Privé-banken of overheidsbank, een vergelijking

3 Banks example 300
Facebooktwittergoogle_plusmail

Dit artikel beperkt zich tot een enkele kernzaken en is onder meer bedoeld voor de leden van de vaste commissie van financiën van deNederlandse Tweede Kamer, die 14 oktober a.s. een gesprek hebben met enkele initiatiefnemers van de stichting “Ons Geld”, die ijvert voor een publiek geldsysteem. [1]

Wij hebben momenteel een privé-banken systeem, dat specifieke kenmerken heeft zoals creatie van “geld” uit het niets en permanente “geld”-groei. Hier volgt eerst een korte beschrijving hoe een overheidsgeldsysteem er uit zou kunnen zien, al dan niet na enkele tussenstappen. [2]

Al het geld komt van de overheid

De overheid creëert geld en geeft het uit of leent het uit. In beide gevallen zullen de ontvangers het gebruiken om betalingen te verrichten. De ontvangers zullen het op hun beurt gebruiken. Zo circuleert het geld en komen met hetzelfde geld telkens nieuwe transacties tot stand.

Het geleende geld verdwijnt weer uit roulatie, wanneer de lener zijn lening aflost. Dan komt dat geld weer bij de overheid terug, die het (boekhoudkundig) “vernietigt”.

De overheid heft belastingen. Niet om uitgaven te bekostigen, want daarvoor creëert ze zelf het geld, maar om te voorkomen, dat de geldhoeveelheid blijft toenemen (= monetaire inflatie). Ook het geïnde belastinggeld wordt “vernietigd”.

Uitwerking

Vanuit bovenstaand principe kan het publieke geldsysteem verder uitgewerkt worden. Zo dient bijvoorbeeld de rol van het parlement, de rol van de banken en de rol van de belastingen nader gedefinieerd te worden. Die bepalen de uiteindelijke de rol en de werking van de overheidsbank.

Het parlement bepaalt het beleid en kan in de maatschappij gewenste effecten bereiken door opdracht te geven voor gerichte overheidsuitgaven en door gewenste investeringen goedkoop of gratis te maken. In een publiek systeem is het voor banken verboden banktegoeden te creëren om uit te lenen. Bij het verstrekken van leningen kunnen zij alleen een bemiddelende rol spelen tussen overheidsbank en publiek. Daarvoor ontvangen ze dan provisie, geen rente. De belastingen spelen een rol in de geldvernietiging en specifieke belastingmaatregelen kunnen helpen ophopingen in de geldcirculatie te vermijden.   Overheidsbank

De overheidsbank fungeert uiteindelijk als de verkeerscentrale, die real-time overzicht heeft op geldcreatie (overheidsuitgaven + leningen), instroom vanuit het buitenland, binnenlandse geldstromen en geparkeerd spaargeld, uitstroom naar het buitenland en geldvernietiging (belastingen + aflossingen).

Met financiële instrumenten, monetaire operaties en andere maatregelen kan de overheidsbank de gewenste geldcirculatie sturen. (Bijv. inkoop of verkoop van waardepapieren, inkoop of verkoop van buitenlandse valuta, versnelling of vertraging van voor dit doel aangewezen financieringen.)

Met een publiek geldsysteem kan de overheid (en de maatschappij) zich aanpassen aan politieke voorkeuren en aan veranderende situaties. De overheid kan: 1. de geldmassa verder laten groeien en economische groei blijven nastreven. 2. de geldmassa min of meer stabiel houden en inzetten op duurzaamheid en levenskwaliteit. (Een duurzame maatschappij veronderstelt een vermindering in grondstoffenverbruik en een vermindering van het aantal benodigde produkten door toename van kwaliteit.) 3. de geldmassa laten krimpen om bij een teruglopende bevolking de economie gaande te houden. Merk op, dat optie 2 en 3 in het huidige privé-bankensysteem tot faillissement van de banken leidt.   Toegang tot leningen

In een publiek geldsysteem hebben leners geen onderpand nodig. Wanbetalingen kunnen als belastingschuld afgehandeld worden. De overheidsbank heeft geen kapitaal nodig om verliezen op te vangen. Die komen immers met of zonder kapitaalvorming altijd voor rekening van de bevolking. Het parlement bepaalt het beleid voor de verstrekking van leningen. Voor zover men er voor kiest leningen met rente te belasten, kan de rente lager blijven. Wanneer lage rente in de internationale context ongewenst is, kan de rente fiscaal gecompenseerd worden.

Maatschappelijke belangen staan voorop

Bij een publiek geldsysteem ligt de focus op beschikbare arbeid en middelen, niet op de schaarste en kosten van geld.

Vergelijking met het huidige privé-bankensysteem

Momenteel zijn het de privé-banken, die steeds meer de maatschappij bepalen. Zij bepalen welke investeringen al dan niet gefinancierd worden. Daarbij kijken de banken naar hun eigen belangen, hun winstmogelijkheden en of de leners hun lening af kunnen lossen.

De zogenaamde geldcreatie uit het niets

Het privé-banken systeem is gebaseerd op “geld”-creatie uit het niets. [3] In feite gaat het hierbij niet om geld, maar om banktegoeden. De creatie bestaat uit een regeltje boekhouden bij het verstrekken van leningen. De bank schrijft aan de activa-kant de schuld van de lener en aan de passiva-kant een overeenkomstig tegoed. De lener beschikt nu over een tegoed van zijn bank.

Banktegoeden zonder geld

In theorie betekent een banktegoed, dat de houder het overeenkomstige geld bij zijn bank op kan eisen. Maar omdat banken de tegoeden creëren zonder over het overeenkomstige geld te beschikken, bestaat dit geld niet. Banken hebben voor alle gecreëerde tegoeden slechts een klein beetje geld, vaak tussen de 2 en 5 % van wat ze hun kanten schuldig zijn.

Een banktegoed is dus geen geld. Het is slechts een erkenning van de bank, dat die jou geld schuldig is, ook al bestaat dat geld niet. Je kunt dus met je banktegoed niet betalen. Je kunt alleen met een overschrijfformulier, bankpasje of via internetbankieren je bank opdracht geven betalingen voor je te verrichten.   Het echte geld

Het echte geld verkrijgen de banken door waardepapieren, zoals staatsobligaties, aan de centrale bank te verkopen.

Die schrijft de waarde dan bij op de rekening die de bank bij de centrale bank heeft. Zo komt het echte (officiële) geld tot stand.   De bank moet daarbij beloven, deze waardepapieren op een overeengekomen datum tegen een overeengekomen hogere prijs terug te kopen. Het prijsverschil lijkt op rente. Daarom wordt vaak gezegd, dat de banken het geld van de centrale bank lenen. De banken moeten dus onophoudelijk waardepapieren verkopen en terugkopen om over echt geld te beschikken.

Het echte geld bestaat dus in eerste instantie als getalletjes op rekeningen bij de centrale bank. Het echte geld kan door de banken ook opgenomen worden in de vorm van bankbiljetten. De centrale bank is de enige die ze mag (laten) drukken.

Het echte geld dient voor het betalingsverkeer tussen banken.en om klanten van bankbiljetten te voorzien, wanneer ze daarom vragen. Zo lang de voorraad strekt.

Betalingsverkeer

Wanneer de lener zijn tegoed van bank A besteedt en een auto koopt bij een rekeninghouder van bank B, moet bank A het bedrag betalen aan bank B en wel in echt geld, want banken onderling accepteren elkaars banktegoeden niet. De betaling verloopt daarom via een overboeking bij de centrale bank, waar de banken hun rekeningen met echt geld hebben. In de praktijk worden de meeste betalingen tussen de banken echter niet uitgevoerd. Ingaande en uitgaande betalingen worden tegen elkaar weggestreept.

Aan het einde van de dag worden alleen de kleine resterende verschillen daadwerkelijk overgeboekt. Zo kunnen banken met heel weinig echt geld een veelvoud aan betalingen verrichten.

Merk op, dat de begunstigden van onze betaalopdrachten nooit een betaling ontvangen. Zij ontvangen daarvoor in de plaats een tegoed van hun eigen bank, dat wil zeggen een claim op gebakken lucht.

Financiering van leningen

Banken doen het graag voorkomen, alsof zij voor leningen financieringskosten moeten maken, omdat zij het geld aan een andere bank over moeten maken. [4]

De praktijk is echter, dat alle banken doorlopend nieuwe leningen verstrekken en dat ook de daaruit voortkomende betalingen grotendeels tegen elkaar wegvallen.

Hier een voorbeeld met drie banken: We stellen dat er 3 banken zijn, die respectievelijk 20%, 30% en 50% van de bevolking bedienen. Aangenomen wordt, dat alle drie dezelfde soort klanten hebben, die dezelfde behoefte hebben aan leningen en bestedingen. Aangetoond wordt, dat alle betalingen die de banken moeten doen op het moment dat de lener zijn lening besteedt, wegvallen tegen de ontvangsten van deze bestedingen.

De leners van de eerste bank besteden 20% van hun leningen bij klanten van hun eigen bank, 30% bij klanten van bank 30% en 50% bij klanten van bank 50%. Enz. Als we de ontvangen bedragen uit alle leningen nu bij elkaar optellen, heeft elke bank evenveel ontvangen als dat hij heeft gecreëerd. Voilà, 100 miljoen aan nieuwe tegoeden op bankrekeningen zonder dat er een cent echt geld aan te pas is gekomen.

Het zou uiteraard puur toeval zijn, als bij 100 miljoen aan nieuwe leningen de financieringsbehoefte van elke individuele bank tot op de laatste cent weg valt. Er is echter meer: tegenover de verstrekking van nieuwe leningen staan meestal de aflossingen van oude leningen. De lener moet zorgen, dat het bedrag van de aflossing op tijd op zijn rekening gestort wordt. Op dat moment ontvangt de bank geld voor de aflossing, waar geen betalingsverplichting meer tegenover staat. Het geld belandt in de kas van de bank en de bank vermindert de schuld en het banktegoed van de lener. Het gecreëerde tegoed verdwijnt weer.

Zolang de individuele bank alleen de aflopende leningen vervangt door nieuwe, kan die het bedrag gewoon aan een andere bank betalen, wanneer dat toevallig een keertje niet weggestreept zou kunnen worden tegen een binnenkomende betaling.

Uitsluitend wanneer banken groeien zullen ze hun kasreserve moeten ophogen. Dan hebben we het over ongeveer 2 cent per “uitgeleende euro”, afhankelijk van de vereiste minimum kasreserve op dat moment.

Bankenregulatie

Banken hebben onderling regels afgesproken met betrekking tot het benodigde kapitaal. Iedere bank moet een minimum kapitaal hebben ten opzichte van de uitstaande schulden. (In de praktijk grofweg zo’n 5%). De centrale bank kan ook een minimum kasreserve bepalen. In z’n algemeenheid kan gesteld worden, dat deze regels ertoe bijdragen, dat de groei van de banken in concert verloopt, zodat het risico wordt verkleind, dat een individuele bank door een te snelle uitgifte van nieuwe leningen niet meer aan zijn betalingsverplichtingen kan voldoen. Voor het overige bieden deze regels nauwelijks garanties voor de klanten.

“Geld”-groei

Banken hebben een natuurlijke neiging om te groeien. Voor de individuele bankdirecteur komt het er op aan elk jaar weer betere cijfers te produceren. Om te groeien moeten niet alleen aflopende leningen vervangen worden door nieuwe, maar ook extra leningen worden verstrekt.

De leners moeten zorgen, dat zij de geleende bedragen verdienen en terugbetalen. Een probleem is, dat niet alle geleende bedragen in omloop blijven. Een aanzienlijke hoeveelheid belandt op spaarrekeningen.

Het staat daar geparkeerd en kan niet door de leners verdiend worden. Steeds meer leners moeten hun aflossingen zien te verdienen uit de banktegoeden die nog wel in omloop zijn, maar die ook al door de oorspronkelijke leners terugverdiend moeten worden. De oplossing voor de banken is het compenseren van de uitstroom van spaargeld met de verstrekking van nog meer nieuwe leningen. (Waardoor het voor onwetende economen lijkt, dat het spaargeld uitgeleend wordt.)

Meer dan 35% rente

Ook de rente moet moet uiteindelijk terugverdiend worden met het “geld” dat nog wel in omloop is, bij de verkoop van diensten en produkten. Helmut Creutz heeft op basis van Duitse gegevens berekend, dat inmiddels meer dan 35% van alles wat wij betalen rente is. [5]

Inflatie

De individuele bankier houdt zich er niet mee bezig of zijn geldgroei ook leidt tot meer economische activiteit. Tot de komst van de euro was het de rol van de centrale bank om de rentestand te beïnvloeden en zo de verstrekking van leningen af te remmen of te versnellen, zodanig, dat de inflatie in stand gehouden werd zonder uit te monden in hyperinflatie.

De inflatie heeft onder andere tot effect, dat de waarde van elke geldeenheid daalt, en daarmee ook de waarde van de hoofdsom die de lener terug moet betalen. Wanneer de rente 6% is en de inflatie 2%, is dat te vergelijken met een vermindering van de rentelast van 1/3. Op deze manier ontlopen de banken de wanbetalingen die op zouden treden bij een rente tussen 4 en 6%, oftewel het overgrote gedeelte.

Een teruglopende inflatie betekent voor de banken dus vrijwel onmiddellijk een gevaar voor een exponentiële toename in wanbetalingen.

Een eeuw geldgroei

Privé-banken moeten blijven groeien en inflatie veroorzaken om niet failliet te gaan.

Inflatie NL sinds 1800

Internationale afspraken kunnen de geldgroei belemmeren, zoals de Bretton Woods accoorden van 1944, waarin landen zich verplicht hadden hun wisselkoers constant te houden ten opzichte van de dollar. In 1971 was het uiteindelijk de VS zelf, die door de enorme uitgaven voor de Vietnam-oorlog niet meer aan zijn verplichtingen aan goudreserves kon voldoen en de dollar loskoppelde.

De jaren 70 werden vervolgens gekenmerkt door een enorme geldgroei met hoge rentestanden. Het probleem voor de banken was niet langer Bretton Woods, maar het vinden van betrouwbare leners, want zo langzamerhand waren alle betrouwbare leners al overladen met schulden.

In 1970 lanceerde Pierre Werner (Luxemburgse bankier, Eerste Minister en deelnemer aan de Bretton Woods conferentie) de eerste blauwdruk voor een gezamenlijke Europese munt, die het werkterrein van de grote banken in één klap enorm veel groter zou kunnen maken.

Die munt had tijd nodig en die hadden de banken niet. Dus werd er een plan bekokstoofd om regeringen van de G10-landen te overtuigen niet meer “renteloos” van hun centrale banken te lenen, maar tegen rente van privé-instellingen.   Vanaf 1974 stegen de staatsschulden explosief door het effect van rente op rente. Alleen al in Nederland kregen de banken zo een gratis manna van honderden miljarden euro’s, die nog steeds voort duurt.

De maatschappij werd totaal ontwricht. Publieke infrastructuur en overheidsdiensten moesten worden geprivatiseerd (wat de banken weer betrouwbare nieuwe leners opleverde) en een aanhoudende golf van bezuinigingen leidde tot de geleidelijke afbraak van maatschappelijke voorzieningen, sociale verworvenheden en tot de commercialisering van de zorg.

Privé-banken moeten blijven groeien, ook als we al verdrinken in de schulden, de rente niet meer kunnen betalen en de economie geen extra geld nodig heeft. Het reguleren van banken, de gratis manna van honderden miljarden euros en het creëren van een eurozone met ESM-bank veranderen daar niets aan.

Het groeisyndroom van privé-banken werkt als een niets-ontziend kankergezwel. Voor elke crisis kun je een aanleiding vinden. De structurele oorzaak zit echter in het systeem zelf.

Bijna alles, wat essentieel is voor de samenhang van de maatschappij is nu versnipperd geraakt.

Rudo de Ruijter, Onafhankelijk onderzoeker, 1 oktober 2015

Bronnen:

[1] www.onsgeld.nu

[2] Zie ook: Uit de euro, en dan?

[3] Money creation in the modern economy By Michael McLeay, Amar Radia and Ryland Thomas of the Bank’s Monetary Analysis Directorate. Website: Bank of England; zoekterm: Prereleasemoneycreation.pdf kopie: Prereleasemoneycreation.pdf

[4] Banken noemen de banktegoeden geld, terwijl deze maar voor een paar procent door geld gedekt zijn en je er niet mee kunt betalen. Ze beweren ook graag, dat elke lening gefinancierd moet worden. Zie Teunis Brosens, econoom bij de ING, voormalig medewerker AFM en DNB, in email-correspondentie met Ad Broere.http://adbroere.nl/web/nl/columns/in-gesprek-met-de-ing-over-geldschepping.php Zoekterm: “een individuele bank moet ieder krediet wel degelijk financieren”

[5] Helmut Creutz &http://www.vlado-do.de/ money/index.php.de