Tunesië vijf jaar later: weinig lessen getrokken

tunesië vijf jaar later
Facebooktwittergoogle_plusmail

Exact 5 jaar geleden (17 december 2010) stak de straatverkoper Mohamed Bouazizi zichzelf in brand om te protesteren tegen de inbeslagname van zijn handelswaren en de onrechtvaardige behandeling die hem te beurt viel. Zijn actie vormde het startsein van de Tunesische opstand voor meer waardigheid en rechtvaardigheid die zou leiden tot de val van de autoritaire leider Ben Ali, gevolgd door protestmanifestaties in de hele Arabische regio. De zelfverbranding was de vonk aan de lont van groeiend ongenoegen over de hoge werkloosheid, stijgende voedselprijzen, corruptie, repressie en het gebrek aan politieke vrijheden. Wat minder in het blikveld komt is dat het sociaal ongenoegen het gevolg was van zware bezuinigingsprogramma’s die mee werden opgelegd door internationale financiële instellingen die gedomineerd worden door de VS en Europa.

Westerse landen spreken hun lof uit over hoe in Tunesië de ‘Jasmijnrevolutie’ is verlopen en de manier waarop in Tunesië politieke hervormingen zijn doorgevoerd. Maar erg geloofwaardig klinkt dat niet, want van zelfkritiek over het beleid van de afgelopen decennia dat mee aan de basis ligt van de oorzaken van de opstand, komt weinig in huis. De Tunesische revolutie was eigenlijk een opstand tegen de gevolgen van het jarenlange neoliberale beleid dat het Westen Tunesië oplegde. In 2010 nog sprak het IMF (Internationaal Muntfonds) zich lovend uit over de “veel omvattende structurele hervormingen” die het land de afgelopen twintig jaar doorvoerde met als doel “het zakenklimaat te verbeteren en de competitiviteit van de economie op te krikken.” IMF-berichten noemden Tunesië zelf als een “mirakel” en “meest competitieve economie van Afrika”.

Sociale gevolgen van een neoliberaal bezuinigingsbeleid

Het enige mirakel was dat Tunesië een economische groei optekende op een zwaar sociaal slagveld. Het IMF legde begin de jaren ’80 een streng bezuinigingsbeleid op via een Structurele Aanpassingsprogramma (SAP) in ruil voor een lening. Dat zorgde toen voor een enorme stijging van de voedselprijzen. Het kwam tussen 1983 en begin 1984 tot de zogenaamde ‘broodopstanden’ als een reactie op de verdubbeling van de prijs van brood. Er vielen een vijftigtal doden. Toenmalig president Habib Bourguiba nam afstand van zijn premier die hij verantwoordelijk maakte voor de prijsstijgingen, ontsloeg de ministers die de IMF maatregelen steunden en maakte de prijsstijgingen ongedaan. Hoewel het wellicht vooral een opportunistische zet voor machtsbehoud was, luidde het desondanks zijn val in. In 1987 greep Ben Ali de macht. Het was niet zozeer een staatsgreep tegen Bourguiba, maar een die de staatsgeleide economie en de nationalistische staatsstructuur moest ontmantelen. Kort na de staatsgreep werd een akkoord getekend met het IMF dat voorzag in een drastische privatiseringsprogramma. In 1995 tekende de EU een associatie-akkoord dat in ruil voor voordelige markttoegang de liberalisering van de industrie en de landbouw oplegde. Ben Ali was een marionet van dat beleid dat weinig rekening hield met de sociale gevolgen ervan.

In de jaren daarop werd Tunesië verder in een neoliberale koers geduwd. In september 2010, enkele maanden voor het uitbreken van de opstand, tekende het IMF een nieuw akkoord met Tunis voor een beperking van de overheidsuitgaven en de afbouw van de laatste subsidies om tot een begrotingsevenwicht te komen. Exact het beleid dat het sociaal ongenoegen bleef voedden en uiteindelijk tot de opstand leidde enkele maanden later.

Balans

Wat is de balans vandaag? 2014 was een sleuteljaar met een nieuwe grondwet, parlementsverkiezingen die gewonnen werden door de seculiere Nidaa Tounes partij en tot slot presidentsverkiezingen gewonnen door Essebsi. Er is dus een zekere politieke stabiliteit, hoewel die bedreigd wordt door een aantal politieke en terreuraanslagen de afgelopen jaren. Minstens even belangrijk is de economische situatie. De werkloosheid is de laatste maanden weer lichtjes gestegen en ligt met 15% hoger dan voor de revolutie. Vooral jongeren geraken moeilijk aan een job (een werkloosheid van 30%). Het aandeel van de informele economie is gestegen tot 38% van het Bruto Binnenlands Product. Daar gelden zeer slechte arbeidsomstandigheden en de stijging is symptomatisch voor de slabakkende economie. Door de terreuraanslagen dit jaar kreeg ook de toeristische sector een serieuze opdoffer. De Tunesische economie is compleet afhankelijk van de Europese Unie, goed voor vier vijfde van alle exportinkomsten. De financiële crisis in de EU van een aantal jaren geleden had daarom ook zware gevolgen voor de export naar de EU die stokte. Ook na de revolutie blijft de EU zweren bij een handelsbeleid dat focust op verdere liberalisering van handel en financiën, privatiseringen en het aantrekken van buitenlandse investeringen zonder voldoende rekening te houden met de mogelijke sociale gevolgen.

Het IMF lijkt evenmin veel lessen te hebben getrokken. In 2012 eiste het IMF in ruil voor een lening van 1,7 miljard dollar dat de regering de publieke uitgaven onder controle zou houden. Een derde van deze uitgaven bestaan uit lonen. De Tunesische vakbond UGTT heeft het afgelopen september een akkoord getekend met de regering voor een stijging van de lonen van de 800.000 werknemers in de publieke sector, zodat werknemers in hun normale levensonderhoud zouden kunnen voorzien. De regering bevindt zich tussen twee vuren. Ze wil absoluut nieuwe sociale onrust vermijden maar staat onder druk van kredietverstrekkers die vinden dat de begroting terug in evenwicht moet en de publieke uitgaven en subsidies moeten worden afgebouwd, zonder daarbij het economische model in vraag te stellen. In de steden en vooral op het platteland lijkt het gevoel te overheersen dat de revolutie weinig economische voordelen heeft opgeleverd, wel integendeel. De economische uitdagingen zijn enorm. Tot nu toe lijken de sociale partners er redelijk in te slagen om de politieke en sociale dialoog open te houden, wat ook de reden was om de Nobelprijs dit jaar toe te kennen aan het ‘Kwartet voor de Nationale Dialoog’. Maar het feit dat er weinig marge is voor onderhandelingen over de relaties met de EU en internationale instellingen over de economische koers van het land, en het opleggen van een neoliberaal model lijkt heel erg op het herhalen van de fouten uit het verleden.

Ludo De Brabander studeerde pers- en communicatie aan de Universiteit Gent. Sinds 1995 werkt hij voor Vrede vzw, een linkse vredesorganisatie met kantoor in Gent. Tegenwoordig is hij er de woordvoerder. Hij is auteur van o.m. 'Als de NAVO de passie preekt' (EPO, 2009 - samen met Georges Spriet) en 'Oorlog zonder grenzen' (EPO, 2016). Hij is van bij de start (1999) redactielid van Uitpers