Verkiezingen in Spanje: historisch, maar wat nu?

Podemos2
Facebooktwittergoogle_plusmail

De voorbije stembusgang in Spanje luidt zoals verwacht het einde van het klassieke tweepartijensysteem in, overzichtelijker wordt het politieke landschap er alleszins niet op. Hoewel ze op de buis hun uiterste best deden om het tegendeel duidelijk te maken, kan geen enkele van de vier grote partijen helemaal tevreden zijn met de uitslag.

 

 

 

Geen echte winnaars

De conservatieve Partido Popular (PP) blijft wel de grootste partij, maar verliest ruim 3 miljoen kiezers en strandt op 123 van de 350 zetels voor de Cortes (parlement). De grootste oppositiepartij, de sociaal-democratische PSOE, boekte haar slechtste resultaat sinds het herstel van de democratie in 1975 (91 zetels). De twee partijen van het ‘bipartidismo’ zijn samen goed voor zo’n 50% van de stemmen, tegenover ruim drie kwart in 2011.

En dan zijn er nog de twee nieuwkomers op het politieke terrein. Het linkse Podemos (foto: Pablo Iglesias, leider van Podemos) deed het met 69 zetels zeker niet slecht, al had men ook daar wellicht iets meer verwacht. En het liberale Ciudadanos leek volgens de peilingen zelfs even in de running om de grootste partij van Spanje te worden, maar strandt uiteindelijk met 40 zetels op de vierde plek.

Verkiezingscampagnes op het scherp van de snee

Als we even kijken naar de lange campagnes die de verkiezingen vooraf zijn gegaan, dan zien we hoe de regerende PP drie grote strategieën hanteerde: de aandacht afleiden van de grootschalige corruptie binnen de partij, de nieuwe partijen afdoen als te onervaren en links als te radicaal. Daarbij kon het terugvallen op de lichte verbetering van de Spaanse economie, het gevolg van keiharde besparingen maar ook van externe factoren als de olieprijzen en de opleving van het toerisme. De partij kan dus vrij goede macro-economische cijfers voorleggen sinds ze in 2011 aan de macht kwam, al is er ook een bittere keerzijde: de gecreëerde jobs zijn grotendeels van lage kwaliteit en korte duur, de belastingen zijn flink gestegen en er is stevig gesnoeid in onder meer cultuur, gezondheid en onderwijs. De charismaloze premier Rajoy was nauwelijks te bespeuren in de televisiedebatten, maar werd steevast geprofileerd als ‘wijze oude man’ die met zijn ervaring het land verder op het juiste spoor zal zetten. Die strategie bleek vrij goed te werken, ondanks de genoemde problemen van de partij heeft ze een erg trouw publiek van toch nog steeds 7 miljoen kiezers.

De grootste oppositiepartij PSOE kende dan weer een moeilijke campagne: haar leider Pedro Sánchez deed het vrij zwak in de debatten, haar standpunten op het vlak van de economische hervormingen, eenheid van Spanje e.d. leunen dicht aan bij die van de PP en Podemos wierp zich duidelijk op als enig echt alternatief aan de linkerzijde. Dankzij de meevallende resultaten in de traditionele bastions Andalusië en Extremadura bleef de schade al bij al nog beperkt, de partij noemt zich nu zelfs de ‘voortrekker van de verandering die Spanje nodig heeft’.

Podemos dan, vaak een naaste verwante van Syriza genoemd. De Partido Popular probeerde om de anti-establishmentpartij telkens weer te linken aan allerhande Griekse doemscenario’s, aan Venezuela en andere problematische regimes, de bekende strategie van de angst die vooral bij de oudere en rijkere bevolking aanslaat. De partij van de welbespraakte Pablo Iglesias matigde echter haar discours in de loop van de campagne en deed het ook uitstekend in de debatten, wat de remonte van de laatste weken voor de verkiezingen verklaart. De 69 zetels zijn ook een ruggensteun voor de lokale politici die aan Podemos gelinkt worden, zoals de burgemeesters van Madrid, Barcelona en Valencia. Zij kwamen eerder dit jaar aan de macht na de gemeenteraadverkiezingen en lijken ondanks alle hindernissen nu dus nog steeds een belangrijk deel van de bevolking achter zich te hebben.

Tot slot is er Ciudadanos, een partij die oorspronkelijk voortkomt uit een Catalaanse volksbeweging die zich verzette tegen de plannen van de nationalistische partijen om zich van Spanje af te scheiden maar nu erg populair is in grote delen van Spanje. De partij van de ook al vlot sprekende Albert Rivera kende veel moeite om zich te profileren als centrumorganisatie, voor links was ze niet veel meer dan een modern doorslagje van de Partido Popular. Die laatste wou vooral dat Ciudadanos niet te veel in haar eigen vaarwater zou komen, hetgeen slechts deels gelukt is want veel stemmen van ontevreden rechtse kiezers gingen van de PP naar Ciudadanos, zo blijkt.

Corruptie, kiessysteem en Catalonië

Welke thema’s kwamen zoal aan bod voor en ook na de verkiezingen? Uiteraard is en blijft de hoge werkloosheid in het land, met name bij jongeren, een groot probleem. De nieuwe partijen (Podemos en Ciudadanos) focussen ook sterk op het aanpakken van de corruptie, het depolitiseren van het rechtssysteem en sociale kwesties zoals de gedwongen huisuitzettingen. Vooral de avond na de verkiezingen was er veel te doen om het Spaanse kiessysteem, dat landelijke gebieden en dus de traditionele partijen (PP en PSOE) sterk bevoordeelt. Misschien wel het grootste slachtoffer van dit ongelijke systeem van zetelverdeling is de linkse partij Izquierda Unida (IU), die meer dan 900.000 stemmen haalde maar slechts 2 zetels. Een alliantie tussen IU en Podemos zou hen maar liefst 14 volksvertegenwoordigers meer opgeleverd hebben, pijnlijk voor een historische partij als IU die zich halsstarrig wil afzetten van Podemos.

Een laatste thema dat steeds weer terugkeert is de Catalaanse kwestie. Drie van de vier grote partijen (PP, PSOE en Ciudadanos) zijn resoluut tegen een afscheiding, Podemos verkiest dan weer een bindend referendum. En dan zijn er nog de catalaansgezinde kartels (zo halen ERC en Democracia y Libertad samen 19 zetels) die blijven zeggen dat de onafhankelijkheid van Catalonië een onomkeerbaar proces is dat al een hele poos geleden werd ingezet. Voor een mogelijke coalitievorming is Catalonië een bijzonder heikel punt, met name voor PSOE als ze een grote linkse coalitie wil aangaan met onder meer Podemos. Om de “stabiliteit van het land te verzekeren” pleiten sommigen zelfs voor een gran coalición tussen de PP en PSOE, al lijkt dat een brug te ver.

Moeilijke onderhandelingen

Tot zover de analyse van wat er gebeurd is, wat er te komen staat is veel onduidelijker. Spannende tijden noemt de een het, een moeilijke tot onbestuurbare situatie is het voor de ander. “Er moet nu eindelijk aan politiek gedaan worden”, was het spitante commentaar van een kenner in een van de vele televisieprogramma’s over 20D. Vroeger had de grootste partij steevast een voldoende meerderheid om alle beslissingen op eigen houtje te nemen zonder rekening te houden met de andere partijen. Nu zal er dialoog moeten komen, consensus, pacten. Eenvoudig zal dat niet zijn, want de belangen liggen vaak heel ver uit elkaar. De grens tussen pluraliteit en instabiliteit is erg fijn, pessimisten vrezen zelfs voor nieuwe verkiezingen indien binnen twee maanden geen akkoord over de regeringsvorming wordt bereikt. In de achterkamertjes gaan de gesprekken intussen ongetwijfeld verwoed voort. En stel dat er toch een akkoord komt tussen de linkse formaties dan is er nog de Senaat, ook in Zuid-Europa het volstrekt overbodige sterfhuis van uitgerangeerde politici. Daar heeft de Partido Popular nog steeds een comfortabele meerderheid en kunnen al te progressieve wetsvoorstellen dus probleemloos door hen tegengehouden worden.