De economische geschiedenis van het neoliberale België

Facebooktwittergoogle_plusmail

Wat is er toch met België aan de hand? Toegegeven, reeds in de negentiende eeuw was België een paradijs voor kapitalisten. Maar kort voor de Tweede Wereldoorlog en zeker nadien werden die kapitalisten verplicht de arbeidsvoorwaarden voor de loontrekkenden te verbeteren en onder druk van de arbeidersbeweging in te stemmen met een sociale zekerheid, een arbeidswetgeving en andere sociale hervormingen. Daardoor verbeterden leven en werken ook voor de ‘gewone man’, althans tot midden de jaren zeventig. Vanaf dan worden alle sociale verworvenheden teruggeschroefd. Tot op de dag van vandaag is het al besparen, inleveren en afbreken van ‘verworven rechten’ wat de klok slaat. De terugkeer van het onvervalste kapitalisme, ook liberalisme of tegenwoordig  neoliberalisme genoemd, zet zich onverminderd door. Hoe dit alles is kunnen gebeuren beschrijft René De Preter vakkundig en bevattelijk in zijn economische geschiedenis van België. Economische geschiedenis, die hij vanzelfsprekend in een Europese en internationale context plaatst.

Wat bij de lectuur van dit boek het meest opvalt, is niet alleen hoe volledig het is (alle economische, financiële, sociale en politieke aspecten van de economische geschiedenis van België van de voorbij decennia komen aan bod), maar ook hoe de auteur zich strikt aan de feiten houdt. Geen commentaren of persoonlijke overwegingen over feiten of personen en als die een enkele keer toch voorkomen, worden ze op een uiterst voorzichtige wijze geformuleerd. Een ander pluspunt is de afwezigheid van vakjargon, waardoor het boek een aanrader is voor jongeren die iets over de economische en sociale ontwikkelingen in ons landje willen leren en een welkome geheugenopfrisser voor al wie de voorbije decennia getuige was van het economische gebeuren in België, Europa en de wereld.

In zijn beschouwingen over het oude en nieuwe liberalisme start de auteur, zoals te verwachten was, bij Adam Smith (1723-1790), een van de vaders van het liberalisme. René De Preter onderstreept dat Smith, in feite een moraalfilosoof, veel belang hechtte aan morele maatstaven. Hij was zeker geen verdediger van het roekeloze kapitalisme; maakte zich zorgen over de verschillen tussen rijk en arm en uitte zware kritiek op de motieven van de rijken. Maar voor Smith was vrijhandel wel de basis van de welvaartmaatschappij. Een andere naam die in dit verband niet kan ontbreken is die van John Maynard Keynes (1883-1946), ook een liberaal econoom die staatstussenkomsten in de economie, bijvoorbeeld investeringen, wel nuttig achtte. Daar ging de zogenaamde school van Chicago regelrecht tegen in. Economen als Friedrich Hayek en Milton Friedman kantten zich tegen staatsinmenging en pleitten voor een volledig vertrouwen in ‘de markt’. Deze visie die in de tweede helft van de vorige eeuw neoliberalisme werd genoemd, werd politiek doorgedrukt door de Amerikaanse president Ronald Reagan en de Britse eerste minister Margaret Thatcher. In België noemde Guy Verhofstadt zich neoliberaal en pleitte bijgevolg voor een volledig vrije markt. ‘Niet U maar de staat leeft boven zijn stand’, was een van zijn verkiezingsslogans.

Liberale christendemocraten

René De Preter deed er goed aan te onderstrepen hoezeer het verenigde Europa, nu  Europese Unie genoemd, vanaf het begin een liberaal project was. De wetten van de Europese Unie zijn de wetten van de vrije markt of van het kapitalisme. Andere internationale instellingen, zoals de Wereldhandelsorganisatie, deden en doen er alles aan om van de vrije markt met haar vrijhandel de economische prioriteit te maken. Het economische stelsel dat door de (neo)liberalen wordt voorgestaan is dat van de aanbodeconomie. Die behartigt uitsluitend het belang van de bedrijven, dat wil zeggen van de aandeelhouders. Daarom kunnen de lonen van werknemers niet laag en de vergoedingen van bedrijfsleiders (CEO’s) niet hoog genoeg zijn.

Eerste minister Wilfried Martens (CVP) leidde in de jaren tachtig twee regeringen met de liberalen en voerde een konsekwent (neo)liberaal beleid. Daartoe regeerde hij met volmachten, dus alles behalve op een democratische wijze. De liberale maatregelen werden  door een sterke staat opgelegd (het parlement stond buiten spel), hoewel de liberalen officieel tegen een sterke staat zijn.  De resultaten bleven niet uit: vanaf 1982 stegen de bedrijfswinsten spectaculair.

De auteur onderstreept dat de aandeelhouders een zo hoog mogelijk dividend eisen, terwijl de werknemers toch ook graag een deeltje van de winst en meerwaarde waar zij voor zorgen op hun rekening zien verschijnen. ‘Niet zelden mondt die strijd voor winst en meerwaarde uit op een conflict’, zo stelt De Preter vast. Hij voegt eraan toe dat dit conflict volgens de marxistische visie als een klassentegenstelling wordt beschouwd. Vraag is  of de klassentegenstelling een feit is of alleen maar een visie.

Toen Martens in 1982 besloot de Belgische frank te devalueren, werden een aantal zogenaamde flankerende maatregelen genomen: onder meer een fiscaal aantrekkelijke aandelenwet, verlaging van de vennootschapsbelasting en van de sociale bijdragen van de bedrijven, aanpassing van de werkloosheidsverzekering, flexibilisering van de arbeid, inkomensmatiging en opeenvolgende indexsprongen. Nadien kwam er de voor multinationals voordelige regeling inzake de coördinatiecentra, die na een afkeuring door de Europese Commissie vervangen werd door de zogenaamde notionele intrestaftrek voor alle bedrijven, die eveneens voor de Europese hakbijl ging.

Eigenaardig genoeg wil de voorzichtige René De Preter Wilfried Martens en zijn opvolger Jean-Luc Dehaene (CVP) die het liberale besparingsbeleid van zijn voorganger krachtdadig voortzette, geen neoliberalen noemen. Hij houdt het bij ‘pragmatische christendemocraten’. Dat is natuurlijk een tautologie, want christendemocraten zijn per definitie pragmatisch. Denken we maar aan ‘enerzijds, anderzijds’. Ook de voormalige voorzitter van de Europese Commissie, Jacques Delors, zou volgens de auteur geen neoliberaal zijn, hoewel die man toch de Europese Unie definitief op het liberale spoor zette door de invoering van de Europese eenheidsmarkt en eenheidsmunt, wat hij deed onder druk van het Europese grootkapitaal, vertegenwoordigd in de machtige lobbygroep European Round Table

Uitverkoop

De auteur neemt systematisch alle sectoren van de Belgische economie onder de loep. Bij de bespreking van de financiële bedrijven staat hij vanzelfsprekend stil bij de overname van de Generale Maarschappij van België door het Franse Suez en de overnames van Belgische banken (de BBL door het Nederlandse ING, de Generale Bank door Fortis en nadien BNP Paribas) en de fusie van het Gemeentekrediet met het Franse Crédit Local de France die samen de bank Dexia vormden, waar zich later ook de bank van de christelijke werknemersorganisatie Bacob bij aansloot. Alle openbare kredietinstellingen, zoals de ASLK, werden geprivatiseerd, wat de auteur betreurt. Een apart hoofdstuk behandelt de bankencrisis van 2008.

De energiebedrijven Electrabel en Distrigas werden eveneens eigendom van het Franse Suez. De sluiting van de steenkoolmijnen en de staalcrisis komen eveneens aan bod, evenals de ontwikkelingen in de metaal-, telecommunicatie- en vervoersector. De Preter verrast met een pleidooi voor de privatisering van de NMBS, waar hij zich afvraagt ‘hoelang het openbare karakter van het reizigersvervoer per spoor nog zal standhouden’. Zijns inziens zou ‘privatisering het verhaal van de NMBS kunnen afsluiten’. Bij de bespreking van de havensector komt de Belgische wet Major over de havenarbeid onvermijdelijk ter sprake. Spijtig genoeg gaat de auteur niet in op de rol die de Europese Commissie in dit dossier speelt. De Commissie dringt sinds jaren op een liberalisering van de havenarbeid aan en gaat daarmee door ondanks een aanvankelijke verwerping van haar voorstellen door het Europees Parlement. In de analyse van de luchtvaartsector staat, hoe kan het ook anders, de teloorgang van Sabena centraal.

In het hoofdstuk waarin de rol van de Europese Unie als promotor van het (neo)liberale economische model wordt beschreven, komt de zogenaamde ‘sixpack’ aan bod. Dat zijn  een aantal regels die de nationale regeringen en parlementen iedere zeggenschap over de nationale begroting ontnemen. De Europese Commissie heeft hierover voortaan het eerste en het laatste woord. De auteur had iets meer mogen beklemtonen dat het hier niet zozeer om een technische, maar wel om een uitgesproken politieke maatregel gaat: het uitschakelen van de democratie.

Op het einde van de vorige eeuw was vooral in Vlaanderen heel wat te doen over de privatisering en verankering van bedrijven. Die verankering betekende: Vlaamse bedrijven in Vlaamse handen en op Vlaamse bodem. De toenmalige Vlaamse minister-president Luc Van den Brande dacht in 1996 de hoofdvogel af te schieten met de oprichting van het Vlaamse Telenet. Dat werd een flinke afknapper, want al in 2000 werd Telenet aan een Amerikaans bedrijf verkocht.

Ieder voor zich

In zowat alle Europese landen verzet de werkende bevolking zich tegen de liberale afbraakpolitiek. De auteur merkt terecht op dat de sociaal-democratische partijen zich niet tegen dit anti-sociale beleid ‘wilden’ verzetten. We kunnen eraan toevoegen dat die partijen dat beleid mee gestalte gaven. En de vakbonden? Die ‘konden’ volgens de auteur geen echte vuist maken. Hij had ook hier beter geschreven dat de vakbonden geen vuist ‘wilden’ maken. De voorbije decennia zijn de Europese vakbonden immers uitgegroeid tot ‘dienstverlenende bedrijven’. Tijdens congressen en studiedagen van het overkoepelende Europees Verbond van Vakverenigingen (EVV) werd daar de voorbije jaren ronduit voor gepleit. Een van de taken van de vakbonden zou er bijvoorbeeld in bestaan hun leden met de computer te leren werken, omdat ze zo gemakkelijker een job kunnen vinden. Woorden als arbeidersrechten, verzet en actie vielen tijdens die bijeenkomsten haast niet te horen.

De slotbeschouwingen van dit verhelderend boek zouden als apart boekje kunnen worden uitgegeven, omdat ze voor een prachtige synthese zorgen. De auteur onderstreept hierin nogmaals dat de reële economie volledig los is komen te staan van de financiële economie (de beurzen volgen een logica die gericht is op individueel winstbejag en niet op een gezonde en rechtvaardige economie); dat economische groei te weinig rekening houdt met duurzaamheid, gezondheid en welzijn; dat verhoogde productiviteit niet automatisch tot meer banen leidt, omdat arbeid door machines, computers en nieuwe productiemethodes en organisatiemodellen wordt vervangen; dat de samenleving volledig geïndividualiseerd wordt (ieder voor zich) en solidariteit verdwijnt; dat burgers tot klanten worden herleid en dat veel offers worden gevraagd om de overheidsschulden weg te werken, zonder dat er wordt gezegd waar die schulden vandaan komen en waarom ze steeds stijgen (denken we maar aan de miljarden die de belastingbetalers moesten en moeten ophoesten om de banken te redden). Hallo Dexia-Panama!

De onzichtbare hand boven België - Een economische geschiedenis - De invloed van liberalisering, globalisering en europeanisering
René De Preter
Garant Uitgevers nv
2016
400
9789044133578