Westen krijgt Syrië opnieuw niet klein

Ruski
Facebooktwittergoogle_plusmail

Sedert 30 september 2015 liggen de kaarten in Syrië weer helemaal anders door de Russische militaire interventie met gerichte en succesvolle bombardementen (zie foto). Die tussenkomst is op 7 oktober gevolgd door een grootscheeps Syrisch offensief, gesteund door Iraanse troepen, tegen de gewapende extremisten in het noordwesten van het land. Voor het eerst wordt het terrorisme in Syrië echt aangepakt. Er is zelfs sprake van mogelijke acties door China, dat zich heeft aangesloten bij de Russische alliantie tegen de Islamitische staat (IS).

 

Dit alles tot grote woede van het Westen, dat zijn zoveelste poging om Syrië klein te krijgen de mist in ziet gaan. En moet dulden dat president Bashar al-Assad aan de macht blijft. “Eigen schuld, dikke bult”, zo luidt een gezegde. Het Westen heeft immers nooit echt werk gemaakt van de bestrijding van de Islamitische Staat omdat die het enige drukkingmiddel op de regering in Damascus is. Maar het eist nu wel dat Rusland juist alleen dat zou doen.

Paradoxaal genoeg rehabiliteert het Westen nu even extremistische islamistische groepen, zoals het Al Nusra-front (het Steunfront), het plaatselijk filiaal van Al Qaeda, en Ahrar al-Sham (de Vrije Mannen van de Levant), die door de Russen in de provincie Idlib en bij Hama en Homs door de Russen werden bestookt. Ten onrechte volgens de Verenigde Staten en de NAVO, die die groepen nu plots tot het “gematigd verzet” rekenen. Wordt het zo verketterde Al Qaeda opnieuw de bondgenoot die het was in Afghanistan in de strijd tegen de Sovjet-troepen (1979-1989)?

Het Westen heeft ook nooit een geloofwaardig alternatief voor president Assad gevonden. De hele oppositie telt geen prestigieus boegbeeld met visie, die een alternatief zou kunnen bieden. Wie zou nu nog kunnen zeggen wie de leider is van de Nationale Syrische Raad, de koepel van het “gematigde” Syrische verzet, die door het Westen ooit werd uitgeroepen tot enige legitieme vertegenwoordiger van het Syrische volk?

Geen alternatief

Het enige alternatief is eigenlijk alleen maar het kalifaat van Islamitische Staat, onder leiding van Abu Bakr al-Baghdadi  een alias van Ibrahim Awwad Ibrahim Ali al-Badri al-Samarrai. Die riep zich op 29 juni 2014 uit tot kalief, onder de naam Ibrahim, nadat zijn troepen zich in enkele blitzoffensieven meester hadden gemaakt van grote stukken van Irak, waardoor ze tot dicht bij de Iraakse hoofdstad Bagdad en bij de Koerdische hoofdstad Erbil waren geraakt.

Maar IS, dat aanvankelijk door het Westen werd gesteund, is nu geen optie meer. Niet omdat IS zich schuldig maakt aan bruut geweld, massamoorden en vernietiging van werelderfgoed, want daar kan het Westen best mee leven. Denken we maar aan wat in Irak is gebeurd vanaf 1990. Twee à drie miljoen Irakezen kwamen om door moordende westerse sancties en bommen. Na de bezetting van Irak in 2003 traden de Amerikaanse troepen op als folteraars en doodseskaders. Ze lieten toe dat het Nationaal Museum werd geplunderd en dat de Ottomaanse archieven en de Nationale Bibliotheek, met haar manuscripten van onschatbare waarde, in brand werden gestoken

Maar het kalifaat heeft zich onmogelijk gemaakt omdat het een even grote hekel heeft aan het Westen als aan de regimes in de meeste islamitische landen. En omdat het nu “zijn zonen” – (een verwijzing naar de naam “zonen” die de christelijke missionarissen destijds kregen voor hun “beschavingswerk” – uitstuurt naar het Westen en elders om daar aanslagen te plegen. Dit ter voorbereiding van de finale veldslag tussen christenen en moslims die, volgens de islamitische traditie, in Dabiq, een onooglijk Syrisch stadje ten noorden van Aleppo, zou moeten worden uitgevochten en zou uitlopen op een overwinning van de islam. Daarna zou het einde der tijden aanbreken.

Trump steunt Assad

Het enige zinvolle alternatief voor het Westen is gewoonweg praten met president Assad van Syrië. Aanvankelijk werd door het Westen als voorafgaandelijke voorwaarde voor een oplossing voor de burgeroorlog het onmiddellijk vertrek van president geëist. Nu is dat nog altijd de eis van de Fransen en de Britten. De VS en de Duitse kanselier Angela Merkel kunnen leven met een overgangsfase, waarvan het einddoel nog altijd het verdwijnen van Assad van het Syrische politieke toneel is.

Een opmerkelijke steun voor samenwerking met Assad in de VS komt er van miljardair Donald Trump, die de nominatie van de Republikeinen voor de presidentsverkiezingen van volgend jaar ambieert. De man is rijk genoeg, en heeft dus geen verkiezingssteun nodig van allerlei drukkingsgroepen en buitenlandse regeringen. Hij kan dan ook vrijuit en nuchter spreken. Hij suggereert dat de VS er beter zouden aan doen als bondgenoot samen te werken met Assad, die hij beter acht dan “het soort volk dat we geacht worden te steunen, omdat we niet eens weten wie we steunen.” Ook heeft hij woorden van lof over voor de Russische president Poetin die hij “een fatsoenlijker man” vindt “dan ikzelf ben”. Hij voegde er nog aan toe dat Poetin, wat leiderschap betreft een”A” verdient en dat “onze president het niet zo goed doet”.

Leugenachtige propaganda

Maar om met Assad te praten zou het Westen moeten toegeven dat zijn propaganda leugenachtig was. Om te beginnen horen we al van het begin van de strijd in Syrië in maart 2011 dat president Assad verafschuwd wordt door de “overgrote meerderheid” van de Syriërs. Sommige westerse leiders spreken zelfs van 80 tot 90 %. Dit is een pertinente leugen. Alleen al de religieuze minderheden (alawieten, sjiieten, yezidi’s druzen en christenen), die door IS & Co. met de dood, verdrijving of ten minste met een minderwaardig statuut worden bedreigd, vormen ongeveer een derde van de Syrische bevolking. En de meeste soennieten zijn geen extremistische religieuze fanatici. Zeker is dat velen een politieke liberalisering en democratisering willen, maar om lijfsbehoud steunen ze nu president Assad.

Ook de mythe dat Assad het gewapend verzet uitlokte door grof geweld en kogels te gebruiken tegen vreedzame betogers in maart 2011 is aan herziening toe. En zijn meer en meer getuigenissen dat tegelijkertijd in heel Syrië gewapende bendes religieuze fanatici aan het werk gingen die regeringsinstellingen en –ambtenaren, politiemannen, soldaten en al dan niet vermeende aanhangers van het regime aanvielen, honderden mensen vermoorden en regeringsgebouwen in brand staken. Er zijn ook aanwijzingen dat er, zoals eerder op de Balkan in de jaren 1990, en tijdens de door het Western met miljarden gesponsorde revoluties, zoals in Georgië (2003) en in Oekraïne (2004 en 2013), door pro-westerse provocateurs gericht vreedzame betogers werden vermoord om de regering met de vinger te kunnen wijzen.

De gehate Fransen

Het is niet overbodig ook even in de geschiedenis van Syrië terug te gaan. Tot het einde van de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) was Groot-Syrië (het huidige Syrië, Libanon, Palestina en Jordanië) een deel van het Ottomaanse Rijk, dat in die oorlog de kant van Duitsland had gekozen en daarom werd opgedoekt. Nu was Syrië al eind de 19de eeuw een broeihaard van Arabisch nationalisme. De Ottomanen executeerden daarom tijdens de oorlog vele Arabische nationalisten in Istanboel, Damascus en Beiroet. Het was ook een – vergeefse – waarschuwing aan nationalisten elders, zoals in een ander deel van het rijk, de Hedjaz, de streek van de heilige steden Mekka en Medina, op het Arabisch schiereiland, om niet in opstand te komen.

De eis van de Syriërs was dan ook onafhankelijkheid, al dan niet in een groter Arabisch verband. Maar daar kwam niets van in huis: de Arabieren waren constant belogen en bedrogen, zoals dat vandaag de dag nog steeds het geval is. Fransen en Britten hadden Groot-Syrië al onder elkaar verdeeld. De Britten kregen daarnaast nog het huidige Irak in handen. De Fransen waren als bedriegers duidelijk niet welkom.

Ze maakten zich nog minder geliefd door zonder enige inspraak in 1920 Libanon uit Syrië los te maken. En in 1921 een akkoord te sluiten met Turkije over de grens met Syrië. Die werd deels vastgelegd volgens de loop van de spoorlijn Aleppo-Mossoel. Daardoor kwam een deel van Syrië, met Arabische meerderheid, rond de stad Urfa (het voormalige Edessa van de Byzantijnen en van de kruisvaarders) in Turkse handen. Bovendien woonden er vele Syrisch-orthodoxe christenen, die door de Turken systematisch werden verjaagd om een Turkse meerderheid te creëren. In 1915 werd er, naast op de Armeniërs ook op de Syrisch-orthodoxen en de Assyriërs verder naar het oosten genocide gepleegd.

Als kers op de taart deed Frankrijk in 1939 de sandjak van Alexandretta (nu de Turkse provincie Hatay), in strijd met de verplichtingen van zijn mandaat over Syrië cadeau aan Turkije om te verhinderen dat Turkije opnieuw de kant van Duitsland zou kiezen in de aankomende Tweede Wereldoorlog. Jordanië werd door de Britten aan een zoon van de sherif van Mekka gegeven om daar in hun naam de orde te handhaven. En het laatste deel van Groot-Syrië, Palestina, kwam in handen van zionistische joden om er een eigen staat van te maken.

In de hoop het Arabisch nationalisme verder tegen te werken en hun gezag in Syrië te verstevigen werd het land opgedeeld in etnische en religieuze staatjes, zoals dat van de alawieten rond de havenstad Lattakia van de druzen rond Suweida. Maar dat zinde geen enkele Syriër. De druzen waren de eersten om in 1925 in opstand te komen, gevolgd door de rest van het land. Pas in 1927 slaagden de Fransen erin de situatie meester te worden dankzij keihard geweld, met duizenden Syrische doden en een bijna geheel verwoeste hoofdstad Damascus.

Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in 1939 werd de Syriërs volledig onafhankelijkheid beloofd, maar het Frankrijk van generaal Charles De Gaulle klampte zich na afloop van de oorlog vast aan zijn imperium. Meer geweld was het gevolg en als afscheidscadeau toen de Fransen, daartoe aangezet door de Britten, moesten afdruipen vernietigden ze nogmaals een deel van Damascus.

De Koude Oorlog

Het werd er niet beter op toen al vlug na het einde van Wereldoorlog II, in 1945, de Koude Oorlog uitbrak tussen het Westen en de Sovjetunie, die tijdens de oorlog tot een militaire grootmacht was uitgegroeid. Alles wat naar Arabisch nationalisme rook, en zeker als dat gepaard ging met sociale en economisch hervormingen, werd door het Westen als communisme beschouwd. Toen Egypte onder president Gamal Abdal Nasser in 1956 besloot het Suezkanaal te nationaliseren om zijn ontwikkeling te financieren, zagen Fransen Britten een kans om het Arabisch nationalisme te vernietigen en opnieuw meesters van het hele Midden-Oosten te worden. In samenwerking met Israël gingen ze in de aanval, maar de Amerikaanse president Dwight Eisenhower die niets op had met het ouderwetse kolonialisme van de vergane glories Frankrijk en Groot-Brittannië, dwong de aanvallers tot de terugtocht.

Dat wil niet zeggen dat de Amerikanen begrip hadden voor het Arabisch nationalisme. Toen in 1958 de Iraakse pro-Britse monarchie door nationalistische militairen werd omvergeworpen en grotendeels uitgemoord, stuurden de Amerikanen troepen naar Jordanië om de monarchie, die verwant was met de Iraakse, te redden. Ook gingen er troepen aan land in Libanon om te verhinderen dat het christelijke establishment er zou bezwijken onder de druk van het Arabische nationalisme.

Steun voor islami(s)tische groepen

Ondertussen werd geprobeerd het nationalisme in Syrië uit te schakelen. Het land bleef onstabiel vanaf zijn officiële onafhankelijkheid in 1956 tot luchtmachtgeneraal Hafez al-Assad in 1970 de macht greep, tot grote opluchting van de Syrische bevolking. Voordien volgde ene staatsgreep na de andere met steun van de Amerikaanse, Britse en Franse geheime diensten. Ook met medewerking van de conservatieve monarchieën op het Arabische schiereiland, vooral van Saoedi-Arabië dat beducht was voor het Arabisch nationalisme dat al de monarchieën in Egypte, Irak en Noord-Jemen had ten val gebracht. En dat later ook in Libië deed. De opzet Syrië op een pro-westerse koers te brengen mislukte telkens, mede als gevolg de onvoorwaardelijke steun van het Westen aan Israël.

De val van de Iraakse monarchie bracht Britten en Amerikanen op het idee om tegenkrachten in het land te stimuleren. Zeker toen de macht daar in handen kwam van de socialistische Baath-partij. Daarbij werd ook gedacht aan de godsdienst. Een idee dat niet zo nieuw was: eerder hadden ze al de moslimbroederschap aangesproken in Egypte. Niets zo nuttig als conservatieve geestelijken om progressieve regimes in verlegenheid te brengen en vooruitgang af te remmen. In Irak was in de topjaren van het Arabisch nationalisme de sjiitische religieuze hiërarchie in verval geraakt en het was dus kwestie die van de middelen te voorzien om zich opnieuw te organiseren en zo weer gezag op te bouwen.

Ook in Syrië mocht de moslimbroederschap zich verheugen in de westerse aandacht. De broederschap had maar weinig respect voor de religieuze diversiteit in het land en stelde zich tot doel het land te islamiseren. De moslimsbroeders en andere islamitische extremisten waren woedend toen president Halez al-Assad in 1976 ingreep in de burgeroorlog in Libanon om de christenen te redden, die op het punt stonden de strijd te verliezen. Van toen af kreeg Syrië te maken met een golf van gerichte moorden en aanslagen, waarbij honderden doden vielen. De daders lieten er geen twijfel over bestaan dat ze een islamitische staat wilden, waar de sharia de wet zou zijn en waarin geen plaats voor alawieten, druzen en andere minderheden. Vooral de alawieten werden zonder meer met uitroeiing bedreigd. Ook voor de christenen was er geen plaats, die moesten zich maar bekeren, vertrekken of op zijn minst speciale belasting betalen. Eigenlijk net hetzelfde dus als na het uitbreken van de burgeroorlog in 2011. De islamisten zijn nog geen haar geëvolueerd.

In 1982 vond president Assad dat het genoeg was geweest toen gewapende groepen zich meester maakten van de stad Hama. Hij stuurde er zijn broer Rifaat met de elitetroepen van het regime op af. De opstand werd in het bloed gesmoord.

Het bleef jaren rustig in Syrië, maar het fundamentalisme van de moslims groeide door de toenemende invloed van het steenrijke Saoedi-Arabië dat met zijn oliegeld zijn uiterst rigoristische en conservatieve versie van de islam, het wahhabisme, begon te propageren over de hele wereld. Zo werden de sjiieten – en de alawieten zeggen deel uit te maken van die stroming – geleidelijk aan meer en meer verketterd. Er waren tijden dat er tolerantie van de soennieten ten overstaan van de sjiieten groeide. Door een fatwa van Al Azhar, de prestigieuze religieuze school van Cairo, werd het sjiisme tot vijfde school van de islam uitgeroepen, naast de vier soennitische rechtsscholen. Inmiddels heeft Al Azhar die fatwa herroepen en zijn de sjiieten weer gedegradeerd tot ongelovigen of ketters.

Het “Groot Midden-Oosten”

Ook Syriërs gingen in Afghanistan vechten, werden er gehersenspoeld door Saoedische predikanten en keerden geradicaliseerd terug eens de Sovjet-troepen vertrokken waren. Het zijn die groepen die in maart 2011 van de Arabische lente gebruik maakten om met de wapens een nieuwe gooi naar de macht te doen. Waarvoor ze de gretige steun kregen, niet alleen van de conservatieve Arabische monarchieën, maar vooral van het Westen, dat in het kader van president Georges Bush’s plan voor een “Groot Midden-Oosten” van begin 2004, zowat tien maanden nadat de VS en zijn bondgenoten in 2003 Irak hadden bezet, waaronder de hele regio weer onder westers gezag zou komen.

Al vanaf 2003-2004 begonnen de pogingen tot subversie door de VS in Syrië. Dit omdat president Bashar al-Assad, die in 2000 zijn overleden vader opvolgde, in de gaten kreeg was er op til was en daarom het Iraakse verzet tegen de Amerikaanse bezetting steunde. Het einddoel van het “Groot Midden-Oosten” was Iran, sedert de oprichting van de islamitische republiek in 1979 de aartsvijand van de VS, en naast Egypte en Turkije één de regionale mogendheden. Vooraleer Iran aan te pakken moest eerst Syrië worden “genormaliseerd”. Dat zou automatisch ook de ondergang van Hezbollah in Libanon betekenen, waardoor dan alle aandacht op het geïsoleerde Iran zou kunnen worden gericht.

Tienduizenden mensenlevens in Syrië werden opgeofferd door het Westen in het kader van de realisatie van die plannen. Plannen die nog verder gaan dan Iran. Sedert de val van het communisme eind de jaren 1980, begin de jaren 1990, begon het Westen ondanks alle beloften de nieuwe onafhankelijke landen van de voormalige Sovjetunie in zijn allianties in lijven. De NAVO, die eigenlijk overbodig was geworden, werd omgebouwd tot een organisatie die wereldwijd kon optreden en naar believen atoomwapens zou kunnen inzetten. Duitsland stemde de grondwettelijke beperkingen op de bewegingsvrijheid van de Bundeswehr weg. Hetzelfde is nu aan de gang in Japan, dat op weg is een atoommogendheid te worden.

Deze evolutie is niet ongemerkt voorbijgegaan in Moskou en in Peking. Beide land zijn het voorwerp geworden van een steeds agressievere westerse internationale politiek. Beide voelen zich ook bedreigd door het islamitisch extremisme, dat de feitelijke – en som meer – bondgenoot is van het Westen. Daarom heeft president Poetin van Rusland ingegrepen. Het Syrische leger werd versterkt met nieuwe en performante wapens, die het gebruik van de “vatenbommen”, eigenlijk een primitieve vorm van fragmentatiebommen die men in alle westerse arsenalen aantreft, overbodig hebben gemaakt.

Daar de islamisten dit jaar vooruitgang wisten te boeken – in Syrië door de veroveringen van Idlib en Palmyra, in Irak van Ramadi – was ook het moment aangebroken voor een veralgemeend tegenoffensief van Syriërs, Libanezen van Hezbollah, Iraniërs, Russen en misschien ook wel van Chinezen die een vliegdekschip voor de kust van Syrië hebben liggen. Ook de luchtverdediging van Syrië is op peil gebracht. Vluchten over de Turkse grens waren een waarschuwing aan Turkije dat het zich gedeisd moet houden. Interceptie van Israëlische vliegtuigen boven Syrië hebben Jeruzalem dezelfde boodschap gegeven. Zo wordt het onmogelijk dat de Syrische islamisten nog via de lucht met wapentuig kunnen worden bevoorraad door de Golfstaten. Vele islamisten blijken het daardoor voor bekeken te houden in Syrië en zouden zich in groep, met wapens en al, terugtrekken in Turkije.

Historicus en actief gepensioneerd journalist. Werkte bijna 30 jaar in de dagbladpers. Schreef talloze krantenartikels en achtergrondbijdragen voor tijdschriften en verzamelwerken. Daarnaast ook een aantal boeken, zoals over de opkomst van het islamitisch fundamentalisme (1995) en de Koerdische kwestie. Werd medeoprichter van Uitpers uit onvrede met de berichtgeving in de mainstreampers, die zich meer laat meeslepen door desinformatie en propaganda.