Aanzetten tot tegen-hegemonisch werken

Facebooktwittergoogle_plusmail

Marx is niet out maar aan een creatief herdenken toe. Dat doet ook cultuurfilosoof Robrecht Vanderbeeken. In het spoor van Gramsci kijkt hij met een kritische blik naar een stukje van de ‘bovenbouw’ van onze neoliberale maatschappij. Hij schetst niet alleen een somber beeld van de huidige vermarkting van kunst en cultuur, maar wijst ook op het belang van cultuurstrijd. Er is hoop, ook in bange dagen. Dit boek biedt denkstof om de omslag van Grote Aanvaarding naar collectieve strijdvaardigheid te maken.

Robrecht Vanderbeeken heeft het in de drie forse hoofdstukken van zijn boek over kunst en cultuur in tijden van neoliberalisme. Daarover valt heel wat te zeggen zeker dan als je zoals de auteur theorie en praktijk in een hand verenigt: als filosoof, maar ook curator, dramaturg en organisator van videosalons en nog veel meer. De auteur hanteert in zijn analyse zowel de tele- als de groothoeklens. Hij kent het wereldje van binnenuit, maar geeft ook de maatschappelijke context aan waarbinnen de kunstenaar opereert.

Ver- en ontmarkting

In deel een ‘De cultuurstrijd’, niet toevallig een begrip bij Antonio Gramsci, analyseert hij de dominante trend tot vermarkting van kunst en cultuur. Hij sluit aan bij de analyse van cultuurfilosoof Pascal Gielen, die in plaats van over neoliberalisme liever over repressief liberalisme spreekt omdat deze ideologie vrijheid en democratie tegenwerkt, waarden die ze nochtans belooft te dienen. Bij de keuze voor vermarkting bezorgt het beleid elke openbare sector meer kosten en meer inefficiëntie. Dat is een eerste fnuikende tendens.

Ten tweede is er de drainage van publieke middelen voor kunst naar niet-artistiek privaat profijt. Als voorbeeld vermeldt Vanderbeeken de Vlaams innovatiefondsen voor creatieve industrie die dan vooral bij multinationals als Jansen Pharmaceutica of Philips terechtkomen. Voor de auteur moet de sector gaan ‘ontmarkten’ en dat is voor hem meer dan gewoon wat minder marktwerking: het vereist een ideologische bevrijding en daar zijn lang niet alle kunstenaars mee bezig. Kop van Jut is voor hem Arne Quinze en zijn Tomorrow-land brug aan wie hij zelfingenomen kletspraat verwijt. Hij voelt zich beter in gezelschap van Slongs Dievanongs die zong bij de stakersposten van de Antwerpse dokwerkers of de Catalaanse dirigent Jordi Saval die een prestigieuze Spaanse staatsprijs weigerde als protest tegen de culturele kaalslag in zijn land, maar ook in dat van Wouter Deprez, Jeroen Olyslaegers en Kamagurka die geen maatschappelijk engagement uit de weg gaan.

Vanderbeeken probeert in zijn eerste hoofdstuk de relevantie van kunst en cultuur in drie stellingen samen te vatten. Voor hem moet het om een gedeelde verantwoordelijkheid gaan en heeft het geen zin om elke vorm van cultuurcreatie te verdedigen. Geen pure l’art pour l’art dus, maar de durf om te onderzoeken en te beoordelen wat ze, los van hun artistieke inzet, te weeg brengen, want – en dat is zijn derde stelling – elke kunst neemt onvermijdelijk een maatschappelijke rol op.

Over baboesjka’s en Overton

In het tweede hoofdstuk ‘De Grote Aanvaarding’ probeert de auteur eerst de brede horizon van het neoliberalisme in beeld te brengen. Zeer interessant is zijn verwijzing naar het werk van de filosoof Philip Mirowski die over het grote belang spreekt van wat hij het ‘neoliberaal gedachtecollectief’ noemt onder meer bij het minimaliseren van het bankenfiasco van 2008.

Mirowski beschrijft dit gedachtecollectief als een baboesjka: in elkaar passende Russsische poppetjes. Het is een toepassing van Gramsci’s gedachtegoed door de rechterzijde. Op de binnenste schil bevindt zich de Mont Pelerin Society, het genootschap dat Hayek en Friedman als grondleggers heeft. Dat zet de grote lijnen uit. De volgende schil omvat academische departementen zoals de University of Chicago economics – de zogenaamde Chicago boys – die een discours ontwikkelt dat autoriteit moet verlenen aan de basisleer.

Op de volgende schil vinden we gefortuneerde stichtingen ter promotie van de neoliberale doctrine, dan komen een aantal denktanks van rechtse signatuur en op de buitenste schil komen journalisten en mediagroepen voor. Deze baboesjka, zo vermeldt Mirowski, probeert haar politieke karakter te verdoezelen met een pseudowetenschappelijk discours. Dat mechanisme leidt tot De Grote Aanvaarding van het TINA-denken. In hun zeer recent boek Postcapitalism and a World without Work benadrukken Nick Srnicek en Alex Williams dat de linkerzijde nood heeft aan een andere baboesjka waarin niet een Mount Pelerin Society maar een linkse visionaire denktank de binnenste schil uitmaakt en die aangeeft dat er wel alternatieven zijn voor het neoliberalisme.

Het doet me denken aan de Overton window van de Amerikaanse jurist Joseph Overton, die in een eenvoudig schema toelicht waarom zoveel goede ideeën niet serieus worden genomen. Overton realiseerde zich dat een politicus, als hij herkozen wil worden, niet te extreem mag zijn. Zijn ideeën moeten in het midden van het raam vallen, van ‘acceptabel’ tot ‘beleid.’ Zij worden algemeen aanvaard en worden uitvergroot door de ‘bewustzijnsindustrie’ (denktanks, de media) zoals Jaap Kruithof het ooit noemde. Wie uitspraken doet die buiten dat raam vallen, wordt als ‘radicaal’ en ‘ondenkbaar’ bestempeld. Je weet wel: in de aard van ‘het extreem linkse…’.

Gramsciaans is nu om het ondenkbare denkbaar en aanvaardbaard te maken en dus binnen het raam van Overton te brengen. Zo kan stilaan een omslag in het denken voorbereid worden. Zo zijn ook Bart De Wever en de N-VA te werk gegaan en nu nemen de kranten en nieuwsmakers als vanzelfsprekend voor waar over dat ‘België uit twee democratieën bestaat’ dat ‘het geld op is’, dat ‘gratis niet bestaat’, dat ‘staken uit den boze is’ en nog veel meer van die ideologische onzin.

De Grote Uitverkoop

In deel drie ‘De Grote Uitverkoop’ toont Vanderbeeken aan hoe de beleidsdocumenten Creative Europe (2014-2020) een markteconomisch visie uitademen die gericht zijn op de inkanteling van kunst en cultuur in de creatieve industrie, de afbouw van de publieke kunst- en cultuursectoren met een heroriëntatie en doorverwijzing naar de markt en ten derde op de promotie van de kunstenaar-ondernemer.

Om de afbraak van de publieke sector aan de lidstaten te verhaasten dringt de EU een aantal sloophamers op die de trendy benaming ‘crowdfunding’ of ‘taxshelter’ krijgen, maar daarnaast is er natuurlijk ook de ‘privaat-publieke samenwerking’ en de klassieke ‘fiscale vrijstellingen’. In dat verhaal duikt het profiel op van de ‘dynamische’ cultuurmanager die subsidies opvat als een hefboom om het beoogde ‘terugverdieneffect’ te realiseren en die bovendien inzet op alternatieve financieringsvormen. In hoofdstuk 12 ‘De blauwe lente van Gatz’ illustreert de auteur hoe het Vlaamse regeerakkoord en de maatregelen van de cultuurminister volledig passen binnen de krijtlijnen van Creative Europe met als sleutelwoorden ‘vermarkten, besparen, verticaliseren en instrumentaliseren’.

En de tegenstem

Ondanks deze dominante neoliberale trend ziet Vanderbeeeken in Europa ook creatieve voorbeelden van contrapuntdenken- en handelen. Zo verwijst hij op verscheidene plaatsen in het boek met instemming naar de acties van de Franse CIP (Coördination des Intermittents et Précaires) die opkomen voor een andere samenleving, te beginnen met de opbouw van een nieuwe, sluitende en insluitende sociale zekerheid voor alle werknemers. ‘Ze passen ervoor als scheppende neoliberale entrepreneurs in de vitrine te staan. Wat zij doen is zo bevrijdend omdat hun cultuurstrijd teruggrijpt naar een systeemkritiek en aansluiting vindt bij de traditionele sociale strijd.’(p.197)

Vanderbeeken verwijst ook naar de Engelse burgerbeweging Artists Against Austerity Assembly die sinds augustus 2014 kunstenaars tegen het bezuinigingsbeleid van de Britse regering mobiliseert. Ook het beleid van minister Gatz heeft niet alleen kommer en kwel met zich mee gebracht, maar heeft, misschien paradoxaal genoeg, ook voor een nieuwe strijdvaardigheid gezorgd. Dat noemt Vanderbeeken het Gatz-effect. ‘Een sector die bekend stond om zijn eerder apolitieke teneur, maakt een ommezwaai. Na een jaar Hart boven Hard groeit in snel tempo een collectieve strijdvaardigheid, van onderuit. Dat was een jaar geleden nog ondenkbaar. Overal zie je de aanzet van een paradigmawissel.’ (p. 239)

Hart boven hard

De opkomst van Hart boven Hard kan daarin een niet onbelangrijke rol spelen. Jan Blommaert noemt Hart boven Hard terecht een ‘vakbond plus’. Ze verbindt de vakbonden met de rest van de civiele maatschappij. Het is trouwens geen klassieke belangenvereniging. ‘De beweging is niet zomaar tegen,’ schrijft socioloog Stijn Oosterlynck, ‘ maar mobiliseert rond principes en waarden voor een andere samenleving.’ (p. 35)

Dat Wouter Hillaert, mede-oprichter van Hart boven Hard, een belangrijke verbindingsfiguur is tussen Hart boven Hard en de culturele sector bewijst hij nogmaals met een uitstekend nummer van Rekto:Verso waarvan hij de samensteller is. Het themanummer ligt in het verlengde van het boek van Vanderbeeken en bestaat naast een sterke analyse van de huidige toestand van de culturele sector (die kritiek is) in Nederland en Vlaanderen – vijf boeiende dubbelgesprekken met Evelien Tonkens, Peter Mertens, Bleri Lleshi en Merijn Oudenampsen, Maththijs de Bruijne en Pascal Gielen, Karim Bennamar en Sara Vanhee, en Dominique Willaert en Jeanne van Heeswijk – ook nog uit acht voorstellen voor de cultuur van (over)morgen met Thomas Goorden, Wouter Hillaert, Josine De Roover, Robrecht Vanderbeeken, Tom Hannes en nog vele anderen.

Cultuurstrijd

Eindigen doet Vanderbeeken – hoe kan het ook anders – met een citaat van Antonio Gramsci: ‘Elke revolutie is voorafgegaan door een lang proces van intense kritische activiteit, van nieuwe culturele inzichten en de verspreiding van ideeën door groepen mensen die deze ideeën in eerste instantie afwezen.’ (p. 255). Of anders gezegd, zoals de auteur het poëtisch schrijft: de ziel gaat te voet, stap voor stap.

‘Buy buy art’ is een inspirerend boek, strak en sterk geformuleerd, van een geëngageerde cultuurfilosoof die heel zijn intellectuele achtergrond inzet – ook bij momenten zijn cursus logica – om de grote uitverkoop van kunst en cultuur niet alleen aan te klagen, maar ook om te zetten in een hoopvol perspectief. Zeker lezen met Rekto:Verso er gratis bovenop!

Buy buy art, de vermarkting van kunst en cultuur
Robrecht Vanderbeeken
EPO
2015
260
9789491207472
Borgerhoutenaar Walter Lotens (°1942) noemt zich een glokale burger. Deze gepensioneerde leraar, mede-oprichter van de Actiegroep Kritisch Onderwijs (AKO), moraalwetenschapper, publicist en Latijns-Amerikawatcher schreef voor LA Chispa, een Nederlandstalig magazine over Latijns-Amerika en de Cariben, het Belgische De Reiskrant en voor de Surinaamse krant “De Ware Tijd” en nu voornamelijk voor de webzine voor internationale politiek uitpers.be, waarin hij niet alleen uitvoerig aandacht besteed aan Latijns-Amerika, maar ook aan het Antwerpse mobiliteitsdossier.