zekerheid blijven. De Leeuw kant zich tegen een daling en een privatisering van de uitkeringen in de sociale zekerheid. Hij vreest dat de regionalisering van de sociale zekerheid beide tendensen in de hand werkt. Antwoordend op de kritiek op de ‘transfers’ in de sociale zekerheid, wijst De Leeuw erop dat dankzij die overdrachten tussen de gewesten de levensstandaard van 40 procent van de Belgen gemiddeld met ongeveer 8 procent omhoog gaat. Hij herinnert er ten slotte aan de sociale zekerheid de solidariteit onder personen en niet onder gewesten organiseert.

Voor Rudy De Leeuw is het van het grootste belang dat de overheid verantwoordelijk blijft voor de zorgsector. Daarom pleit hij voor een niet-commerciële zorg die voor iedereen toegankelijk is.  Dat betekent onder meer dat er een maximumfactuur moet komen voor de niet-medische zorg; dat de gemeenschap verantwoordelijk moet zijn voor de zorg voor zorgbehoevende bejaarden en dat bijgevolg de onderhoudsplicht moet verdwijnen en het tijdskrediet behouden moet blijven.

Opvallend is het pleidooi van de vakbondsleider voor milieu en klimaat. Wie in de jaren tachtig van vorige eeuw voor milieumaatregelen pleitte, werd door de vakbondsleiders wandelen gestuurd, want die maatregelen zouden de werkgelegenheid schaden. Dat smoesje werd ook door de bedrijven gebruikt. De vakbonden maken nu een bocht van 180 graden. Voor De Leeuw is de opwarming van de aarde een sociaal probleem dat wereldwijd duizenden jobs op de helling zet. Het kapitalistische model is volgens De Leeuw verantwoordelijk voor de klimaatcrisis. Binnen het kapitalisme worden productiebeslissingen immers niet genomen op grond van sociale of ecologische overwegingen, maar met het oog op kortetermijnwinsten.

Europese ontgoocheling

Volgens Rudy De Leeuw moet iedere socialist ‘Europa’ blijven verdedigen. Hij bedoelt hiermee de Europese Unie. Het hoofdstukje hierover geeft hij zelfs de titel ‘Een Europa om te koesteren’ mee. Die titel is evenwel in strijd met wat De Leeuw over de Europese Unie schrijft. Om te beginnen betreurt hij dat de EU niet bevoegd is voor sociale zaken. Hij wijst op het hoge aantal werkloze jongeren, waardoor Europa een hele generatie dreigt te verliezen. Het Europese bezuinigingsbeleid werkt volgens De Leeuw niet en de EU moet zijns inziens dringend werk maken van een ambitieus Europees investeringsprogramma. Vanzelfsprekend klaagt hij de sociale dumping in de EU aan: in de transport- en bouwsector, maar stilaan ook in andere sectoren.

De Leeuw vraagt zich af waarom de EU niet aandringt op het effectief innen van belastingen; waarom een bedrag van 80 miljard euro binnen de Europese structuurfondsen onbenut blijft; waarom er nog altijd geen financiële transactietaks (Tobintaks) is; waarom geen werk wordt gemaakt van een belasting op vermogens en meerwaarden en waarom de niet-productieve belastingcadeaus niet worden afgeschaft. Verder stelt de vakbondsman vast dat in alle EU-landen de crisis wordt misbruikt om sociale rechten en collectieve voorzieningen af te breken.

De ABVV-voorzitter komt dan ook tot het besluit dat de Europese syndicalisten zich lange tijd vergist hebben als ze dachten dat de Europese constructie een laatste boei tegen sociale onrechtvaardigheid zou zijn. De vraag is dan ook waarom hij dan toch vindt dat we ‘Europa moeten koesteren’. Misschien omdat de vakbondsleidingen en zeker het EVV, waarvan De Leeuw nu voorzitter is, deel uitmaken van het Europese establishment. Tot slot betreurt Rudy De Leeuw de toenemende aanvallen tegen de vakbonden en vakbondsleden in alle Europese landen. Vooral het recht op staken wordt op de korrel genomen. Voor de Leeuw staat het echter vast: zonder stakingsrecht is er geen democratie.

Ongelijk Spel - Verontwaardiging als bouwsteen voor vooruitgang
Rudy De Leeuw
Borgerhoff & Lamberigts
206