De non-politiek van de klimaatpolitiek

globe amsterdam
Facebooktwittergoogle_plusmail

De trein van de klimaatverandering is de laatste jaren duidelijk ontspoord. De elites hebben hun politieke agenda moeten aanpassen door de zwaarste structurele crisis die het kapitalisme te verduren kreeg sinds 70 jaar. Daarna werd een bourgeois commons gevormd die er voor zorgt dat alle politieke en gemeenschappelijke economische energie wordt gemobiliseerd om de sputterende accumulatiemachine weer aan de praat te krijgen, volkomen los van alle sociale en milieukosten die dit teweeg brengt. Hoewel de milieuproblematiek en vooral de klimaatverandering de voorgaande jaren de agenda beheerste, kwam daar de laatste jaren opnieuw de obsessie met accumulatie om de accumulatie voor in de plaats. De milieuconferentie van 2009 in Kopenhagen (COP15) en die van Durban in 2011 waar al diegenen die zich zorgen maken over het klimaat zo gretig hadden naar uitgekeken, waren zeer ontgoochelend. De elites keken naar waar ze gewoonlijk kijken, met name naar hoe de neoliberale orde nog even kan blijven duren. Terwijl de commons van de bourgeoisie alles deden om de politieke en financiële inspanningen te richten op het herstel van de kapitalistische groei, werd het klimaat opnieuw naar de achterkamertjes van de politiek verwezen en bleef in handen van de klimaatactivisten.

Toch blijft klimaatbeleid zeer belangrijk. We moeten proberen een stand van zaken op te maken en te zien welke politieke lessen we kunnen leren. Ik wil daarom kort kijken naar die vreemde non-politiek van de klimaatpolitiek van de afgelopen jaren en pleiten voor een heroriëntering van het beleid als een noodzakelijke stap om de problematiek van milieu en klimaat au sérieux te nemen. Of met andere woorden, indien we werkelijk bezorgd zijn om het klimaat en de sociale en milieugerelateerde omstandigheden, dan moeten onze theoretische blik en onze politieke passie verschuiven van het milieu op zich naar een bezorgdheid en een passie voor het uitbouwen van een ander beleid.

Ecologie als de nieuwe opium voor het volk

De geboortekrampen van het antropoceen wijzen op de dringende plicht ons af te vragen in welk milieu we willen leven, hoe we dat tot stand kunnen brengen en wat de gevolgen ervan zijn. Er is behoefte aan een nieuwe moderniteit die rekening houdt met menselijke en niet-menselijke onderlinge verbanden en verantwoordelijkheid opneemt voor het onderhouden ervan. We weten dat de milieurampen nu al bezig zijn en dat de geo-klimaatveranderingen en andere milieugerelateerde transformaties het leven van mensen en niet-mensen op sommige plekken van de planeet nu al in gevaar brengen. Naarmate de klimaatverandering vordert, kan dit alleen maar erger worden. De natuur, als het externe kader voor het menselijk leven – een externalisering die ervoor zorgde dat de sociale en menswetenschappen de natuur konden overlaten aan hun collega’s van de natuurwetenschappen – loopt op haar eind. Het antropocene begin van een sociaal-fysieke en historische natuur verplicht ons om de natuur opnieuw te bekijken en in politieke termen te herdefiniëren. Het gaat het er niet langer om milieuproblemen binnen de politiek te krijgen, zoals tot nog toe het geval was, maar om de politiek in het milieu te krijgen.
Alain Badiou, politiek filosoof, suggereerde onlangs dat de groeiende consensus over natuur en milieu moet gezien worden als een nieuw soort opium voor het volk. Op het eerste gezicht lijkt dit schandalig omdat de religie hier door ecologie vervangen wordt en de originele woorden van Marx op een perverse manier vertekent. Toch wil ik Badiou’s verklaring au sérieux nemen en nagaan hoe, op dit ogenblik, het verheffen van de milieubezorgdheid tot mondiale humanitaire casus in feite niet meer is dan een ‘gigantische depolitisering van subjecten’. Ulrich Beck denkt in dezelfde richting: ‘In naam van de ontegensprekelijke feiten die de toekomst van de mensheid doen verbleken, is de groene politiek erin geslaagd de politieke passie te depolitiseren zodat burgers geen ander perspectief meer hebben dan een triest ascetisch leven, een angst om de natuur geweld aan te doen en onverschilligheid over de modernisering van moderniteit’.

Ik wil hier kort stilstaan bij de paradoxale situatie waarin het milieu politiek wordt gemobiliseerd, terwijl deze politieke bezorgdheid, zoals ze nu wordt voorgesteld, in feite de specifiek politieke dimensie te niet doet. Ik wil nagaan hoe het verheffen van het milieu tot politieke bezorgdheid zowel de depolitisering markeert als er een drijvende kracht van is.
Dit artikel bestaat uit drie delen. In het eerste deel wordt het klimaatveranderingsbeleid voorgesteld als een cause célèbre van depolitisering. Ik zal uitleggen hoe klimaatproblemen binnen het domein van de politiek zijn gebracht maar ook binnen een denkwereld die bepaalt wat een ‘goed’ klimaat en een ‘goed’ milieu zijn, dit terwijl de politiek netjes maar stelselmatig buiten het antropocene milieu werd gehouden. Het tweede deel zal dit argument in verband brengen met de inzichten van politieke theoretici die stellen dat de politieke totstandkoming van de hedendaagse westerse democratieën meer en meer gekenmerkt wordt door de versterking van de post-politiek. Tot besluit wil ik stellen dat de milieuproblematiek in het algemeen en klimaatverandering in het bijzonder, noodzakelijkerwijs moeten gezien worden binnen het domein van de politiek.

Het klimaat als voorwerp van verlangen

“Als we niets doen zullen de gevolgen voor ieder persoon op aarde zonder weerga zijn, met hoge aantallen milieuvluchtelingen, sociale onstabiliteit en vernielde economieën, veel erger dan alles wat we tot hier toe gezien hebben” (Prince Charler, 2009).

Los van de specifieke standpunten over de natuur die sommige individuen en maatschappelijke groepen kunnen aanhouden, bestaat er een consensus die stelt dat de milieuverloedering tot een bijzonder ernstige en hachelijke sociaal-ecologische toestand leidt. Nagenoeg niemand betwist de consensus over de noodzaak van meer milieuvriendelijke duurzaamheid als we rampen willen vermijden, noch over de klimaatduurzaamheid door de CO2-uitstoot te beperken en te stabiliseren tot een mythisch punt dat een ‘goed’ klimaat kan garanderen. In deze consensusgedachte worden milieuproblemen meestal als universeel bedreigend gezien voor het overleven van de mensheid. Het is de ‘ecologie van de angst’, zoals sommigen dit noemen, met daarnaast een aantal populistische gebaren. Angst en gevaar doorspekken dit discours over hoe de milieuproblemen vandaag kunnen worden begrepen. De sociaal-ecologische omstandigheden kunnen er toe leiden dat veel mensen in de nabije toekomst geen of weinig vooruitzichten meer zullen hebben.

Het is dit soort niet-politieke mobilisatie die Alain Badiou doet overgaan tot zijn ‘ecologie als het nieuwe opium voor het volk’. Er is een impliciete belofte van een beter en hersteld klimaat als horizon voor onze verbeelding en onze verwachtingen. We moeten er voor zorgen dat gedragsmatige en technisch-bestuurskundige radicale veranderingen, binnen de onbesproken liberaal-kapitalistische orde, zo snel als mogelijk plaats vinden. Soms nemen deze veranderingen wel een dystopische draai wanneer de bezorgdheid om het milieu wordt gekoppeld aan het malthusianisme van de overbevolking. Alle pasgeborenen worden dan op een perverse manier schuldig gemaakt aan de uitputting van de hulpbronnen en de klimaatverandering. Dat betekent dan dat de technisch-bestuurskundige eco-consensus behouden blijft, dat we radicale veranderingen tegemoet gaan, maar telkens binnen het kader van de bestaande situatie – de verdeling van het redelijke, zoals Rancière zegt – of m.a.w. zonder iets fundamenteels te moeten veranderen. Eco-krijger and Gaia theoreticus James Lovelock zegt het nog scherper: ‘wat als we binnenkort gaan beseffen, zoals dat gebeurde in 1939, dat de democratie tijdelijk moet opgeheven worden en we moeten leven met een disciplinair regime, met het VK als legitieme maar beperkte veilige haven voor de beschaving? Een geordend overleven vereist een ongebruikelijke mate van menselijk begrip en leiderschap en kan, net zoals in een oorlog, vereisen dat de democratie wordt opgeheven voor de duur van de noodsituatie’.

De negatieve aspecten van de klimaatverandering worden gecompenseerd door een positieve oproep rond ‘CO2’ als een fetisj die onze milieudromen en –verwachtingen kunnen doen uitkomen en die de politiek vorm geven. Het ‘stootkussen’ voor de problematiek van de milieuverandering heet CO2. Het is het voorwerp met kleine ‘v’ dat zowel onze diepe angst uitdrukt als tegelijkertijd radicale sociaal-politieke veranderingen afwijst, ook al geeft dit precies vorm aan het antropoceen. De fetisjistische ontkenning van de meervoudige, complexe en vaak contingente relaties die de milieuveranderingen teweeg brengen, wordt vervolmaakt in het dubbele reductionnisme van die ene sociaal-chemische component (CO2). De verwording van de complexe processen tot een dingachtige onderwerp-oorzaak in de vorm van een sociaal-chemisch bestanddeel dat onze milieuverlangens kristalliseert wordt verder verweven in een maatschappelijke betekenis door het gelijk te stellen met een koopwaar in het proces van goederenverkeer op de markt. De procedure om een prijs te plakken op CO2 herleidt de sociaal-ruimtelijke heterogeneïteit en complexiteit van ‘natuurlijke’ CO2 tot een universeel ding – wat Marx het fetisjisme van de koopwaar zou noemen – en verduistert dat koopwaar een ‘vreemde zaak is, met veel subtiliteiten en theologische franjes’ (Marx). Door van CO2 koopwaar te maken, in eerst instantie via het Kyotoprotokol en diverse compenserende programma’s – kwam er snel een bloeiende markt van derivaten tot stand met ‘futures’ en ‘options’. Op de Europese klimaatmarkt b.v., groeide de handel in CO2 ‘futures’ en ‘options’ van nul in 2005 tot meer dan 3 miljard in juni 2010. Er werden 585.296 contracten verhandeld tijdens die maand, tegen prijzen tussen meer dan 30 euro tot minder dan 10 euro per ton. Dat CO2 een koopwaar wordt (en een financieel actief) hangt samen met de inschrijving ervan in een complex ‘governance regime’ dat draait rond een pakket van bestuurskundige en institutionele technologieën en reflexieve risico-berekening, zelfevauatie, onderhandelingen over belangen, bemiddeling, boekhoudregels, disciplinering door verantwoording, gedetailleerde becijfering en prestatiegerichte doelstelling. Dit regime werd politiek op muziek gezet en ingesteld door het Kyotoprotokol (en slechts marginaal gewijzigd door de mislukkingen van Kopenhagen en Durban) en door erg complexe institutionele configuraties. Het zijn al deze dingen waardoor de atmosfeer binnen de koopwaarlogica van het kapitaalverkeer en de neoliberale recepten kan worden gebracht. Het zorgt er ook voor dat de economische groei en de energiebehoeften op hun onverzadigbaar traject blijven lopen. Dit op consensus berustende script van denkbeelden, argumenten en beleid weerspiegelen een specifiek proces van depolitisering, iets wat Slavoj Žižek en anderen omschrijven als post-politiek, of wat Colin Crouch en Jacques Rancière ‘post-democratie’ noemen.

Het post-politieke klimaat

Slavoj Žižek en Chantal Mouffe definiëren post-politisering als een procedure die de politiek uitsluit. Post-politisering verwerpt ideologische verdeeldheid zowel als de expliciete universalisering van specifieke politieke eisen. Het herleidt het politieke terrein tot de sfeer van het besturen en beleidsmaking met consensus, gefocust op het technisch, bestuurskundig en controlerend geheel van milieu, sociaal, economische en andere domeinen. Dit bestuur van de dingen blijft uiteraard geheel binnen het terrein van het mogelijke, van de bestaande sociale relaties. De consensus waarmee we vandaag leven heeft derhalve de echte politieke ruimte van het meningsverschil uitgeschakeld. ‘Alles is gepolitiseerd, kan besproken worden, maar niet als conflict en totaal vrijblijvend’. Absolute en onomkeerbare keuzen worden vermeden. Politiek kan plaats vinden zonder verdelende beslissingen. Moeilijkheden en problemen, zoals een andere ordening voor het klimaat of een nieuwe vormgeving voor het milieu wat over het algemeen als problematisch wordt gezien, moeten via het compromis, bestuurskundige en technische regelingen worden opgelost, met de totstandkoming van een consensus binnenin een gegeven neoliberale orde waarover geen politieke betwisting kan bestaan.

Deze consensus komt tot stand via bestuur en controle op milieuproblemen. Deze postpolitieke milieuconsensus is daarom radicaal reactionair en belet de interactie tussen divergerende, conflicterende en alternatieve trajecten van een toekomstig milieubeleid. Er is geen enkele betwisting van de gegevens, over de verdeling van het redelijke, over de noodzaak om de orde van het waarneembare te bewaren; er is enkel discussie over de technologie van het management, de termijnen voor de uitvoering ervan, de mechanismen van de controle en de belangen van al diegenen wiens inzet is gekend en wiens stem als legitiem werd bevestigd. Meningsverschillen en debat zijn natuurlijk altijd mogelijk, maar ze moeten altijd binnen de eliteconsensus vallen en ondergeschikt blijven aan het bestuurskundig-technocratisch regime. Meningsverschillen kunnen, maar enkel met betrekking tot de keuze van de technologie, de mix van organisatiemechanismen, details van de bestuurskundige aanpassingen, en de urgentie van de uitvoering. Meningsverschillen zijn niet toegelaten met betrekking tot de sociaal-politieke framing van de huidige en de toekomstige natuur.

Besluit

Als we de klimaatramp au sérieux willen nemen moet het helse proces van de depolitisering worden doorbroken en moeten we dringend weer politiek leren denken. Het echte van de natuur, of, beter gezegd, de diverse, meervoudige, contingente en vaak onvoorspelbare sociaal-ecologische relaties waar we deel van uit maken, moeten ten volle kunnen spelen. Het is dringend noodzakelijk om vragen te stellen bij de legitimiteit van de sociale en milieupolitiek, het beleid en de interventies in naam van een werkelijk denkbeeldige en gesymboliseerde natuur. Deze procedure belet dat er een feitelijk politiek kader ontstaat waarbinnen deze denkbeelden tot stand komen en tot hegemonie worden verheven, en miskent de verdeeldheid van de bevolking door de ruimte voor een agonistische ontmoeting tot nul te herleiden. Het uiteindelijke doel van politieke interventies bestaat erin de sociale en milieu-ordening te veranderen. Net als alle andere interventies is dit een gewelddadige handeling, het verwijdert tenminste gedeeltelijk wat er is om iets anders en verschillends te laten ontstaan. Denk bijvoorbeeld aan het uitzonderlijke effect van de uitroeiing van het HIV-virus op de duurzaamheid van het leven (of moeten we het virus beschermen/behouden in naam van de biologische verscheidenheid?). Gedegen politieke interventies zijn onvermijdelijk gewelddadig omdat ze de sociaal-natuurlijke relaties en verbanden herschrijven, veraf en dichtbij. Ze verbrijzelen de consensus en brengen een sociaal-ecologische ongelijk resultaat voort. Door in te grijpen in de natuur en in de sociaal-natuurlijke ordening, wordt er een politieke handeling par excellence gesteld die enkel kan gelegitimeerd worden in politieke termen en niet – zoals gebruikelijk – via een geëxternaliseerde legitimering die enkel in de verbeelding van een geïdealiseerde natuur bestaat. Elke politieke handeling betekent een sociaal-ecologische herordening, nieuwe sociaal-ecologische relaties, vaak met onvoorziene en onvoorspelbare gevolgen. Deze interventies zijn een totalitair moment, het tijdelijk opschorten van een democratie, begrepen als de veronderstelde gelijkheid van allen met allen als sprekende wezens in een ruimte die meningsverschillen toelaat en voedt. Het dialectisch proces tussen de als een politiek gegeven begrepen democratie en het totalitaire moment van de beleidsinterventie zoals het opschorten van de democratie, moet worden ondersteund. Het democratisch politieke berust op een vooronderstelling van gelijkheid en dringt aan op verschil, meningsverschil, radicale openheid en het verkennen van meervoudige mogelijke toekomsten. Concrete milieu-interventies daarentegen gaan noodgedwongen over het tijdelijk afsluiten, over keuzen, over een eenmalig optreden en dus over een zekere uitsluiting en stilzwijgen. Het democratisch politieke proces hoort bijgevolg gelijktijdig thuis in twee sferen. Jacques Rancière definieert deze twee sferen als respectievelijk ‘het politieke’ en ‘de politie’ (de beleidsordening). Het democratisch politieke is de ruimte voor het uiten en bevestigen van verschil, voor het koesteren van het meningsverschil, voor het vooropstellen van gelijkheid van iedereen t.a.v. de beleidsongelijkheid. Elke beleidsinterventie die concreet geografisch of ecologisch wordt, is noodgedwonen gewelddadig door het democratisch politieke (minstens tijdelijk) af te sluiten, een bepaalde keuze voorop te stellen, een bepaald milieu te verkiezen, bepaalde sociaal-natuurlijke relaties te bevorderen, sommige naturen en volken wel en andere niet op de voorgrond te plaatsen, een specifiek gezichtspunt over wat een goed sociaal-fysieke ordening is hegemonisch te maken. De legitimering van deze keuzen kan niet berusten op het insluiten van de natuur in een legitimerende dienstverlening. Het politieke, en zeker het progressief politieke project, moet dit ten volle ondersteunen, een visie ontwikkelen en de onmogelijkheid van de niet-uitsluiting erkennen. Het voortbrengen van een nieuw en egalitair sociale en milieu-ordening impliceert fundamenteel politieke vragen en moet in politieke termen worden aangesproken en gelegitimeerd. Het milieu democratisch politiseren betekent bijgevolg dat de democratisch politieke inhoud wordt bevorderd door middel van strategieën die een gelijke verdeling van sociale macht en een meer egalitaire productiewijze van de natuur kunnen waarborgen. Het veronderstelt een eis voor echte democratie en een echt democratisch publieke ruimte (als ruimte voor de uiting van een agonistisch dispuut), als basis en voorwaarde voor een meer egalitaire sociaal-ecologische ordening, het benoemen van positief belichaamde ega-libertaire sociaal-ecologische toekomsten die meteen verwerkelijkt kunnen worden. Met andere worden, egalitaire ecologie gaat over eisen voor het onmogelijke en het verwezenlijken van het onwaarschijnlijke, en dit is precies de uitdaging van het antropoceen. Kortom, de politisering van het milieu is gestoeld op de onbepaaldheid van de natuur, de constitutieve verdeeldheid van het volk, de onvoorwaardelijke eisen van politieke gelijkheid, en de echte mogelijkheid voor de start van verschillende mogelijke publieke sociaal-ecologische toekomsten die de vooronderstelling van vrijheid en gelijkheid tot uitdrukking brengen. En dit zijn slechts enkele sleutelvragen en thema’s.

Erik Swyngedouw

(Uit ‘The non-political Politics of Climate Change’, vrij vertaald en bewerkt door Francine Mestrum