Oom Rik vertelt

Facebooktwittergoogle_plusmail

De titel zegt precies wat dit boek biedt: verhalen die van ver of nabij met Belgische geschiedenis te maken hebben, maar tussen de plooien gevallen zijn (of ‘gevallen werden’ …) van de bekende geschiedschrijving. Die ruimt nu eenmaal weinig plaats in voor de ‘petite histoire’, waarmee elke geschiedenis zo lekker kan gekruid worden.

Meer dan eens deed dit boek terugdenken aan een weekblad uit ver vervlogen jeugdjaren, waarin allerlei historische verhalen (in stripvorm) opdoken onder de brede noemer “oom Wim vertelt”. Want ze waren spannend én leerrijk, die verhalen. En vaak de eerste aanzet voor ‘serieuze’ historische belangstelling.

“Een degelijk journalist is iemand die tien goeie verhalen op rij kan vertellen”, aldus Norman Mailer, instemmend geciteerd door de auteur; terwijl hij er moeiteloos honderd-en-een zou kunnen vertellen. Want Rik van Cauwelaert is niet alleen een rasverteller; hij beschikt ook over een schijnbaar oeverloze voorraad feiten, feitjes en anecdotes.

Uit die rijkdom dist hij hier tien verhalen op. In vogelvlucht: Van Cauwelaert belicht een Belg die eventjes in het spoor verscheen van die merkwaardige Italiaanse komeet D’Annunzio; schetst summier de lotgevallen van een 19de-eeuws liberaal politicus wiens voorliefde voor de Griekse beginselen hem zijn politieke kop kostte; buigt zich kort over de passage van Proudhon in België. Hij vertelt hoe de als Pruisische onderdaan geboren Gérardy een (destijds) gevreesd Belgisch polemist (én wallingant !) werd; of hoe een (terecht zo omschreven) ‘would be’-literator op het eind van de negentiende eeuw de Belgische grondwet (in het Frans uiteraard) op rijm zette. Dichter bij ons – nu ja, in de twintigste eeuw – gaat het over de bedenkelijke invloed van de toenmalige Belgische IOC-voorzitter om de Olympische Spelen van 1936 wél in Berlijn te laten doorgaan; het befaamde Europa-college in Brugge als vrucht van een Koude-Oorlogsstrategie van de CIA; de moord in Ukkel op de ontwerper van een ‘superkanon’ voor dictator Saddam Hoessein; de herinneringen van een CIA-kopstuk over Mobutu; en het bizarre (c’est le cas de le dire) verhaal van de media-mystificatie rond seksfuiven met ‘hooggeplaatsten’, bekend en berucht geraakt als ‘roze balletten’.

Goed vertelde verhalen, van aard om de officiële historiografie op te smukken met wat smeuïge anekdotes of veelbetekenende details. Dat is de verdienste én de beperking van dit boek. Prettige lectuur, en ongetwijfeld goed voor tal van gesprekken bij het haardvuur. Maar aan méér mag de lezer zich niet verwachten; academische pretenties heeft dit boek zeker niet. Om het verhaal vlot en ‘spannend’ te maken worden hier en daar feiten aangedikt, en andere (jawel) tussen de plooien verdoezeld. Maar de scherpzinnige, soms venijnige analyses waarop Van Cauwelaert zijn lezers elke week vergast in de betere pers blijven hier geheel achterwege. Dat is vooral jammer waar het gaat om de recente geschiedenis. Een CIA-figuur kritiekloos aan het woord laten over Mobutu? Niemand zal Rik van Cauwelaert verdenken van overdreven sympathie voor die kleptocraat bij uitstek. En aan feitenmateriaal voor een paar kritische kanttekeningen zal het hem toch ook niet ontbroken hebben. Jammer.

Het verhaal over de bedenkelijke banden tussen de CIA en de Europese Beweging is ongetwijfeld nieuw en schokkend voor wie de Europese eenmaking nooit anders dan idealistisch wou bekijken. Maar een wereldschokkende onthulling is het niet; ook niet wat het Europacollege in Brugge betreft. Reeds in de jaren ‘zeventig van vorige eeuw verschenen immers (zelfs op academisch niveau) al ettelijke kritische studies over EGKS en later EEG als cruciale elementen in de VS-strategie in de Koude Oorlog. Toen werd dat afgedaan als ‘gauchistische achtervolgingswaan’. Maar sindsdien is uit mémoires en monografieën toch al overduidelijk geworden hoe actief VS-veiligheidsdiensten hebben ingegrepen in de na-oorlogse geschiedenis van Europa.

Zelf zegt Van Cauwelaert dat “de achterkant van de geschiedenis vaak boeiender is dan de voorkant”. Allicht. Juist daarom valt des te meer te betreuren dat hij voor- én achterkant niet heeft geanalyseerd met die vlijmscherpe blik waartoe hij in staat is. Dat had vermoedelijk slechts drie of vier stukken opgeleverd. Maar dan was dit een ophefmakend boek geworden. Nu is het nauwelijks meer dan een bundel leuke verhalen.

Ironisch genoeg – en allicht geheel onbedoeld – levert het boek zelf ook stof voor twee ‘petites histoires’. In het woord vooraf wordt Karl Drabbe nog zij aan zij vermeld met Harold Polis. En de achterflap belooft een verhaal dat niet in het boek voorkomt. Details natuurlijk, en ongetwijfeld toe te schrijven aan de haast waarmee een prille uitgeverij meteen een pak titels op de markt wil brengen; maar wel schadelijk voor de reputatie van perfectionisme die aan Polis kleefde.

Tussen de plooien. Een andere geschiedenis van België
Rik van Cauwelaert
Polis
2015
221
978-94-6310-030-4