Een vocabulaire voor een nieuw tijdperk

Facebooktwittergoogle_plusmail

Dit boek is niet zo maar een vocabulaire: het reikt in de eerste plaats een rijke gereedschapskist aan van anti-mainstreamideeën en van concepten die meer gerichtheid kunnen brengen in het denken en doen van die vele ‘kleine revoluties’ die zich aan de basis ontwikkelen. Een must-read voor de Hart boven Hard’ers van deze wereld.

Soms zegt de ondertitel meer over de strekking van een boek dan de eigenlijke titel. Dat is ook het geval met deze publicatie. Achter het koepelbegrip degrowth, in het Nederlands ‘Ontgroei’, gaat een heel ambitieus programma schuil. De auteurs ervan willen namelijk de basis aanreiken van een ‘vocabulaire voor een nieuw tijdperk’. Daarvoor hebben de drie samenstellers Giacomo D’Alisa, Federico Demaria en Giorgos Kallis een beroep gedaan op een indrukwekkend aantal internationaal georiënteerde medewerkers uit zeer uiteenlopende disciplines en denkrichtingen. ‘De bijdragen in dit boek  komen van ‘ecologische (bio- en steady-state-) economen, anti-utilitaristen, (neo)marxisten, politieke ecologen, cooperativistas, newtopians, en allerlei activisten en praktijkmensen.’ (p. 9)

Van olifant tot slak

De samenstellers van dit boek zijn medewerkers aan de Autonome Universiteit van Barcelona die via hun leesgroep Research&Degrowth een zeer internationaal gezelschap, waarbij veel Spaanstaligen betrokken zijn, hebben weten aan te spreken. Dat alleen al is ambitieus en behoorlijk uitzonderlijk. De oorspronkelijke degrowth-onderzoekswereld ontstond in het begin van de jaren zeventig van vorige eeuw – de term décroissance werd voor de eerste keer gebruikt door André Gorz in 1972 – en kreeg vooral vaste grond in Frankrijk en Italië. Door de Barcelonagroep werden banden gesmeed met de academische gemeenschap van de ecolo-gische economie – de drie samenstellers zijn trouwens ecologische economen – maar ook  Latijns-Amerikaanse netwerken van politieke ecologie en ecologische rechtvaardigheid. Voor hen ligt de nadruk bij ‘degrowth’ niet alleen op minder, maar vooral op anders. ‘Degrowth betekent een samenleving met een kleiner maatschappelijk metabolisme, maar nog belangrijker, een samenleving met een metabolisme dat een andere structuur heeft en nieuwe functies dient. Degrowthvraagt niet om minder te doen van hetzelfde. Het doel is niet een olifant slanker te maken, maar een olifant om te vormen tot slak.’(p. 25)

Een rijk vocabularium

De samenstellers formuleren degrowth zeer breed: als een kader namelijk waarin verschillende zienswijzen, denkbeelden of vormen van actievoeren samenkomen. Daarom hebben ze het denken over degrowth in de losse vorm van een vocabulaire voorgesteld. Niet minder dan 56 auteurs waaronder een Belg van origine, met name de geograaf Eric Swyngedouw, hebben meegewerkt aan deze vocabulaire die bestaat, naast een inleiding en een epiloog van de drie samenstellers, uit 51 korte essays die telkens een trefwoord voorstellen dat kan worden gelinkt aan het centrale koepelwoord degrowth. Die trefwoorden werden gegroepeerd onder vier noemers. In het eerste deel ‘zienswijzen’ worden de intellectuele wortels die degrowth voeden onderzocht. Daarvoor worden er acht denkscholen gepresenteerd die de hegemonische positie van de economie in de geesteswetenschappen en de sociale wetenschappen bekritiseert. Dit deel opent met een mooi stuk over het anti-utilitarisme dat in 1981 geïntroduceerd werd door de Franse socioloog Alain Caillé en de Zwitserse antropoloog Gérard Berthoud met MAUSS. Dit briljante letterwoord staat niet alleen voor Mouvement anti-utilitariste dans les sciences sociales maar is tevens een verwijzing naar de antropoloog Marcel Mauss die in 1924 al The gift schreef, een boek over de giftlogica – geven, ontvangen en teruggeven – een logica die in het kader van geefwinkels- en markten aan een nieuw leven is begonnen. In het tweede en langste deel, de kern van dit boek, worden in 36 bijdragen de concepten gepresenteerd die volgens de samenstellers de essentie vormen van de kritiek die de degrowth heeft op de pensée unique van de groei. Elke bijdrage vormt een andere ingang in de degrowth en samen leveren ze belangrijke onderdelen voor een theorie over degrowth. Het derde deel, de actie, bevat 16 bijdragen die toelichten hoe degrowth er in de praktijk uitziet. (baanzekerheid, back-to-the-landers, basis- en maximuminkomen, coöperaties, digitale commons, eco-gemeenschappen, nieuwe economie, geld publiek gecreëerd, gemeenschapsmunten, indignados, nutopisten, ongehoorzaamheid, post-normale wetenschap, schuldaudits, stadstuinen, vakbonden, werkverdeling). Het vierde en kortste deel heet ‘allianties’ en presenteert denkrichtingen, actoren en concepten die veel met het degrowthproject te maken hebben, maar die tot heden slechts losse banden met degrowth hebben. (buen vivir, economie van de bestendigheid, feministische economie en Ubuntu).

Het geheel vormt een rijk vocabularium van compacte, goed onderbouwde bijdragen die los staan op zichzelf, maar toch door trefwoorden in vetjes met elkaar verbonden worden. De lezer is dus zeker niet verplicht om op een klassieke lineaire manier te lezen. Hij kan er naar eigen inzicht en belangstelling in ronddwalen en zich laten leiden door de kruisverwijzingen in vetjes. Zo kan de lezer zijn eigen traject opbouwen in de wereld van de degrowth.

Dépense

De samenstellers van dit boek getuigen uitdrukkelijk van hun politiek engagement. Zij baseren zich hiervoor op het werk van Georges Bataille die het begrip dépenseomschrijft als overtollige energie die kan worden gebruikt als brandstof voor maatschappelijke doeleinden. Die overtollige energie kan op verschillende manieren worden besteed. Zo gebruikt de Tibetaanse samenleving die overschotten bijna volledig om een specifieke klasse van monniken te onderhouden. ‘Dépense’ verwijst naar ‘een echt collectieve uitgave – het uitgeven in een collectief feest, de beslissing om een klasse van spirituelen te subsidiëren, om te praten over filosofie of om een bos met rust te laten – een uitgave die in strikt economische zin onproductief is.’ (p. 332) De auteurs betogen dat zo’n collectieve ‘verspilling’ niet voor persoonlijk nut of voor het nut van het kapitaal is. Het gaat om een proces waarbij een collectief zin kan halen uit ‘het goede leven’ en dit kan definiëren. Dit concept is bijzonder subversief  en wekt niet alleen afgrijzen op bij neoliberale aanhangers van bezuinigingen, maar ook bij keynesianen, marxisten en radicalen van alle soorten voor wie ‘produceren om te produceren’ nog steeds een mantra is. In de degrowthsamenleving zal ‘dépense’ worden teruggebracht naar de publieke sfeer, maar soberheid zal het individu kenmerken. Het woordkoppel ‘persoonlijke soberheid/sociale dépense’ moet in de plaats komen van ‘sociale bezuinigingen/individuele excessen. De samenstellers eindigen daarom hun boek met de oproep Pour la Sobriété individuelle et la Dépense sociale.

Gereedschapskist

Dit boek is niet zo maar een vocabulaire: het reikt in de eerste plaats een rijke gereedschapskist aan van anti-mainstreamideeën en van concepten die meer gerichtheid kunnen brengen in het denken en doen van die vele ‘kleine revoluties’ die zich aan de basis ontwikkelen. Een must-read voor de Hart boven Hard’ers van deze wereld en ook van de knutselaars, uitvinders en creatieve doe-het-zelvers die met hun artistieke, maar soms nogal impressionistische aanpak belangrijke taken opnemen die door de marktmaatschappij worden genegeerd. Dat zijn, zo noemt Chris Carlsson ze, nutopisten (Nowtopians’). Deze praktijken omvatten activiteiten zoals stadstuinieren/landbouw, doe-het-zelf fietsenmakerscoöperaties, hackerscollectieven die zich bezighouden met het ontwikkelen van vrije softwaretools, makers van kringloopkleding, coöperaties voor biobrandstoffen en nog veel meer. Chris Carlsson schrijft: ‘Wat vele van deze activiteiten kenmerkt, is dat mensen hun tijd en technologische knowhow uit de markt nemen en zich – gratis werkend – de afvalstroom van het moderne kapitalisme opnieuw toe-eigenen door technologieën op onverwachte manieren te gebruiken.’ (p. 274) Voor Chris Carlsson is het duidelijk dat nutopische activiteiten in de praktijk paden kruisen met de degrowthbeweging. ‘Wanneer mensen hun tijd en  technologische knowhow uit de markt nemen en zelf bepalen hoe en waaraan ze hun inspanningen besteden, veroorzaken ze een kortsluiting met de logica van de markteconomie die afhangt van onophoudelijke groei. Ze verlaten de economie en dat is de slogan van degrowth’. (p. 275)

Ik bevind me met mijn appreciatie van dit boek blijkbaar in goed gezelschap, want ook de vermaarde Spaanse hoogleraar stads- en regionale planning Manuel Castells is niet zuinig in zijn lof: ‘Dit boek is een van de meest grondige en inzichtelijke voorstellingen en discussies van de economische theorie en praktijk op het vlak van de degrowth-economie.’ (p. 97) Door de zeer uiteenlopende bijdragen vanuit zeer diverse zijden krijgt de degrowthbeweging een mundiaal karakter. Niet alleen het Westen is vertegenwoordigd, maar ook denkrichtingen en bewegingen uit het Zuiden van deze planeet. Niet alleen Latijns-Amerika en het buen vivirkomen in beeld via de Uruyuaäanse ecofilosoof Eduardo Gudynas, maar ook India en de ‘economie van de bestendigheid’, gebaseerd op het ideeëngoed van Gandhi en Kumarappa, en de Ubuntu-filosofie van de Bantoe sprekende volkeren in Afrika komen aan bod. Voor mijn part had deel vier ‘Allianties’ best nog wat uitgebreid kunnen worden, maar dat is geen kritiek op het boek, maar eerder een compliment omdat de tekst aanspoort tot verdere exploratie van boeiende terreinen. Ik wens bij deze lof ook uitdrukkelijk uitgeverij Jan Van Arkel en Oikos te betrekken die de Engelse versie van dit boek ontsloten hebben voor een Nederlandstalig lezerspubliek die er als extraatje nog een aantal verwijzingen naar titels van relevante Nederlandstalige boeken uit de paradigmaserie van Van Arkel bijkregen.

Ontgroei, ‘degrowth’: een vocabulaire voor een nieuw tijdperk
Giacomo D’Alisa, Federico Demaria en Giorgos Kallis
Jan van Arkel
2016
351
9789062240005
Borgerhoutenaar Walter Lotens (°1942) noemt zich een glokale burger. Deze gepensioneerde leraar, mede-oprichter van de Actiegroep Kritisch Onderwijs (AKO), moraalwetenschapper, publicist en Latijns-Amerikawatcher schreef voor LA Chispa, een Nederlandstalig magazine over Latijns-Amerika en de Cariben, het Belgische De Reiskrant en voor de Surinaamse krant “De Ware Tijd” en nu voornamelijk voor de webzine voor internationale politiek uitpers.be, waarin hij niet alleen uitvoerig aandacht besteed aan Latijns-Amerika, maar ook aan het Antwerpse mobiliteitsdossier.