Welke strategie voor links Europa?

Facebooktwittergoogle_plusmail

Met antwoord van Francine Mestrum

Op 17 januari publiceerde Francine Mestrum in Uitpers een artikel onder de titel “Plan B? Plan C? Hoe zit dan nu met de Europese linkerzijde?” Herman Michiel schreef een opiniestuk dat ingaat op en tegen dat artikel. U kan het stuk van Herman Michiel lezen na deze inleiding. Francine Mestrum is het totaal oneens met de kritiek van Herman Michiel in deze repliek. Ze reageert kort “op twee lasterlijke onwaarheden in het artikel van Herman Michiels”.  (nvdr)

Het jaar 2015 was niet alleen klimatologisch het warmste ooit opgetekend, maar ook de temperatuur op de ‘eurothermometer’ bereikte een hoogterecord. Er was in de eerste plaats het conflict tussen de regering Tsipras en de EU, dat in heel Europa voor debatten en mobilisaties zorgde. Linkse verkiezingsoverwinningen zoals die van Podemos in Spanje (december) of de linkse coalitie in Portugal (november) zijn Europese evenementen geworden; die van uiterst-rechts in Frankrijk trouwens ook. Met de vluchtelingencrisis toont de grootste eenheidsmarkt ter wereld zich als een humanitaire lilliputter.

Maar zelfs in een domein waar ze zich zo goed thuis voelt zoals de vrijhandel zit de EU in haar maag  met het blijvend verzet van veel van haar burgers tegen de geplande vrijhandelsverdragen zoals TTIP en CETA. Er waren voorts petities voor de kwijtschelding van de Griekse schuld, tegen TTIP, voor water als publiek goed, en vele andere. Het gonst in Europa van de initiatieven die aandringen op verandering, die nieuwe fronten willen oprichten en andere strategieën uitproberen. Zo kondigde de voormalige Griekse minister van financiën Yanis Varoufakis onlangs de oprichting aan van een nieuwe beweging: DiEM 25 [1] (Democracy in Europe Movement 2025), ook bekend als ‘Plan C’. Er is ook een ‘Plan B’ [2], dat met een conferentie (19-21 februari) in Madrid van start gaat.

Francine Mestrum neemt deze twee initiatieven te baat om de vraag te stellen naar de toekomst van links in Europa [3]. “Dat de Europese linkerzijde er in 2015 nog steeds niet in geslaagd is een sterke oppositiebeweging uit te bouwen heeft alles te maken met haar verdeeldheid”, schrijft Mestrum. En ook de reden voor deze verdeeldheid wordt aangegeven: “De eensgezindheid is groot in het verwerpen van het Europese soberheidsbeleid, gelukkig maar. De verdeeldheid zit hem in het doel dat men uiteindelijk wil bereiken. Voor een aantal bewegingen moet het beleid worden bijgesteld in een sociale en democratische richting, wat er wel kan toe leiden dat een aantal instellingen, zoals de Europese Centrale Bank (ECB), zullen moeten aangepast worden en dat de verdragen geamendeerd moeten worden. Pas dan, zo wordt gezegd, zal men kunnen afstappen van een neoliberaal beleid. Voor anderen valt er echter niets te amenderen. Het ‘DNA’ van de EU is neoliberaal, de soevereiniteit van de nationale staten wordt uitgehold, de EU is in wezen zelfs anti-democratisch en op sociaal vlak valt er dan ook niets van te verwachten “. Uit deze en andere publicaties [4] blijkt duidelijk dat Francine alleen heil ziet in de eerste optie, de amendering van bestaande instellingen van de EU.

Het is niet de eerste maal dat ik mijn meningsverschillen hierover probeer te verduidelijken [5]. Het debat erover is belangrijk genoeg om de discussie verder te zetten, zeker nu, na de pijnlijke maar leerrijke Griekse ervaring. In de opiniestukken van Francine Mestrum komen een aantal krachtlijnen ondubbelzinnig en bij herhaling naar voren. Laat ons voor de duidelijkheid de belangrijkste discussiepunten opsommen zoals ze in diverse van haar opiniestukken tot uiting komen:

1. De bestaande Europese instellingen, in de ruime zin (Commissie, Raad etc. en ook de Europese verdragen) zijn politiek neutraal, en of er een links dan wel een rechts beleid mee wordt gevoerd hangt alleen af van de krachtsverhoudingen. Of met een uitdrukking die Mestrum herhaald gebruikt: de Europese instellingen hebben geen DNA.

2. Een haast logisch gevolg van punt 1 is dat wie het ernstig meent met Europese samenwerking, de huidige instellingen als uitgangspunt moet nemen om er iets beters van te maken. In een ouder artikel [6] formuleerde Francine het zeer duidelijk: “De kortste weg naar een ander Europa is dit Europa. We moeten dringend in de instellingen actief worden, ons bemoeien met het beleid, het afwijzen waar het moet, het bijsturen waar het kan. (…) De EU heeft geen behoefte aan discussies ‘voor’ of ‘tegen’ maar aan een politieke oppositie.”

3. Op zijn beurt logisch voortvloeiend uit punt 2 is dat wie zich tegen de EU keert, bewust of onbewust weinig waarde hecht aan Europese samenwerking, en neigt naar nationalistische, soevereinistische oplossingen. Radicaal-links en extreem-rechts komen daardoor soms gevaarlijk dicht in elkaars buurt.

4. Radicaal-links vergist zich door steeds de Europese Commissie als mikpunt te nemen van haar kritieken, terwijl het eigenlijke beleid in Europa bepaald wordt door de regeringen van de lidstaten.

Ik behandel in deze volgorde de verschillende standpunten.

Instellingen zonder DNA?

Dat een goed geïnformeerde en linkse commentator van het Europees gebeuren kan beweren dat de instellingen van de EU een soort container zijn die vandaag hoofdzakelijk door neoliberale krachten wordt gevuld die logischerwijze een rechts beleid voeren, maar dat die container evengoed door links  opgevuld kan worden waardoor het Europees beleid linkser en socialer zou worden, dat kan ik moeilijk begrijpen; Mestrum van haar kant vindt het zo vanzelfsprekend dat ze er zelfs geen argumenten voor aanhaalt. In het geval van de EU is het nochtans zonneklaar en hoeven  er geen marxistische argumenten over de aard van de burgerlijke Staat aangevoerd te worden. De teksten volstaan. In een overmoedige bui probeerden de Europese elites in het begin van de jaren 2000 hun verdragen in de vorm van een ‘Europese grondwet’ te gieten. Deze werd weliswaar door referenda in Frankrijk en Nederland verworpen, maar dook vrolijk weer op als een nieuw verdrag, het verdrag van Lissabon.

Dit verdrag heeft één voordeel: het DNA van de EU hoeft men niet langer in een rits van verdragen en uitspraken van het Europees Hof van Justitie bij elkaar te zoeken, maar het staat er samengebald op een paar honderd bladzijden. Samengevat: de vrije markt, de vrije concurrentie, de vrije beweging van koopwaren, diensten, arbeidskrachten en kapitalen, dat alles vastgelegd tot in minutieuze details [7]. Voor de vrijheid van de burger zou het ‘Handvest van de grondrechten’ moeten instaan, maar dit blijkt een propagandastunt te zijn zonder enig bindende implicatie. Ook zou de EU zich zogezegd niet inlaten met de eigendomsregeling van de bedrijven die instaan voor de openbare dienst, en privatisering behoort dan volgens de formalistische lezer van het verdrag van Lissabon niet tot het DNA van de EU; maar er moet wel vrije concurrentie zijn bij de ‘diensten van algemeen economisch belang’. De gevolgen kent men: de EU is één grote privatiseringsmachine, en kan zich hierbij netjes op de verdragteksten baseren. De kwalijke gevolgen beperken zich trouwens niet tot Europa, want in haar handelsverhoudingen met landen van de Derde Wereld probeert de EU er nieuwe wingewesten te openen voor Europese bedrijven.

Stel dat er een sterke linkse meerderheid komt in de Europese instellingen, of zoals Mestrum het eens uitdrukte: dat Susan George – iconisch figuur van de andersglobalistische beweging – voorzitter wordt van de Europese Commissie. Zou dit binnen de krijtlijnen van de Europese instellingen/verdragen tot een heel ander beleid kunnen leiden? Helemaal niet, de rechtse oppositie zou nog steeds kunnen verwijzen naar de verdragsrechtelijk opgelegde vrije concurrentie, de vrijheid van het kapitaal om te gaan en te staan waar het wil, de NAVO als ‘het instrument van de  collectieve defensie’, het verbod (sic) om de belastingregels  te harmoniseren enzovoort enzoverder.

We vrezen dat een liberaal kopstuk als de voormalige Belgische premier Louis Michel van meer politiek inzicht blijk gaf dan Francine Mestrum toen hij als toenmalig (2005) Europees commissaris jubelde: “Wat zo geniaal en magisch is, is dat al wat tot hiertoe opgebouwd werd, bijna onomkeerbaar is. Dat is het vernuft van degenen die Europa bouwden. Bewust of onbewust hebben ze mechanismen gesmeed die onomkeerbaar zijn. Het is bijna onmogelijk een stap achteruit te zetten.”

Wie de huidige Europese instellingen wil gebruiken voor progressieve doeleinden door ze te ‘amenderen’ staat inderdaad voor een onmogelijke taak. Een verdragswijziging vereist unanimiteit onder de lidstaten, en alhoewel wiskundig niet onmogelijk, is dit het praktisch wel. Het is juist dat kleine lidstaten zich meestal plooien naar de grotere, dat een trendwijziging in bijvoorbeeld Duitsland of Frankrijk andere lidstaten zou meeslepen, maar dit scenario behelst in feite reeds een ware Europese politieke omwenteling, een echte ommekeer in de krachtsverhoudingen. Men zal dan wel wat beter te doen hebben dan de Europese verdragen te amenderen vermoed ik!

Of een dergelijke ommekeer voor de deur staat of  nog lang op zich laat wachten, of door een uiteenvallen van de EU word ingehaald weten we natuurlijk niet. De gebeurtenissen in het voorbije jaar (SYRIZA, Podemos, Portugal,…) tonen echter wel aan dat een ommekeer er soms vlugger komt dan onze bespiegelingen daarover.

All solutions in the institutions?

Binnen of buiten de instellingen? Vooreerst wil ik herhalen dat de meeste linkse organisaties deze keuze niet zo zwart-wit zien als Francine Mestrum. Ook degenen die niet geloven in de hervormbaarheid van de Europese instellingen kunnen best deelnemen aan Europese verkiezingen en eventueel verkozenen sturen naar het Europees Parlement. Deelname aan een Europese ‘petitie’ (Europees burgerinitiatief) of beroep doen op het recht op openbaarheid hoeft helemaal niet te betekenen dat men de Europese instellingen als hervormbaar beschouwt; het kan gewoon een manier zijn om aan massa-actie te doen en om invloed uit te oefenen.

De eigenlijke strategische keuze is fundamenteler. Wie zoals Mestrum de huidige EU als legitiem beschouwt en het ‘andere Europa’ nastreeft via electorale verschuivingen en nieuwe meerderheden, bereikt mijns inziens precies wat de Europese elites willen: de frustraties, de aspiraties, de woede van miljoenen burgers kanaliseren via de meanders van de Europese instellingen, waar ze perfect beheersbaar zijn en onschadelijk kunnen gemaakt worden.

Een duidelijke illustratie daarvan is het Europees Vakverbond (EVV, ook gekend als ETUC). De vertegenwoordiging van 60 miljoen Europese vakbondsleden heeft op een haast kruiperige manier steeds het institutioneel spel gespeeld, gelobbyd bij politieke partijen, zich verheugd over een sociale clausule die toch geen enkele implicatie heeft, de leden proberen overtuigen van de weldaden van Maastricht, van de euro, van Lissabon. En ondertussen kregen de regeringen in de lidstaten, van rechts tot centrum-links, de volle steun in de rug van de Europese instellingen om de resterende vakbondsmacht uit te hollen, in naam van het concurrentievermogen, de begroting in evenwicht en het hoger belang van de euro. “Enkel ‘nee’ zeggen is bijzonder steriel en heeft de afgelopen vijftig jaar niets, maar dan ook niets opgebracht”, schrijft Mestrum Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.. Niet akkoord: het is juist het ‘ja’ zeggen dat ons de das om deed!

Een andere illustratie a contrario: het verzet tegen TTIP. Dit verloopt grotendeels buiten de instellingen (en ja, er is de welkome parlementaire steun van Groenen en Verenigd Links, maar het is niet daarvan dat de onderhandelaars wakker liggen). Of TTIP nu goedgekeurd wordt of niet, het verzet ertegen is een enorm succes, want het heeft heel veel mensen in Europa ervan bewust gemaakt wat de EU nu eigenlijk nastreeft. Bovendien blijkt de Commissie flink in verlegenheid gebracht door het aanhoudend straatprotest.

Dit is trouwens een dimensie die ver te zoeken is in het strategisch denken van Francine Mestrum: agitatie, bewustmaking van de burgers, straatacties… Logisch in feite, als men al zijn eieren legt in de korf van de EU-instituties. Zo vond ze het  verzet tegen het Begrotingsverdrag ‘verspilde’ energie , want het was reeds door voldoende lidstaten geratificeerd om nog tegengehouden te kunnen worden. Volgens mij houdt dat een misvatting in van het soort successen die momenteel behaald kunnen worden.

Aansluitend bij de kwestie ‘binnen of buiten de instellingen’ is het de vraag of bewegingen en organisaties die ijveren voor een ander Europa hierover expliciet een standpunt moeten innemen en naar buiten brengen. Mestrum dringt daar sterk op aan en zou het “een geweldige stap vooruit vinden als er twee bewegingen waren die de Europese progressieven een duidelijke keuze aanbieden, één voor verandering, democratisering en herpolitisering vanuit de bestaande instellingen, en één voor een radicale verandering met andere instellingen en verdragen.

Het klopt dat weinig bewegingen zich publiek uitspreken over deze strategische keuze, en ik denk trouwens dat weinige er een duidelijk standpunt over hebben. Het klopt ook dat hierover binnen de linkse fractie in het Europees Parlement (Verenigd Links, GUE/NGL) geen eensgezindheid bestaat, en dat de meningsverschillen zelfs binnen de partijen ervan aanwezig zijn. Ik ben het met Francine ook eens dat men van een politieke partij meer duidelijkheid mag vragen in een dergelijke kernkwestie; ook de erkenning van de meningsverschillen daarover, met de daaraan gekoppelde politieke overwegingen, zouden verkieslijk zijn boven een flou politique. In feite zijn Francine en ik hier een ‘plaatsvervangend’ debat bezig dat in de eerste plaats binnen en tussen de linkse partijen zou gevoerd moeten worden.

Ik denk echter niet dat massabewegingen als vakbonden, of initiatieven die tot een breed front willen komen tegen het EU beleid, zoals Alter Summit, zich hierin duidelijk kunnen of moeten positioneren. Mestrum verlangt dit toch  van bijvoorbeeld Alter Summit [8], dat probeert Europese vakbonden, NGO’s en burgerbewegingen samen te brengen voor een gecoördineerde strijd tegen het soberheidsbeleid. Het kan de oprichting van een dergelijk broodnodig front alleen nog moeilijker maken door van alle deelnemende organisaties te eisen dat ze ook nog dezelfde politiek-strategische analyse maken. Van Alter Summit spreken als ‘mossel noch vis’ lijkt me niet terecht, en eerder te getuigen van een onbekendheid met de vakbondswereld.

Het zou trouwens nuttig zijn indien Mestrum zelf duidelijker zou uitleggen wat ze bedoelt met ‘werken in de bestaande instellingen’. Hoe de dikhuidige ‘Grote Coalitie’ tussen christendemocraten en sociaaldemocraten doorbreken, die met onderlinge akkoordjes zowat de hele werking van het Europees Parlement monopoliseren? Hoe tot unanimiteit komen in de Europese Raad om de verdragen te wijzigen? Hoe de euro-miskleun afwikkelen? Het is niet noodzakelijk minder utopisch om via deze weg tot een ander Europa te komen dan te ijveren voor de opbouw van iets nieuws waar Europeanen werkelijk zouden kunnen door begeesterd worden.

Tussen haakjes, Mestrum meent ook bij de Belgische PVDA een dubbelzinnige houding tegenover de EU te ontwaren. “Men stond vierkant achter de uitgesproken pro-Europese Syriza-regering, maar de bijgewerkte tekst van Peter Mertens uit ‘Hoe durven ze?’ stelt dat we geen ‘nieuw verflaagje’ nodig hebben. ‘We hebben een andere basis nodig, andere fundamenten … dat veronderstelt een heel ander Europa’.”  Tja, wat is het dan?, besluit Francine. Het uitgangspunt is echter een misvatting. Als deelnemer aan de Belgische solidariteitbeweging Samen met de Grieken / Avec les Grecs kan ik bevestigen dat op uitdrukkelijk verzoek van zowat alle deelnemende politieke organisaties, de PVDA incluis, het initiatief gericht was op steun aan de strijd van de Grieken, niet aan de Griekse regering.

Een andere misvatting, een tekstverwerkingsprobleem denk ik en hoop ik vooral, is dat deze passage over de PVDA onmiddellijk en zonder enige overgang gevolgd wordt door de bewering: “Dat veel linkse mensen op facebook dwepen met standpunten van Nigel Farage van UKIP doet de wenkbrauwen fronsen.” Als er een samenhang bedoeld is tussen de twee delen van deze paragraaf zouden mijn wenkbrauwen meer dan fronsen …

Radicaal linkse rechtsen?

Mestrum stelt enerzijds dat de twee varianten van het links verzet tegen het EU-beleid: zij die de EU zelf hervormbaar achten en zij die dat niet doen, eerbaar zijn. Maar anderzijds krijg je uit allerlei toespelingen en interpretaties de indruk dat wie anti-EU is, geen nood ziet aan Europese samenwerking, dicht in de buurt komt van nationalistisch-rechts, of alle gebreken vertoont van extreem-linkse sektes. Naast de, hopelijk niet bedoelde, juxtapositie van de PVDA en UKIP, roepen een aantal andere uitspraken vragen op. Mestrum gebruikt bijvoorbeeld op dezelfde onkritische wijze de categorie ‘eurosceptici’ als dat door de Europese leiders en de doorsnee-media gebeurt. Zo bijvoorbeeld in verband met het Britse links-socialistische blad Red Pepper, dat met UKIP of het Front National absoluut niets te maken heeft. Mestrum meent ook dat “het niet zelden gebeurt dat uitgesproken anti-EU-mensen uiteindelijk gaan beseffen dat ze wel degelijk een Europees beleid nodig hebben. ‘Ander Europa’ is er een voorbeeld van.” Men mag er de website www.andereuropa.org op na slaan of de publicaties van onze Nederlandse collega’s toen die in 2005 campagne voerden tegen de Europese grondwet, men zal er het bewijs van het tegengestelde aantreffen.

Deze vergissing is onvermijdelijk voor al wie ‘Europese samenwerking’ identificeert met ‘Europese Unie’. “Een deel [van radicaal-links] is pro-Europees en is dus [cursief van mij] bereid om te werken aan een alternatief binnen de bestaande verdragen en instellingen”, schrijft Mestrum. Ze kan blijkbaar niet begrijpen dat de EU slechts één van de mogelijke politieke structuren voor Europese samenwerking is, en helaas geen al te beste. Het is hetzelfde reductionisme als van degenen die het socialisme identificeren met wijlen de Sovjet-Unie of de Volksrepubliek China.

Nog enkele voorbeelden. Men hoeft niet wild enthousiast te zijn van het in de inleiding vermelde DiEM 25 van Varoufakis. Maar Mestrum doet dit initiatief af met “dat hij nu zo sterk hamert op het belang van nationale parlementen, doet twijfel rijzen over wat hij eigenlijk wil.”. Is dat niet nogal kras als men zich herinnert hoe de Trojka en Dijsselbloems Eurogroep met het Grieks Parlement zijn omgesprongen? Varoufakis’ oproep om een ‘pan-Europese beweging’ te vormen roept bij Mestrum dan weer het beeld op van ‘de Franse gaullisten die zich tegen de EU keerden’, maar veel verder dan het woordje ‘pan-Europees’ zou ik de vergelijking niet trekken.

“De linkerzijde heeft het nooit goed weten te vinden met de EU, van bij haar ontstaan eind van de jaren ’50”, schrijft Mestrum terecht. Maar daaraan koppelen dat “het verklaart waarom er zo hard campagne werd gevoerd tegen het ontwerp van grondwettelijk verdrag in 2005” werpt een merkwaardig licht op haar eigen positie in die tijd. Als ‘coördinator van de wetenschappelijke raad’ van Attac-Vlaanderen wou ze de grondwetdiscussie beperken tot die over de instellingen, en het beleid buiten beschouwing laten (wat in het geval van de Europese grondwet in feite onmogelijk is). Toen een aantal leden van Attac-Vlaanderen, waaronder ikzelf, onder de auspiciën van gewezen EVV- voorzitter G.Debunne, sp.a parlementslid J. Sleeckx en gewezen sp.a-Europarlementslid L. Van Outrive een petitieactie startten om ook in Vlaanderen een referendum te houden over die grondwet, werd dit met nogal dubieuze methodes tegengehouden. Later verklaarde Mestrum dat ze aan deze campagne niet deelnam “omdat deze te laat kwam”. Mocht er dan geen harde campagne gevoerd worden tegen deze neoliberale pseudo-grondwet?

Er zou ook nog heel wat gezegd moeten worden over democratie, soevereiniteit, overdracht van bevoegdheden enzovoort. Ik kan het in ieder geval moeilijk eens zijn met Francine als ze schrijft: “De grootste fout die kan worden gemaakt is het opgeven van de Europese integratie. Dat kan enkel leiden tot nationalisme, en in zo’n debat zal de rechterzijde het halen.” Het soort integratie waar de EU op steunt zorgt net voor steeds grotere spanningen tussen de lidstaten en wakkert het nationalisme aan; nooit was dat duidelijker dan in 2015.

Wie heeft het voor het zeggen in de EU?

Het laatste meningsverschil waarover ik het hier wil hebben betreft de karakterisatie van de Europese Unie, de verhouding tussen het ‘Europees’ belang en de nationale belangen, de vraag wie nu eigenlijk het beleid bepaalt en hoe het beslissingsproces eigenlijk verloopt. Ik ben geen politoloog, heb geen precieze ideeën over de verschillende modellen (multilevel government, proto-federatie, entiteit sui generis …) die vanuit academische zijde  voorgesteld werden. Ik denk echter wel dat Mestrum’s voorstelling van een Europese Commissie en Parlement die de Europese belangen verdedigen tegenover de nationale Staten en regeringen die het nationaal eigenbelang verdedigen  te simplistisch is.

Wat zijn Europese belangen? Die van het handelsblok dat zijn multinationals verdedigt op de mondiale concurrentiescène? Of die van de grote meerderheid van Europese werkenden en werklozen? Wat zijn nationale belangen? Die van de Spaanse werkloze die net zoals de Bulgaarse probeert te overleven? We kunnen zo verder gaan, het ‘Europees-belang’ wordt vooral ingeroepen door nationale (of noem het Europese) politici als het hen goed uitkomt. En in de meeste gevallen  gaat het over bedrijfsbelangen. Mestrum vindt dat de Europese Commissie door de linkerzijde veel te veel op de korrel wordt genomen. Want ofwel doet die Commissie alleen wat haar als opdracht gegeven werd door de nationale regeringen, of een andere keer vertegenwoordigt ze een authentiek ‘Europees’ belang. Het gaat volgens Mestrum fout in Europa omdat de echte ‘communautaire’ organen, de Commissie en het Parlement gedwarsboomd worden door de nationale belangen vertegenwoordigd door de Ministerraad en de Europese Raad.

Ook hierover zou uitgebreid en genuanceerd gediscussieerd moeten worden. Het is juist dat het Parlement bijvoorbeeld helemaal niet aan bod kwam bij het uitsturen van de Trojka; dat was een aangelegenheid van de regeringen van de eurozone. Maar is de Commissie dan zo onafhankelijk van die regeringen? Het is toch algemeen bekend dat niemand Europees commissaris wordt buiten de gunst van zijn/haar regering. Anderzijds klopt het ook niet dat in de EU niets gebeurt zonder dat het  door de lidstaten wordt goedgekeurd. Dat is duidelijk voor de derderangs-lidstaten, maar ook leiders van grote landen zoals Frankrijk, Italië of Spanje hebben er niet voor gekozen om door de Commissie bekritiseerd te worden op hun overheidstekort. Zelfs tussen de Europese Centrale Bank en de Duitse regering bestaan er meningsverschillen over het monetair beleid. De Europese Unie is niet in één zwart-wit omschrijving te vatten, en zeker niet in een dichotomie van een Commissie die ‘Europese’ belangen vertegenwoordigt en regeringen die voor nationale belangen staan. Een analyse in termen van de belangen van arbeid en kapitaal zou m.i. relevanter zijn.

Zeker sinds het uitbreken van de financiële crisis en het opleggen van het ‘Europees economisch bestuur’ neemt de EU een steeds ‘originelere’ maar daarom niet hoopgevendere gestalte aan. De politieke wetenschapper Roland Erne (University College Dublin) vindt dat deze economic governance veel gemeen heeft met de corporate governance structuur van multinationale ondernemingen [9] Juridisch-institutioneel is de EU vooral opportunistisch, en pikt uit een grabbelton van mogelijkheden het instrument dat het best leidt tot het doel, en dat is helaas de volledige neoliberalisering van Europa. De grabbelton bevat authentiek communautaire instrumenten zoals verordeningen of richtlijnen (sixpack, twopack…) maar ook internationale verdragen die volledig buiten het verdragskader van de EU vallen (Begrotingsverdrag, Europees Stabiliteitsmechanisme), verder  ad hoc-structuren zonder wettelijke basis (Trojka, Eurogroep [10]), geheime dreigbrieven zoals de Europese Centrale Bank ze stuurde naar diverse regeringen, enzovoort. De EU is geen dobberend schip zonder kompas, ze weet goed waar ze heen wil en vindt daartoe steeds de middelen. Alleen jammer dat het een koers is die haar burgers niet willen varen …

Tot besluit

Ik wil besluiten met twee oproepen. Vooreerst moet dit fundamenteel strategisch debat voortgezet worden, en in veel ruimere linkse kringen dan momenteel het geval is. En ten tweede mogen meningsverschillen zoals ze hier aan bod kwamen de samenwerking niet beletten tussen alle krachten die ijveren voor een democratisch, sociaal, ecologisch en vredevol Europa. (Voor de voetnoten: zie onder het antwoord van Francine Mestrum)

Ergerlijke laster

door Francine Mestrum

Het is moeilijk discussiëren met iemand die je woorden stelselmatig vertekent en ‘hineininterpretiert’. Daarom slechts een korte reactie op twee lasterlijke onwaarheden in het artikel van Herman Michiels.

1) Als ik blijf herhalen dat politieke instellingen geen ‘DNA’ hebben en dat dat geenszins betekent dat ze ‘neutraal’ zijn, blijft HM herhalen dat ik wel vind dat ze neutraal zijn. Hij hoeft het niet met me eens te zijn, maar moet dan wel argumenten aanhalen. Politieke instellingen zijn altijd de afspiegeling van krachtsverhoudingen binnen de maatschappij en zullen met die krachtsverhoudingen – en nieuwe meerderheden – veranderen. Dus ook de EU. Een studie over hoe de EU de afgelopen vijftig jaar veranderd is, spreekt boekdelen. Een ‘DNA’ is erfelijk en onveranderlijk. Een minimum aan inzicht in politieke dynamiek kan helpen om dit te begrijpen. Of durft er iemand beweren dat de instelling ‘België’ met zijn uitgesproken liberale grondwet van 1830 niet veranderd is? Of dat landen als Bolivië en Venezuela een ‘DNA’ hebben en niet kunnen veranderen? Met nieuwe meerderheden hebben deze landen hun instellingen én hun grondwet gewijzigd en zijn nu heel anders dan vroeger. Dat is in de EU ook perfect mogelijk, mocht de radicaal linkerzijde tenminste inspanningen doen om aan meerderheden te bouwen. Helaas blijft men hopeloos verdeeld en zet men zich stelselmatig af tegen ‘instellingen’ in plaats van tegen de ideologie die vandaag de plak zwaait. Kortom, men vergist zich van vijand. Voortdurend.

2) Nog erger en onaanvaardbaar zijn de lasterlijke aantijgingen ivm de acties in 2005 tegen het grondwettelijk verdrag. HM wéét dat ik twee jaar voor het Franse referendum, op het ogenblik dat de Europese conventie begon samen te komen twee zomers van Gentse Feesten lang geleurd heb met een verzoek tot referendum over dat verdrag. Er was geen sikkepit belangstelling voor. Die is er pas gekomen na het Franse referendum, behoorlijk laat, nadat het verdrag door de lidstaten was ondertekend. Bovendien heb ik samen met Attac France campagne gevoerd tegen dat verdrag in Frankrijk. Ik ben HM daar niet tegen gekomen. Dat verdrag moest worden tegen gehouden, het was géén campagne tegen de Europese integratie op zich. Ik heb nooit meegedaan en zal nooit meedoen met een campagne tegen de Europese integratie, ik wil wel het neoliberale beleid aanvallen. HM weigert dit verschil te zien en doet dus bewust verder met zijn laster.

Tenslotte wil ik in 2016 voor het allereerst ook een autoriteitsargument gebruiken. Ik heb 35 jaar lang als conferentietolk voor de verschillende Europese instellingen gewerkt, op het hoogste niveau, van Raad tot Commissie en Parlement. Ik was een bevoorrecht waarnemer en heb kunnen meemaken hoe de verhoudingen tussen de instellingen veranderden. Ik durf in alle onbescheidenheid stellen dat ik de instellingen ken, beter dan de mannen aan de zijlijn. Ik heb me altijd afgezet tegen de vele leugens en onwaarheden die, tot vandaag, vaak uit onwetendheid over de EU worden verteld. Door mijn kritiek op het beleid heb ik in die periode grote beroepsrisico’s genomen, want ik had géén statuut. Maar voor primitief links was dat allemaal te moeilijk, het kon niet anders of ik moest een dubbel agent zijn, betaald, wellicht, door de Europese Commissie. Als sociaal wetenschapper kan ik dit weglachen, maar het blijft een ergerlijke vorm van moral harassment. Ik raad HM aan daarmee te stoppen.

VERWIJZINGEN bij stuk van Herman Michiel:

[1] Zie http://www.commondreams.org/news/2016/01/05/greeces-varoufakis-launch-pan-european-progressive-movement.

[2] Zie http://planbeuropa.es/?lang=en.

[3] F. Mestrum, Plan B? Plan C? Hoe zit dat nu met de Europese linkerzijde? in Uitpers, 17 januari 2016.

[4] Ik zal ook gebruik maken van twee verwante artikels: F. Mestrum, Radicaal linkse partijen in de EU: een sterkte of een zwakte?, Uitpers, augustus 2013, en F. Mestrum, De impasse van de Europese integratie en de linkerzijde, Uitpers, september 2015.

[5] Zie bv. H. Michiel, Zijn er binnenwegen naar het andere Europa?, Uitpers, februari 2009. [6] F. Mestrum, Europese Verdragen, de linkerzijde en democratie, Uitpers, januari 2009.

[7] Zie mijn brochure (2005)  De Europese grondwet is een obstakel voor een democratisch en sociaal Europa, http://www.andereuropa.org/wp-content/uploads/2011/04/brochure_Europese_grondwet.pdf.

[8] F. Mestrum, To be or not to be? Waarom radicaal-links het zo moeilijk heeft met ‘Europa’, De Wereld Morgen, 5 juni 2013. Over Alter Summit, zie http://www.altersummit.eu/?lang=nl .

[9] Roland Erne, A supranational regime that nationalizes social conflict: Explaining European trade union s’ difficulties in politicizing European economic governance, Labor History (http://researchrepository.ucd.ie/handle/10197/6533), 2015.

[10] Toen de Griekse minister van financiën Varoufakis uitleg vroeg toen hij buiten een vergadering van de Eurogroep werd gehouden, werd hem geantwoord dat die Eurogroep een informele structuur is waar dus ook informele beslissingen kunnen genomen worden!