Zal Afrika China voeden?

Facebooktwittergoogle_plusmail

De Chinezen hebben grote stukken land in Afrika verworven. Daar zit een plan van de overheid achter, en het wordt gesteund door Chinese staatsbanken en ontwikkelingsfondsen. De belangrijkste bedoeling is voedsel te produceren voor China, zelfs ten koste van de Afrikaanse bevolking die hongert. Bovendien wil China grote aantallen overtollige boeren naar Afrika laten migreren.

Hoe waar of onwaar zijn deze veel gehoorde beweringen? Voor de eerste maal is dat te velde onderzocht. De Amerikaanse professor Brautigam en haar team doorkruisten enkele jaren Afrika en China op zoek naar de Chinese landbouwprojecten in Afrika. Ze deed haar onderzoek in het kader van het IFPRI (International Food Policy Research Institute). Het boek is een must voor iedereen die zich interesseert in de landroof in Afrika.

Wat ze ontdekte is ronduit onthutsend. Geen van de vier vooropgestelde beweringen bevat een grond van waarheid. China is niet betrokken in grote landdeals in Afrika. Er bestaat geen plan van de overheid daarvoor. China koopt geen voedsel in Afrika maar voert zelf uit naar Afrika. En er is geen massale instroom van Chinese migranten. Toch wordt dat voor waarheid verkondigd in kwaliteitsmedia en door gezaghebbende experts van internationale organisaties, inclusief door topmensen van de Wereldbank. Zelfs de databank van het IFPRI waarvoor Brautigam onderzoek doet, bevatte verkeerde informatie over de Chinese investeringen. Wat is er aan de hand?

Brautigam trekt de boer op en analyseert alle belangrijke projecten: Wat gebeurt er echt? Wat werd/wordt erover verteld? En hoe kwam het vertekende beeld tot stand?

China is een kleinere speler in de Afrikaanse landbouw

Brautigam vervolgt met vijf stellingen:

1. Chinese bedrijven hebben geen grote investeringen gedaan in de Afrikaanse landbouw. Van de 20 grootste projecten in de Land Matrix, de databank van de Wereldbank werd meer dan de helft, waaronder de vijf grootste, niet gerealiseerd. Wanneer de omstandigheden voor investeringen in Afrika verbeteren, is er wel Chinese belangstelling om meer te investeren.

2. Bij vele projecten is de Chinese staat betrokken. Dat is het gevolg van de ‘go out’ politiek die Chinese investeringen in het buitenland ondersteunt. Maar er is geen spoor van een gecoördineerde voedselstrategie via investeringen in Afrika. De financiering van een aantal projecten is zelfs geweigerd door de staatsbanken wegens te risicovol.

3. Geen enkel Chinees landbouwproject in Afrika voert voedsel uit naar China. De projecten richten zich op landbouwproducten voor de lokale markt of op industriële gewassen voor de wereldmarkt.

4. Er zijn geen aanwijzingen van een plan om grote aantallen Chinezen in Afrika te hervestigen. Het aantal (dure) Chinese personeelsleden in de bedrijven is beperkt en kleine Chinese zelfstandigen komen naar Afrika omdat ze denken er geld te kunnen verdienen, niet omdat de overheid hen stimuleert.

5. De Afrikanen spelen een actieve rol in de Chinese landbouwprojecten. De projecten zijn meestal in joint venture met een lokale overheidsinstelling of privépartner. Vaak gebeurt de investering op vraag van de lokale overheid, soms via aanbestedingen waarin alleen de Chinezen interesse hebben. De projecten ondervinden vaak problemen door protesten over landrechten die de lokale regering over het hoofd heeft gezien, omdat de lokale regering niet de beloofde infrastructuur levert of omwille van politieke commotie.

Als overtuigende illustratie van haar stellingen beschrijft Brautigam een project dat in Mozambique in de Zambezivallei op grote schaal rijst zou willen telen en naar China uitvoeren. In een artikel van The Economist van 2008 is er onder de titel “De eerste Chinese kolonie” sprake van vier miljoen Chinese kolonialisten. Later duikt een minder sensationele versie op met slechts 20.000 Chinese immigranten. Bij nader onderzoek blijkt het project totale fictie. De regering van Mozambique had hard gezocht naar buitenlandse investeerders om rijst te kweken in de Zambezivallei voor de lokale markt als vervanging van de invoer. Ze hadden daarbij ook de Chinezen gepolst. Het cijfer van mogelijk vier miljoen Chinezen blijkt afkomstig van een al te voortvarende lokale Afrikaanse politicus. De bewering dat de rijst naar China zou gaan kwam op rekening van The Economist. De echte Chinezen waren weinig geïnteresseerd wegens de zwakke infrastructuur die op korte termijn niet zal verbeteren. Er werd wel een concessie gegeven van 1 miljoen hectare aan Europese en Zuid-Afrikaanse investeerders. In heel Mozambique zijn slechts twee kleine Chinese projecten waarvan één een demonstratieboerderij die lang geleden als ontwikkelingsproject gebouwd werd en een ander dat voor de lokale markt werkt met lokale boeren als onderaannemers.

Overigens is het ontstaan van mythes rond Chinese landbouwprojecten niet alleen het werk van bluffende Afrikaanse politici. De Chinezen dragen ook hun deel van die verantwoordelijkheid. Zo vonden er in 2004 en 2008 in Beijing conferenties plaats over het stimuleren van investeringen in het buitenland, wat de Chinezen vatten in de slogan ‘going out’. Telkens waren er deelnemers die fantastische verhalen vertelden over de mogelijkheden om in het buitenland grond te kopen en voedsel voor China te produceren. Met de hoge voedselprijzen op de wereldmarkt in 2008 werden dergelijke uitspraken meteen door de buitenlandse pers opgepikt en meteen als regeringsstrategie voorgesteld. Een aantal onbestaande projecten kan ook toegeschreven worden aan mediabluf door ambitieuze Chinese ondernemers (Vlaanderen herinnert zich nog wel het spook van het Chinese bedrijvencentrum in Willebroek).

Samenwerking in landbouw sinds jaren 60

Brautigam gaat vervolgens uitvoerig in op de landbouwsituatie in Afrika en in China. Onze obsessie met een beeld van China dat overal in de wereld voedsel wegkaapt gaat terug tot de beweringen van de bekende landbouwdeskundige Lester Brown die in 1995 voorspelde dat China niet in staat zou zijn zelf aan zijn toenemende voedselbehoeften te voldoen. Zijn voorspelling bleek vals: het rendement van de Chinese landbouw nam en neemt voldoende snel toe om de hele bevolking te voeden. De Chinese voedselinvoer is marginaal, het land voorziet voor 95% in zijn eigen voedselbehoeften. Sinds de hervormingen na 1978 heeft China partnerschappen opgericht van de staat met buitenlandse investeerders om de landbouw te moderniseren. De Chinezen proberen dat nu zelf ook met Afrikaanse overheden, maar misrekenen zich vaak wanneer ze denken dat die even goed werken als de Chinese overheid.

Afrika kende/kent grote buitenlandse plantages van industriële gewassen, invoer van voedsel voor de steden en overlevingslandbouw op marginale gronden. In de Afrikaanse landbouw is het rendement nu lager dan in de tijd van het kolonialisme. Hoewel Afrika mogelijkheden heeft om een belangrijk voedseloverschot te produceren, moet het vandaag grote hoeveelheden invoeren om zijn steden te kunnen voeden. Experts zijn het oneens over de te volgen strategie: overschakelen op grote commerciële landbouwbedrijven of eerder de modernisering van het familiebedrijf aanmoedigen.

Er is een lange traditie van Chinees-Afrikaanse landbouwsamenwerking. Van de jaren 60 tot begin jaren 80 ging het om projecten van ontwikkelingshulp bij het opzetten van staatsboerderijen, en om demonstratieprojecten. Na 1978 is het principe van wederzijds voordeel ingevoerd. Veel Afrikaanse staatsboerderijen werden intussen geprivatiseerd en soms duiken de Chinezen weer op in oude projecten, maar nu op commerciële basis. Bijvoorbeeld in Mali in een suiker-, thee- en katoenplantage. Wegens de moeilijke omstandigheden lukt hen echter zelden deze zieke bedrijven terug op de rails te krijgen. Bij de nieuwe Chinese investeringen gaat het eerder om de teelt van industriële gewassen die op de wereldmarkt afgezet kunnen worden; daarnaast wordt voedsel gekweekt voor de lokale markt wanneer de prijzen gunstig liggen.

Vooroordelen vertekenen het beeld

Brautigam illustreert dit alles met een gedetailleerde analyse van de belangrijkste Chinese landbouwprojecten in Afrika. Ze vertrekt daarbij van de gezaghebbende Land Matrix database van de Wereldbank. Meer dan de helft van de twintig grootste vermelde projecten, inclusief de vijf grootste zijn onbestaande. De meeste anderen zijn ouder en veel kleiner dan geclaimd. Volgens de databases zouden de 20 grootste Chinese landbouwprojecten in Afrika de hand gelegd hebben op meer dan 5,5 miljoen hectare (meer dan anderhalf keer België); uit het onderzoek van Brautigam blijken de reële projecten in totaal over nauwelijks 2% van die oppervlakte te gaan.

Brautigam stelt ook de vraag vanwaar dan al die verkeerde informatie komt, ook door als betrouwbaar bestempelde instellingen. Haar conclusie is klaar: geruchten die passen in de geldende vooroordelen worden zonder verificatie voor waar aangenomen. Uitspraken van Afrikanen of Chinezen die pochen met onrealistische megaplannen plannen die nooit gerealiseerd worden, worden opgepikt door de dominerende media en belanden zonder verificatie in officiële documenten. De schaarse veldonderzoekers spreken die gegevens tegen, maar in het tijdperk van Google gaat hun stem verloren in de stroom geruchten. Een sterk voorbeeld zijn de grove fouten in een artikel van de Amerikaanse National Academy of Sciences van 2013; volgens de paper zijn nochtans de “meeste feiten betreffende de verwerving van land geverifieerd”. De bron blijkt echter een rapport van de Spaanse ngo GRAIN in 2012 die expliciet waarschuwt dat hun lijst “niet op het terrein gecontroleerd” is.

Brautigam maakt nog twee pikante opmerkingen: In de Land Matrix, het GRAIN rapport en de andere databases ontbreekt het grootste echte Chinese project, een eerder succesvolle rubberplantage in Kameroen. En terloops stelt ze vast dat de media niet alleen vooroordelen verspreiden over China in Afrika, maar ook de rol van de Golfstaten bij de landroof extra in de verf zetten. De feitelijke hoofdrol van bedrijven uit de ontwikkelde Westers wereld blijft in de schaduw.

Te velde: Plannen, problemen, mislukkingen en successen

Hoe zit het concreet met de onderzochte projecten? Een megaproject van 3 miljoen hectare voor palmolie door ZTE in Kongo raakte niet verder dan een haalbaarheidsonderzoek. In Soedan kreeg ZTE wel een concessie van 10.000 hectare, maar ze gaven die terug zonder ze te gebruiken toen het project te moeilijk bleek. CIWEC was betrokken bij twee projecten in Zimbabwe en Mali: in beide gevallen moest de firma alleen de infrastructuur voor grote landbouwprojecten van de lokale regering aanleggen; er was geen sprake van Chinese investeringen; beide projecten stuitten op verzet van de lokale bevolking en werden opgegeven. Een joint venture van CGC met de lokale overheid in de Nigerdelta van Mali om op 100.000 hectare rijst voor de lokale markt te produceren ging in de voorbereidende fase ten onder in de burgeroorlog. Hunan Dafengyuan kreeg een concessie van 25.000 hectare in Ethiopië doch besloot wegens het gebrek aan infrastructuur die ongebruikt terug te geven. Een project van 40.000 hectare in Oeganda bleek een luchtkasteel van een frauduleuze Chinese ondernemer. Een project voor teelt van 60.000 hectare sesamzaad in Senegal zou werken met kleine boeren als onderaannemers; het werd na de opstartfase stopgezet omdat de boeren hun producten op de parallelle markt verkochten. CITIC was actief in Angola bij de bouw van staatsboerderijen, maar het investeerde zelf niet. En als uitsmijter: drie grote projecten uit de database zijn ten onrechte aan Chinese investeerders toegeschreven.

Uit dit overzicht haalt Brautigam twee conclusies: Er zijn veel minder Chinese investeringen in de Afrikaanse landbouw dan de media ons laten geloven. Er werd geen enkel geval vastgesteld dat als ‘landroof’ kan omschreven worden. Anderzijds zijn Chinese bedrijven, zoals die van andere landen, wel geïnteresseerd in de mogelijkheden om in Afrika industriële gewassen zoals rubber, suiker, sesam of grondstoffen voor biofuel voor de wereldmarkt te produceren; anderen zijn vooral geïnteresseerd in de bouw van projecten, niet in investeren of uitbaten.

Na het overzicht van de onbestaande of opgegeven projecten komt Brautigam tot wat er echt bestaat.

Een eerste categorie zijn overblijfselen van de Chinese ontwikkelingsprojecten van de jaren 60-80. Tussen 1987 en 2003 zijn de Chinezen teruggeroepen om een 15-tal projecten die weggekwijnd waren nieuw leven in te blazen. Het gaat om kleinere projecten met onoverkomelijke problemen en wat er van overblijft, kampt nog steeds met overleven. Een andere categorie zijn de overblijfselen van verwaarloosde koloniale plantages. In Tanzania heeft een Chinees staatsbedrijf met succes een sisalplantage terug op de rails gekregen. Het bedrijf geldt als een toonbeeld van corporate social responsibility. Een ander Chinees staatsbedrijf heeft zich gespecialiseerd in het overnemen van oude suikerplantages; tot nog toe met weinig succes; in Benin en Sierra Leone zijn er problemen met squatters die de verlaten plantage illegaal ingenomen hadden, en heeft de firma een gespannen verhouding met de lokale vakbond; in Madagaskar kwam ze bovendien in gewelddadige politieke conflicten terecht en is de raffinagefabriek vernield en gesloten. Na de verdeling van het land van de Britse kolonialisten in Zimbabwe onder kleine onervaren boeren kwam de landbouw in een crisis terecht. Chinese bedrijven werken nu in partnerschap met de Zimbabwaanse staat aan het herstellen van oude landerijen die dan in kleine stukjes in pacht gegeven worden aan lokale boeren; de investeerder verschaft zaaigoed, meststoffen, irrigatie en technologie en koopt de opbrengst die (met subsidies) op de lokale markt gebracht wordt.

Een belangrijk hangend project is biofuel in Zambia. ZDA heeft daar jarenlang onderhandeld met lokale chefs om uiteindelijk een concessie van 70.000 hectare te verwerven. Die zou voor 70% als plantage ontgonnen worden en voor 30% in onderaanneming. Toen oppositiekandidaat Sata in 2012 aan de macht kwam, schroefde hij de omvang terug tot 2.000 hectare. Te klein om rendabel te zijn. Sata is intussen overleden. Het is onduidelijk of het project toch nog kan opstarten.

Er zijn ook nieuwe relatief kleine investeringen: een tabaksplantage in Zimbabwe en demonstratiebedrijven voor de rijstteelt (met geld van ontwikkelingssamenwerking). In veel van de bestaande projecten spelen misverstanden tussen de Chinese investeerder en de lokale overheid. De investeerder ging ervan uit dat de lokale regering het land ter beschikking stelde, terwijl die regering niet in staat was het probleem van de illegale squatters op te lossen. Niet zelden werden de Chinezen gebruikt als zondebok in de binnenlandse politieke strijd. In de oude staatsbedrijven bestaat ook dikwijls een vakbondscultuur die botst met de Chinese arbeidsethiek en drang naar rendement. Een aantal van de nieuwe projecten keert zich daarom eerder naar een formule waarbij de lokale boeren onderaannemer van het bedrijf worden.

Het grootste echte Chinese landbouwproject, GMG rubber in Kameroen, wordt in de Land Matrix database niet vermeld. Het gaat om 106.000 hectare, wat in de rubberbranche eerder klein is. Het is een oud staatsbedrijf dat later aan een bedrijf uit Singapore verkocht werd en uiteindelijk Chinees werd. Sinds de komst van de Chinezen is de reputatie van corporate social responsibility verbeterd.

Besluit

Brautigam besluit dat de Chinese bedrijven in Afrika in totaal zowat 240.000 hectare land controleren en daarmee is China een kleine speler. Dat komt ongeveer overeen met de oppervlakte van Vlaams-Brabant. Daarbij zitten alle echt bestaande projecten uit de databases samen met wat overblijft van de historische projecten uit de jaren 90, en het grootste project, de rubberplantage in Kameroen. Er is veel meer Chinese interesse, maar de grote problemen en zwakke winstvooruitzichten doen velen afhaken. De overtuiging dat de Chinese regering een groot plan heeft voor investeringen in Afrikaanse landbouw (voedselvoorziening van China, uitzenden van overtollige bevolking) berust op niets en wordt door Chinese experts expliciet ontkend. Kleinere Chinese projecten in Afrika zijn gericht op het bedienen van de lokale markt (waar de prijzen hoger liggen dan in China). Grotere bedrijven richten zich op industriële teelten voor de wereldmarkt en werken veelal met kleine lokale boeren als onderaannemer. Er is geen aanwijzing dat de Chinese bedrijven in de Afrikaanse landbouw het bruggenhoofd zouden vormen van een nieuw imperialisme of kolonialisme. De Chinese bedrijven zitten in Afrika voor business, niet voor politiek.

Brautigam eindigt haar tekst met drie interessante overzichtstabellen. Een overzicht van de feitelijke investeringen, een van de demonstratieprojecten (ontwikkelingshulp) en één van de Afrikaanse voedseluitvoer naar China (verwaarloosbaar). Het boek sluit af met 50 bladzijden nota’s, een illustratie van het vele werk dat aan dit fantastisch document besteed is.

Will Africa Feed China?
Deborah Brautigam
Oxford University Press
2015
249
978–0–19–939685–6