Le boche paiera!

Facebooktwittergoogle_plusmail

Vae victis” zou de burgemeester van Antwerpen zeggen in zijn geliefkoosd idioom. Wee de overwonnenen ! Het is een eeuwenoude wijsheid die nog niets aan actualiteit heeft ingeboet: de verliezer mag zich aan het ergste verwachten. Dat was na de Eerste Wereldoorlog niet anders.

Le boche paiera!” (de moffen zullen betalen) luidde het motto van de overwinnaars. En aangezien België bij de overwinnaars hoorde, werden ook hier meteen alle denkbare ‘vijandige’ bezittingen aangeslagen.

Hoe letterlijk dat ‘meteen’ moet genomen worden, leert men uit het jongste boek van Monika Triest en Guido Van Poucke: reeds op 10 november 1918, één dag voor de wapenstilstand, werd door de Belgische regering (nog op Frans grondgebied) een besluitwet uitgevaardigd over “het onder sekwester stellen van de goederen en belangen toebehorende aan onderdanen van de vijandelijke naties”.

Welke goederen en belangen waren dat, en – vooral – wie werd beschouwd als onderdaan van een vijandelijke natie? Aan het uitpluizen van die vragen hebben Triest en Van Poucke jarenlang intens gewerkt. Met dat werk hebben ze alvast (zoals zij zelf bescheiden beweren) een “aanzet gegeven tot” het vullen van een bijzonder ergerlijke leemte in de vaderlandse geschiedschrijving. De manier waarop de Belgische staat na Wereldoorlog I te keer ging tegen alles wat (in zijn ogen, toén) ‘vijandelijk’ was, is niet de meest glorierijke bladzijde uit ’s lands geschiedenis, en allicht daarom nog niet eerder geschreven…

De “oorlog na de oorlog” werd gevoerd tegen tal van oorspronkelijk Duitse families die al tientallen jaren in België woonden, zich evenzeer Belg als Duitser voelden, prominente posities bekleedden in handels- en financiële kringen en konden prat gaan op onmiskenbare verdiensten voor de Belgische samenleving. Dat het vooral gaat om families in het Antwerpse is waarachtig geen toeval: na de vrijkoping van de Schelde beleefde de haven van Antwerpen een spectaculaire bloei, die ook tal van Duitse grote zakenlui aantrok.

In de halve eeuw die aan de Eerste Wereldoorlog voorafging ontpopten die families zich tot klinkende namen in het economische leven én als sociale of artistieke mecenassen. Osterrieth, Bunge, Nottebohm zijn vertrouwde namen voor wie wat Antwerpse geschiedenis kent; Kreglinger of Strasser zijn wellicht minder bekend maar waren destijds niet minder belangrijk.

Hoe welkom die Duitse ondernemers ook waren, en hoe verdienstelijk zij zich ook hadden gemaakt voor het land waar zij zich hadden gevestigd … dat alles verzonk in 1914 in het niets. Zij werden beschouwd als ‘vijandelijke onderdanen’ en verloren na de Duitse nederlaag het grootste deel van hun bezittingen.

Uit tientallen gortdroge documenten, verslagen en lijsten laten de auteurs verhalen tot leven komen die vaak schrijnend zijn, en soms bitter-hilarisch. Het intern-Belgische touwtrekken tussen administratie van Financiën (het sekwester!), magistratuur, sekwesterheren, invloedrijke Belgische belanghebbenden of trouwe dienaren van de oude families wordt uitvoerig geschetst. Terecht wordt ook duidelijk gemaakt hoe vele eenvoudige Belgische werknemers, pachters of schippers van rijke Duitse families mee het slachtoffer werden van de sekwesters, terwijl prominenten dure advocaten konden betalen en jarenlang bleven procederen om te redden wat te redden viel.

Dat sommige juridische betwistingen aansleepten tot na de Twééde Wereldoorlog lijkt op het eerste gezicht voer voor specialisten, maar had ook te maken met een fundamentele vraag die toen gold, maar die – zo stellen de auteurs terecht, in het licht van de massamigratie naar Europa – ook anno 2015 betekenisvol blijft: wat is bepalend voor iemands nationaliteit of  loyauteit?  Honderd jaar geleden was die nationaliteitskwestie niet altijd even duidelijk. Daarbij moet men voor ogen houden dat België in 1914 al drie kwart eeuw onafgebroken vrede had gekend (en bijvoorbeeld buiten de Frans-Duitse oorlog van 1870 was kunnen blijven), én dat vele belangrijke families sowieso in verschillende landen tegelijk actief waren én woonden, zonder dat ze ooit de behoefte hadden gevoeld om voor één daarvan te ‘kiezen’. Antwerpse reders, handelaars of financiers van Duitse afkomst voelden zich gewoon ‘Belg met de Belgen’ … zonder dat ze evenwel de moeite deden om dan ook maar de Belgische nationaliteit aan te nemen. Die decennia-lange integratie mocht echter niet baten: ook als ze in de verste verte niet konden worden beschuldigd van ‘heulen met de vijand’ werden haast alle ‘Duitsers’ vervolgd en onteigend. De geringste schijn van Duits-vriendelijkheid (omdat men bijvoorbeeld geen ontslag had genomen uit een Duits koor of schoolbestuur) volstond om als ‘vijandelijk onderdaan’ (of desnoods ‘heimatlos’) bestempeld te worden ; dat was  immers nodig om de goederen te kunnen aanslaan.

De lezer ontkomt inderdaad niet aan de indruk dat het de Belgische overheid vooral dààrom te doen was. Er was enorm veel oorlogsschade, en in afwachting van herstelbetalingen uit Duitsland greep de staat dan maar naar wat hij direct kon inpikken. Jarenlange processen werden gevoerd om uit te maken of iemand al dan niet de Duitse (of Oostenrijks-Hongaarse) nationaliteit kreeg opgeplakt; al die tijd bleef het sekwester gelden. Toch moet ook erkend dat niet altijd willekeur troef was. Soms werd van een omvangrijk bezit (aan gronden, huizen, inboedel, bedrijven, aandelen) uiteindelijk zelfs een deel teruggegeven omdat het de ‘verschuldigde’ schadevergoeding overtrof.

Zoveel is duidelijk: de auteurs schetsen een rijk geschakeerd beeld van een aspect van de Belgische geschiedenis dat tot dusver genegeerd werd. Dat beeld is nog lang niet volledig, en de auteurs geven dat ook grif toe. Zij hebben zich tot enkele gevalstudies beperkt, maar die dan ook met uitvoerig opzoekingswerk onderbouwd.

Alleen: uitvoerig opzoekingswerk levert daarom nog geen leesbaar boek op. In zijn opbouw doet het boek soms eerder denken aan wat een norse hoogleraar ooit “een omgevallen fichenbak” noemde. De rijkdom aan materiaal vindt zijn neerslag in een caleidoscoop van kleine en grote boeiende verhalen; dat alles tot een samenhangend geheel verwerken ging kennelijk de krachten van de auteurs te boven. Hun verdienste is en blijft echter dat ze een pijnlijke maar boeiende episode uit de vaderlandse geschiedenis uit de taboesfeer hebben gehaald.

De oorlog na de groote oorlog. Anti-Duitse repressie in België na WO I
Monika Trieste & Guido Van Poucke
Polis
2014
318
978-94-6310-024-3