De arbeidersbeweging in het oog van de storm

Facebooktwittergoogle_plusmail

‘Zeker nu de arbeidersbeweging steeds meer in het oog van de storm staat en menige sociale verworvenheid in de gevarenzone komt, kan het geen kwaad om dat verleden opnieuw op te rakelen en tot zijn recht te laten komen.’ Dat schrijft Jaak Brepoels in de inleiding van ‘een’ monumentale, maar toch zeer leesbare geschiedenis van de Belgische arbeidersbeweging. Een naslagwerk van formaat.

Wat zoudt gij zonder ’t werkvolk zijn? Die archaïsch vragende versregel van Napoleon Destanberg heeft intussen al 38 jaar geschiedenis geschreven, want hij is onverbrekelijk verbonden met het historisch werk van Jaak Brepoels. Ik vond het tweede deel van ‘anderhalve eeuw arbeidersstrijd in België’ onlangs in de Borgerhoutse kringwinkel. Die lijvige kroniek van de arbeidersstrijd in de jaren 1966-1980 kocht ik voor exact 0,50 euro, inclusief de prachtige coverkarikatuur van GAL. Het eerste deel ben ik kwijt gespeeld. Jammer, want dat is intussen een hebbeding geworden. Dat verscheen al in 1977 en was het collectief werk van enkele maatschappijkritische auteurs. Ook in dat jaar verscheen voor het eerst de Onderwijskrant waaraan de Aktiegroep Kritisch Onderwijs (AKO) en ook leraar en onderwijswinkelier Jaak Brepoels meewerkten. Zo leerde ik als AKO’er het latere sp.a-gemeenteraadslid en schepen van de stad Leuven kennen. In die periode werden er verscheidene pogingen gedaan om op een vulgariserende manier elementen van de sociaal-economische geschiedenis in beeld te brengen. Sommige ervan waren echter meer bekommerd om het doorgeven van hun ideologische visie en minder om de historische degelijkheid. Dat kon niet gezegd worden van ‘Wat zoudt gij zonder ’t werkvolk zijn?’, een werk dat vanaf 1981 alleen door Jaak Brepoels werd verder gezet. In 1988 verscheen bij Kritak voor het laatst nog een volledig herziene versie en sindsdien verdween het boek in de ramsj.

Historische krachtproef

En nu, 27 jaar later, doet Brepoels die historische krachtproef nog eens over en verschijnt een kanjer van 655 bladzijden waarin de geschiedenis van de Belgische arbeidersbeweging sinds de onafhankelijkheid van België tot op vandaag wordt geschetst. Jaak Brepoels schrijft in zijn inleiding dat hij zich, zeker voor het laatste deel dat hij laat beginnen in het scharnierjaar 1989, op het gevaarlijke pad begeeft van de contemporaine geschiedschrijving. Hij is immers  de chroniqueur van een tijd die hij zelf op een geëngageerde manier beleeft. Hij schrijft: ‘Historici deinzen er vaak voor terug om gebeurtenissen te analyseren die ze zelf bewust hebben meegeleefd, als tijdgenoten hebben waargenomen of waar ze zelfs geëngageerd aan deelgenomen hebben, zoals de schrijver dezes.’ (p. 12). Gelukkig is Brepoels hiervoor niet teruggedeinsd. Het boek bestaat nu uit vijf delen waarvan twee voornamelijk de 19de eeuw omspannen (‘Ontwaakt verworpenen der aarde’(1830-1876) en ‘De arbeidersmacht groeit’ (1885-1914), twee de 20ste eeuw (‘Macht en onmacht’ (1914-1940) en (‘Tussen hamer en aambeeld’) (1940-1960)) en het laatste deel dat op de wip zit tussen 20ste en 21ste eeuw (‘Welvaartsstaat en een economische crisis’ (1960-2015).

Waardevol naslagwerk

Ik heb vooral naar de laatste honderd bladzijden gekeken – dit boek is voor mij in de eerste plaats een zeer waardevol naslagwerk – waarin de auteur vertrekkende van het scharnierjaar 1989 eerst de internationale maatschappelijke context schetst om vervolgens dieper in te gaan op de Belgische situatie. Scharnierjaren zijn boeiende, maar vaak duizelingwekkende jaren, vertigo years, het orgelpunt van maatschappelijke trendbreuken die zich naar de oppervlakte wringen en ineens voor iedereen duidelijk worden. Brepoels toont ook aan dat scharnierjaren zich niet in afgeronde decennia laten wringen. Zo schrijft hij over de nieuwe sociale bewegingen in België: ‘De jaren tachtig gaven de doorbraak te zien van zogenaamde nieuwe sociale bewegingen waarvan de wortels in de contestatiebeweging van de jaren zestig lagen. Zij profileerden zich rond thema’s die ver lagen van de bekommernissen van het traditionele verenigingsleven of bestaande partijen: milieu inspraak, vrouwenemancipatie, de derde wereld en de bewapeningswedloop. De keuze van hun aandachtspunten viel op, ze bleven buiten de zuilen, en hun losse spontane organisatie en ongewone actievormen waren vernieuwend.’ (p. 504).

Recurrenties

De samenwerking met Amsab, leverancier van boeiend historisch fotomateriaal, geeft aan dit boek zeker nog een meerwaarde. Foto’s van betogingen, vaak in Brussel vormen een leidraad doorheen heel het boek. Het is ook opvallend dat er zich vaak recurrenties voordoen of, anders gezegd, dat de sociale strijd en revindicaties van vandaag zeer veel overeenkomst vertonen met die uit het verleden. Dat is zeer opvallend voor deel V ‘Welvaartstaat en een economische crisis (1960-2015) dat begint en eindigt met de foto van een betoging. Vakbondslieden dragen spandoeken met karikaturen van het ‘joeng’ Verhofstadt en de politicus met de grootste bril van België met daarop ‘Wilfried blijf uit onze zakken ga het bij de rijken pakken’ en de laatste foto’s van het boek van De Grote Parade Hart Boven Hard van 29 maart 2015  waar oude en nieuwe sociale bewegingen, oud-strijders als een Eric Corijn en nieuwkomers als een Wouter Hillaert, samen achter het spandoek ‘Er is wel een alternatief! Oui, il y a une alternative!’ lopen. Dit is een hoopvolle boodschap.   ‘Zeker nu de arbeidersbeweging steeds meer in het oog van de storm staat en menige sociale verworvenheid in de gevarenzone komt, kan het geen kwaad om dat verleden opnieuw op te rakelen en tot zijn recht te laten komen.’ Dat schrijft de auteur zelf en ik kan dat volkomen beamen. Er is een post ’68-generatie op haar eigen manier zeer creatief en geëngageerd bezig. Dat is merkbaar in de vele initiatieven van Ringlanders, Ademlozers, stRaten-generaals, Movement X’ers, Ecokotters, Occupy’ers en Common-activisten, stadstuiniers, zaden- en tijdbankiers, window farmers, couchsurfers, co-housers, hacktivisten, LETS’ers, repair-caféhouders, geefwinkeliers, transitie- en buurtgroepen, BOEH-vrouwen, coöperanten, betonne jeugd, G-1000’ers en Hart boven Hard’ers. Zij gaan ertegen aan, voor kleine en/ook zeer grote doelen. Dat bleek nog maar eens uit de afgelaste klimaatbetoging die in no time 14.000 deelnemers op de been bracht in Oostende. ‘Burgers moeten beleidsmensen de juiste richting uitsturen’ zei initiatiefneemster Nathalie Eggermont. Dat is juist, maar die burgers moeten zich ook op grote schaal organiseren om een vuist te kunnen maken. Dat is nu juist de belangrijkste les uit ‘Wat zoudt gij zonder ’t werkvolk zijn’.

Klein en groot verzet

Op een ogenblik dat het ‘klein verzet’ van onderuit in de lift zit, moet zeker de link gelegd worden met ‘het groot verzet’ van de arbeidersbeweging dat zijn historische rol heeft gespeeld en die nog steeds op een eigentijdse wijze moet verder zetten. Brepoels is erin geslaagd om met zijn soepele pen op een zeer toegankelijke manier ‘een’ geschiedenis van de Belgische arbeidersbeweging – dat lijkt me minder apodictisch dan ‘de’ – weer te geven. Het is niet alleen de bekroning op het werk van Jaak Brepoels, maar ook van de samenwerking met André Van Halewyck, die zijn uitgeversloopbaan begon en afsluit met ‘Wat zoudt gij zonder ’t werkvolk zijn?’.

Wat zoudt gij zonder ’t werkvolk zijn, de geschiedenis van de Belgische arbeidersbeweging 1830-2015
Jaak Brepoels
Van Halewyck
655
9789461314277
Borgerhoutenaar Walter Lotens (°1942) noemt zich een glokale burger. Deze gepensioneerde leraar, mede-oprichter van de Actiegroep Kritisch Onderwijs (AKO), moraalwetenschapper, publicist en Latijns-Amerikawatcher schreef voor LA Chispa, een Nederlandstalig magazine over Latijns-Amerika en de Cariben, het Belgische De Reiskrant en voor de Surinaamse krant “De Ware Tijd” en nu voornamelijk voor de webzine voor internationale politiek uitpers.be, waarin hij niet alleen uitvoerig aandacht besteed aan Latijns-Amerika, maar ook aan het Antwerpse mobiliteitsdossier.