Oorlog en vrede en milieu

ENMOD
Facebooktwittergoogle_plusmail

De Algemene Vergadering van de VN nam in 2001 een resolutie aan om 6 november uit te roepen tot ‘Internationale Dag voor de Preventie van de Exploitatie van het Milieu ten tijde van Oorlog en Gewapende Conflicten’. In de aanloop naar de 21ste Klimaatconferentie – COP21 – die van 30 november tot 11 december 2015 plaats zal grijpen in Paris-Le Bourget, is deze ‘internationale dag’ een goede gelegenheid om te wijzen op een grote lacune in de voorbereiding van deze top: de impact van legers op de klimaatverandering zowel in tijden van oorlog als in tijden van vrede.

 

Dit artikel wil niet aantonen waarom de stijgende militarisering van onze planeet een belangrijke oorzaak is van de achteruitgang van onze ecosystemen. Het wil ook niet opnieuw de evidentie onderstrepen dat oorlog een intrinsiek destructieve invloed op het milieu uitoefent, noch de vraag stellen waarom de ecologische voetafdruk van militaire activiteiten niet in rekening wordt gebracht.[1]. Het leek me van belang om erop te wijzen dat het milieu – collateral dammage van elke oorlog en militaire activiteit – ook een wapen op zich kan worden, en dat we ons dringend moeten buigen over de rechtsmiddelen om dit risico te voorkomen.

Oorlog, recht en milieu

Het internationaal recht beschikt hoofdzakelijk over twee instrumenten om specifiek te waken over de bescherming van het milieu bij vijandigheden.

Er is het artikel 55 van het Aanvullend Protocol bij de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 betreffende de bescherming van slachtoffers van internationale gewapende conflicten (Protocol I), van 8 juni 1977 waarin gesteld wordt dat “oorlog op zo’n manier gevoerd moet worden dat het milieu beschermd wordt tegen wijdverspreide, langdurige en ernstige schade. Deze bescherming omvat een verbod op oorlogsmethoden en -middelen die bedoeld zijn om, of waarvan kan worden verwacht dat ze dergelijke schade aan het milieu veroorzaken, en derhalve de gezondheid of overleving van de bevolking in gevaar brengen”[2].

Als antwoord op bepaalde ontwikkelingen vanuit kringen van leerling-tovenaars gaat het oorlogsrecht echter verder dan de simpele aanmaning tot bescherming. Inderdaad, reeds vanaf de jaren 1940 werd er militair onderzoek verricht naar procedés die klimaatelementen zouden kunnen verstoren. De eerste experimenten om het milieu te wijzigen kregen vorm eind de jaren 1940 met het Cirrus-project, de eerste belangrijke wetenschappelijke poging vanuit het VS leger om regen te veroorzaken via “cloud seeding”, het ‘bezaaien’ van wolken met chemische producten. Tijdens de Vietnam-oorlog won dergelijk onderzoek aan belang. In 1966 lanceert de VS het POPEYE-project, waarbij wolkenmassa’s door vliegtuigen worden bezaaid met grote hoeveelheden zilverjodide om het te doen regenen. De  bedoeling is overstromingen te veroorzaken die de vijandelijke bewegingen via de Ho Chi Minh-bevoorradingsroute vertragen. Het Pentagon was tevreden met resultaat, en zette deze operaties verder van 1967 tot 1972.

De bekendmaking van deze experimenten bracht wel wat opschudding teweeg, zowel bij de Sovjet-Unie als in de Amerikaanse Senaat. Een en ander leidde ertoe dat op de VN-Ontwapeningsconferentie besluiten werden genomen voor een verbod om het milieu als oorlogswapen te gebruiken. Aldus werd op 10 december 1976 het Verdrag aangenomen ‘inzake het verbod op het gebruik van milieuveranderingstechnieken voor militair of ander vijandig gebruik’, gekend onder de roepnaam ‘ENMOD conventie’ die voor ondertekening werd open gesteld in Genève op 18 mei 1977 en van kracht werd op 5 oktober 1978.[3].

Vandaag telt deze Conventie 77 ondertekenende partijen. Dat is niet veel, maar de militaire wereldmachten staan op de lijst: Sovjet-Unie (nu Rusland) en Verenigd Koninkrijk ratificeerden ENMOD in 1978, de VS in 1980, China recenter in 2005. Alle lidstaten van de Europese Unie hebben getekend of geratificeerd behalve Kroatië, Malta, Letland en… Frankrijk, kernwapenstaat en gastland voor COP21! Nog maar een ‘Franse uitzondering’ die niet lekker valt, en het land bij het trio kernwapenstaten plaatst dat ENMOD niet tekende, naast Israël en Noord-Korea.

Onvolmaakt en vergeten

Door ENMOD te ratificeren beloven de landen “geen milieuveranderingstechnieken die wijdverspreide, langdurige en ernstige gevolgen hebben te gebruiken voor militaire doeleinden, als middel om vernieling of schade toe te brengen aan een andere staat, ondertekenaar van deze conventie” (artikel 1)

De term “milieuveranderingstechnieken” zoals gedefinieerd in artikel 2, betreft “elke techniek die tot doel heeft door middel van een moedwillige manipulatie van de natuurlijke processen, de dynamiek of de samenstelling te veranderen van de aarde, met inbegrip van haar biotopen, de aardkorst, het water, de atmosfeer en de extra-atmosferische ruimte”.

Artikel 8 voorziet de organisatie van conferenties ter controle van het functioneren van de Conventie, met tussenpozen van tenminste vijf jaar. De eerste controleconferentie had plaats in Génève september 1984, de tweede in september 1992. Op de derde conferentie is het nog steeds wachten. Op 20 maart 2013 vroeg de Algemeen-secretaris van de VN de ENMOD-staten naar hun advies voor de bijeenroeping van de derde conferentie, die onmiddellijk zou worden samengeroepen indien tenminste tien landen positief reageerden. Slechts twee Cenraal-Aziatische staten gaven een antwoord…

De ENMOD-conventie kampt nochtans met verschillende lacunes die tijdens de eerste twee controleconferenties niet zijn opgelost geraakt, ondanks de inzet van verschillende staten, in het bijzonder Zweden, Finland en Nederland. Een eerste zwakte betreft het feit dat er ondanks het bestaan van een interpretatie-akkoord als bijlage bij de Conventie, de onderhandelaars zeer vaag zijn gebleven over de noties ‘wijdverspreid’, ‘langdurig’ en ‘ernstig’ uit artikel 1.

Het is ook bepaald zorgwekkend dat de Conventie enkel spreekt over het gebruik van milieuveranderingstechnieken en dat enkel tegen een andere ENMOD-staat. Onderzoek en ontwikkeling zijn dus niet verboden, evenmin als het gebruik van dergelijke technieken tegen staten die de Conventie niet ondertekenden. Bovendien is de term ‘milieuveranderingstechnieken’ vaag en beperkt tot een niet-exhaustive lijst opgenomen in een interpretatie-akkoord van artikel 2: “aardbevingen, tsunami’s, verstoring van het ecologisch evenwicht van een regio; veranderingen in de atmosferische omstandigheden (wolken, neerslag, verschillende types cyclonen, tornadoes); verandering in de klimatologische omstandigheden, de oceaanstromen, de staat van de ozonlaag of de ionosfeer”. Hier verwart de Conventie technieken en hun gevolgen, helemaal in tegenstrijd met de technologische evoluties van de laatste twintig jaar.

Groeiende militarisering van klimaat-engineering

Er gaapt een grote kloof tussen de hoogdringendheid van de strijd tegen de klimaatopwarming en de terughoudendheid van de regeringsmaatregelen hieromtrent. Hierdoor wordt klimaat-engineering (of geo-engineering) – d.w.z. moedwillige, grootschalige, technologische interventie op het klimaatsysteem met de bedoeling de opwarming van de planeet tegen te gaan of om de effecten ervan te verzachten – door bepaalde wetenschappers steeds meer als een mogelijk antwoord beschouwd op de uitdagingen voor onze planeet. De chemische samenstelling wijzigen van de oceanen of de planeet wikkelen in een laag partikels die de zonnestralen weerkaatst vormen twee voorbeelden van de wel dertig technieken waarmee deze leerling-tovenaars beogen de opwarming tegen te gaan et CO2 op te slaan, om onze emissies niet te moeten verminderen.[4].

In de civiele sector zijn er talrijke stemmen die zich verzetten tegen deze gevaarlijke manier van handelen, bij de militairen daarentegen vindt men minder scrupules en zijn er genoeg tekenen van een militarisering van klimaat-engineering. De eerste gepubliceerde rapporten van de jaren 1990 bevatten nog veel fictie en fantasieën.[5]. Maar de werkgroepen die recent werden opgericht door de militaire overheid – met name het DARPA-agentschap van het Pentagon in samenwerking met de Lawrence Livermore National Laboratory (ministerie van Energie), en de Rand Corporation, een denktant die nauw aan de US Air Force is gelieerd – laten er geen twijfel over bestaan dat deze technologieën voor hen echt strategische waarde hebben.

De wetenschapshistoricus James Fleming stelt dat de fantasieën in verband met controle van het weer en het klimaat steeds nauw verbonden zijn geweest met commerciële en militaire belangen[6]. Dat zal in de toekomst niet anders zijn en de militaire beroering van de laatste jaren voor klimaat-engineering zou een alarmbel moeten doen rinkelen: bij gebrek aan dringende en regelmatige herziening die de technologische vooruitgang in rekening brengt en mogelijk vijandig gebruik voorziet, dreigt de ENMOD-conventie definitief ten onder te gaan in het ‘voorgeborchte’ van het internationaal humanitair recht.

Tijdens de eerste herzieningsconferentie van 1984 gaf de Nederlandse delegatie nochtans een pertinente historische terugblik om op het gevaar te wijzen van een verouderd internationaal instrumentarium voor wapenbeheersing. In 1899 sprak de eerste internationale vredesconferentie van Den Haag [7] zich uit voor “het verbod op het gooien van projectielen of andere explosieven vanuit luchtballonnen of gelijkaardige middelen”, met andere woorden, een verbod op bombardementen. Tijdens de Tweede Conferentie in 1907 werd een zelfde verklaring aangenomen die van kracht zou blijven tot de Derde internationale Vredesconferentie. Die derde conferentie is er nooit gekomen, en de verklaring van 1907 is in de vergeethoek geraakt, waardoor een proces van herhaaldelijke herzieningen werd afgebroken dat had kunnen leiden tot niet minder dan een algemeen verbod op bombardementen.

De ENMOD-conventie verdient beter. Ze is het enige juridisch instrument dat militaire toepassingen zou kunnen verhinderen van de technologische vooruitgang op het vlak van milieu- en klimaatveranderingen die de wankele evenwichten van de planeet verder in gevaar brengen. Frankrijk moet ENMOD ratificeren, de Europese Unie moet zonder verwijl oproepen tot een nieuwe controleconferentie.

 

5 november 2015

Luc Mampaey, directeur GRIP (Groupe de Recherche et d’Inforamtion sur la Paix et la Sécurité)

 

 

[1] verplichte literatuur hieromtrent: Ben Cramer (préface d’Alain Joxe), « Guerre et paix … et écologie », éditions Yves Michel, 2014.
[2]  https://www.icrc.org/dih/INTRO/470
[3]  https://www.icrc.org/dih/INTRO/460
[4] lees ook: Clive Hamilton, « Les apprentis sorciers du climat : raisons et déraisons de la géo-ingénierie », Éditions du Seuil, 2013.
[5] twee US Air Force rapporten van de jaren 1990 : “Weather as a Force Multiplier : Owning the Weather in 2025” van augustus 1996 (http://csat.au.af.mil/2025/volume3/vol3ch15.pdf), alsook «SPACECAST 2020» van mei 1993. Hierin is er een deel gewijd aan een systeem dat wordt beschreven als “A counterforce weather control system for military applications. The system consists of a global, on-demand weather observation system; a weather modeling capability; a space-based, directed energy weather modifier; and a command center with the necessary communication capabilities to observe, detect, and act on weather modification requirements” (http://csat.au.af.mil/2020/monographs/ops-anal.pdf).
[6] James R. Fleming, “The climate engineers”, Wilson Quarterly, printemps 2007, geciteerd door Clive Hamilton, op. cit.
[7] Een initiatief van tsaar Nicoloaas II van Rusland met steun van de Heilige Stoel om “een einde te maken aan de voortdurende bewapening en om de middelen te zoeken om calamiteiten te verhinderen die de hele wereld bedreigen”