Wat kan ik doen? Na Calais …

Facebooktwittergoogle_plusmail

Na Calais: Bedenkingen over zelforganisatie en sociale verandering

 

‘Wat kan ik doen?’ Ik zal wel niet de enige zijn die deze vraag telkens opnieuw krijgt voorgeschoteld na een lezing over armoede of over ontwikkeling. Mijn antwoord is steevast: bijzonder weinig. En ook: maar wij kunnen samen heel veel doen. De burger als individu is inderdaad vrij machteloos, maar samen met anderen kunnen sterke bewegingen worden gevormd die kunnen zorgen voor sociale verandering.

 

De hulpactie naar Calais, zo hoor ik U al denken, was toch een gezamenlijke actie, een initiatief van mensen die dachten samen hun solidariteit te kunnen gaan uiten? Dat klopt, en dus is er meer aan de hand. Ik wil in dit artikel daarom kort twee punten behandelen: Wat is solidariteit, en wat is de bedoeling van een actie?

 

‘Solidariteit’ komt van het latijnse ‘solidus’ en verwijst naar een gedeelde verantwoordelijkheid t.a.v. schuldeisers. Voor de migranten die uit Afrika komen, speelt die schuldenlast inderdaad een rol in de levensstandaard die hun landen te bieden hebben, voor de vluchtelingen uit het Midden-Oosten en uit Azië veel minder. Die gedeelde verantwoordelijkheid wijst nog veel meer op een wederzijdse afhankelijkheid, we kunnen niet zonder elkaar, we zijn deel van een gemeenschappelijke mensheid. Hier komen we al iets dichter bij ‘de jungle’ van Calais, want er is niets, behalve onze materiële welstand, dat ons onderscheidt van de mensen die er in onaanvaardbare omstandigheden in leven trachten te blijven. Een derde kenmerk tenslotte zijn de symmetrische machtsverhoudingen waardoor we kunnen onderhandelen over hoe die gedeelde verantwoordelijkheid wordt ingevuld. En hier, zo is meteen duidelijk, staat solidariteit mijlenver af van de situatie in Calais, waar aan de ene kant relatief welstellende mensen goederen komen brengen en aan de andere kant, relatief hulpbehoevende mensen die goederen in ontvangst nemen.

 

Om maar te zeggen, de acties in Calais zijn geen blijk van onverdeelde solidariteit maar doen in veel aspecten meer denken aan liefdadigheid of, om een oude term te gebruiken, compassie en in newspeak empathie. Nu is er, zoals ik uitlegde in mijn artikel van twee weken geleden, niets mis met liefdadigheid wanneer die inderdaad beantwoordt aan een schrijnende humanitaire situatie. Hier speelt inderdaad onze gemeenschappelijke mensheid.  In zo’n situatie kunnen we concreet tonen wat dit betekent en hoe we willen werken aan betere levensomstandigheden.

 

Het Westen heeft ontzettend veel ervaring met humanitaire rampen en er werd de afgelopen weken ook herhaaldelijk verwezen naar de verantwoordelijkheid van West-Europa en de Verenigde Staten voor de chaos in het Midden-Oosten en al iets minder naar de verantwoordelijkheid voor het gebrek aan enig menswaardig perspectief in Afrika. Er is ook erg veel onderzoek naar hoe zo’n rampen kunnen of moeten aangepakt worden. Er is ook erg veel onderzoek naar hoe de zogenaamde ‘ontwikkeling’ of de zogenaamde ‘armoedebestrijding’ vaak tot situaties lijden waarin mensen met de allerbeste bedoelingen optreden, maar eigenlijk meer kwaad dan goed doen.

 

Om een lang verhaal kort te maken: mensen, al dan niet georganiseerd, kunnen heel veel doen om het leven van andere mensen te verbeteren, maar ze kunnen al veel minder doen om ook structurele veranderingen te bevorderen, of, om met grote woorden te spreken, ook de wereld te verbeteren. Totaal machteloos zijn burgers niet, maar in situaties die ergens anders verbetering vergen, zullen ze het zeker niet alleen aankunnen.

 

Terug naar Calais

 

Het is een ietwat lange inleiding om uit te leggen waar de ‘solidariteitsbeweging’ met de vluchtelingen en migranten toch best rekening mee houdt in de toekomst. Is dit belerend? Een beetje wel, ja, omdat iedereen meewerkt met de instrumenten die hij of zij heeft en ter beschikking wil stellen. Kritiek op een actie is geenszins een bewijs van ‘passiviteit’ of van leven in een ‘consensuswerkelijkheid’. Die kritiek, hoe onhandig ook verwoord, kan blijk geven van een gedeelde woede en verontwaardiging en ook van wanhoop, wanneer wordt vastgesteld dat eens te meer dezelfde goedbedoelde acties tot dezelfde onhandigheden leiden.

 

Wat ik afleid uit de diverse artikelen die de afgelopen week zijn verschenen, is dat alle fenomenen waar ik op wees zich inderdaad hebben voorgedaan. Met een konvooi van vijftig auto’s naar een vluchtelingenkamp rijden, en daar dan goederen gaan uitdelen, botst met de meest elementaire regels van de hulpverlening. Het is waanzin en wijst in eerste instantie op de asymmetrische machtsverhoudingen. Het gaat voorbij aan de waardigheid van mensen die geen goederen moeten ‘krijgen’, maar recht hebben op menswaardige leefomstandigheden. Vandaar dat noodgedwongen moet samengewerkt worden met plaatselijke organisaties die voor een degelijke verdeling van de hulpgoederen kunnen zorgen en vermijden dat sommigen worden uitgesloten of dat veel meteen in de winkeltjes terecht komt.

 

Ik heb uit die diverse artikelen ook geleerd dat sommigen de les al hebben geleerd en impliciet ook alles bevestigen wat ik had gevreesd. Anderen blijven echter triomfalistisch doen en beseffen blijkbaar niet dat een goedbedoelde actie niet voldoende is om efficiënt te zijn. Het is niet voldoende om – heel christelijk – de pijn van anderen te delen. Het morele superioriteitsgevoelen dat sommigen kenmerkt – ‘wij steken tenminste de handen uit de mouwen’ – is ongepast. Het is wat de Dalai Lama noemt: ‘iets doen voor een ander omdat we er zelf beter van worden’. Dat is inderdaad een stukje van de wederkerigheid waar solidariteit om draait, maar we moeten ons wel afvragen of het de beste wederkerigheid is.

 

En de bedoeling?

 

Waardoor we vanzelf aankomen bij de vraag wat nu precies de bedoeling van de acties is.

 

In het Wereld Sociaal Forum, waar ik voor werk, wordt telkens weer triomfalistisch gedaan over de bijzonder succesvolle actie van 2003, en vraagt men zich af hoe we dat nog een keer kunnen overdoen. In januari 2003 kwamen miljoenen mensen op straat, over de hele wereld, om te protesteren tegen de oorlog in Irak. Het was inderdaad een groot succes. Maar hielden we oorlog tegen? Neen. Het was dus géén groot succes. Wat de bewegingen bedoelen als ze over ‘succes’ spreken is de actie zelf, de wereldwijde organisatie van mensen.

 

Het komt me voor dat ook met de hulpverlening in Calais heel wat andere bedoelingen meespelen dan enkel die hulp. Er wordt gesproken over zelforganisatie. Het bijeenbrengen van mensen voor een of andere actie is inderdaad waardevol, maar staat wel helemaal los van de actie zelf en van wat men wil bereiken. Er wordt gesproken over druk op de regering(en). Ik durf er aan twijfelen, in eerste instantie omdat een Belgisch konvooi met hulpgoederen geen druk kan uitoefenen op de Franse regering of op het stadsbestuur van Calais. Dat leden van de Belgische regering hun discours gingen aanpassen had veel meer te maken met het aangespoelde jongetje in Turkije, dan met de tocht naar Calais. Bart De Wever was dan ook geniaal door meteen alle gevoelens van schuld en medeleven van tafel te vegen, ‘het is niet onze schuld’, wij kunnen voortdoen als tevoren. En kijkend naar wat in het Maximiliaanpark gebeurt, kan men niet anders dan vaststellen dat er heel wat goede acties ondernomen worden om mensen te helpen, maar dat de politieke bedoelingen bij de initiatiefnemers zelf niet ontbreken. En ik bedoel hiermee, niet zozeer druk uitoefenen op de regering om iets beters te bereiken voor de vluchtelingen, maar druk om de legitimiteit van de regering zelf in twijfel te trekken. Sommigen aarzelen niet om de vluchtelingen dan maar voor hun kar te spannen.

 

Vluchtelingen

 

Laat er geen onduidelijkheid over bestaan: de kampen hebben geen enkele bestaansreden, ze moeten zo snel als mogelijk verdwijnen. In Calais zijn duizenden mensen aanwezig  omdat ze leven met de meer en meer ijdele hoop ooit in het Verenigd Koninkrijk te geraken. De verantwoordelijkheid van de Britse regering, die de Franse politie haar werk laat doen, is verpletterend. De verantwoordelijkheid van de Belgische regering die er in Brussel niet in wil slagen de vluchtelingen meteen op te vangen, is eveneens oorverdovend. Zoals ik twee weken geleden al schreef: niets dan respect voor de mensen die zich belangeloos inzetten om de vluchtelingen te helpen. Het gaat hier inderdaad om onze gemeenschappelijke menselijkheid.

 

En dan?

 

De afgelopen weken hebben mijn indruk versterkt dat er ontzettend veel goede bedoelingen zijn, maar men niet altijd weet hoe daarmee om te gaan. Laat mijn bijdrage er o.m. in bestaan iets over te brengen van de vele lessen die ik in de armoedebestrijding, de ontwikkelingssamenwerking én de sociale bewegingen heb geleerd.

 

Indien men wil verder gaan met de hulpverlening in Calais, denk ik dat men, zeker in Gent, vandaag beter weet dan gisteren hoe en wat er moet gebeuren. Concurrentie tussen solidariteitsbewegingen is altijd fataal, het ‘uitdelen’ van goederen aan mensen die men niet kent is meestal zinloos. Humanitaire hulp is geen werk voor amateurs, laat staan voor politiek toerisme. Diegenen die men wil helpen zijn mensen, net als wij, en zij verdienen evenveel respect als de hulpverleners zelf. Al diegenen die er met foto- en filmcamera’s naar toe gaan moeten daar rekening mee houden.

 

Mensen helpen is één zaak, iets blijvend en structureel veranderen is een andere zaak. Hier laten de grenzen van de zelforganisatie zich zien. Burgers kunnen veel, maar ze kunnen niet alles. Acties zullen dan ook alleen maar echt succes hebben als ze voldoende druk kunnen uitoefenen op de overheid en indien ze, indien mogelijk, tot samenwerking met die overheid kunnen komen. Het initiatief om tot een stedennetwerk te komen rond de opvang van vluchtelingen moet daarom toegejuicht worden. Het overleg met de stad Gent is precies wat nodig is.  

 

Als ergens duidelijk wordt wat een ‘meerschalig beleid’ kan betekenen – zoals we met wijlen de Vooruitgroep verdedigden – dan zeker hier. Locale overheden kunnen helpen met opvang, nationale overheden zijn belangrijk voor het toekennen van een statuut, supranationale overheden, zoals in dit geval de EU, kunnen bijdragen tot een redelijke spreiding van de vluchtelingen, mondiale overheden zullen zich ernstig moeten bevragen over het beleid dat ze voorstaan, niet enkel militair en in conflictgebieden, maar evenzeer inzake zogenaamde ‘ontwikkeling’. Aan de vooravond van de VN-conferentie waar de ‘duurzame ontwikkelingsdoelstellingen’ zullen  goedgekeurd worden, is dit superbelangrijk. Bij ongewijzigd beleid kunnen ze weinig uithalen.

 

Indien, zoals wordt gezegd, de actie naar Calais heeft geleid tot het ontstaan of versterken van burgerbewegingen, ligt er nog heel wat werk op de plank.

 

Het eerste waar moet op aangedrongen worden, met name bij de EU, is de organisatie van veilig vervoer. De mensonterende – en levensgevaarlijke – omstandigheden waarin vluchtelingen tot hier geraken zijn onaanvaardbaar. Indien we weten dat nog honderdduizenden de tocht willen maken, moet gezorgd worden voor veilig en snel vervoer.

 

In eigen land zal in eerste instantie moeten gekeken worden naar het probleem van de huisvesting. Vluchtelingen hebben recht op een sociale woning, maar duizenden mensen staan al jarenlang op de wachtlijst. Het is niet meer dan normaal dat velen zich afvragen waarom ‘die vreemdelingen’ voorrang krijgen, en die zorg kan niet met alweer een superioriteitsgevoelen van ‘solidariteit’ van tafel worden geveegd. Het is een reëel probleem, waar sommige politieke partijen maar al te graag gebruik van maken. Het zou daarom goed kunnen zijn om in diverse steden een inventaris op te maken, in eerste instantie van mensen die tijdelijk een vluchteling in huis kunnen nemen, maar ook van de vele leegstaande woningen waar vaak niemand naar omkijkt.

 

Het tweede probleem is de arbeidsmarkt. Dat werkgevers vandaag staan de springen voor deze vluchtelingen heeft minder te maken met de hoge scholingsgraad van veel Syriërs, dan met de hoop ze goedkoper te kunnen inzetten. In een land met een werkloosheid van om en bij de 10 % zal ook dit ongetwijfeld tot tandengeknars leiden. De vakbonden wacht hier een moeilijke taak.

 

Het derde probleem hangt daarmee samen. Want niet alle mensen die vandaag aankomen, zullen een vluchtelingenstatuut krijgen. Velen worden afgewezen en uiteindelijk het land uit gezet, of eigenlijk, naar een ‘statuut’ van ‘illegaal’ verwezen. Ook deze mensen moeten overleven, met huisvesting en werk. Zij zullen, meer nog dan de erkende vluchtelingen, in concurrentie komen met de Belgische werknemers. Het is, eens te meer, een herinnering aan het feit dat we onze sociale bescherming dringend moeten herzien en dat armoedebestrijding weinig zin heeft als we de verarmingsprocessen niet kunnen stoppen.

 

En dit hangt alweer samen met de economische en sociale rechten die vluchtelingen en illegalen hebben. We spreken hier over universele mensenrechten, en het is dus onaanvaardbaar om een apart statuut uit te werken voor vluchtelingen of om anderen uit te sluiten van steun.

 

Tenslotte is er het onderwijs. De toevloed van jonge kinderen zal van de organiserende machten en vooral van de leerkrachten een grote inspanning vergen. Vrijwilligers zullen zeer welkom zijn om deze kinderen te begeleiden, maar dit vergt alweer een goede en professionele omkadering.

 

Tenslotte en niet het minst belangrijk is de oorzaak van deze vluchtelingenstroom. Verschillende regeringen denken vandaag hardop aan meer militaire actie, met meer dan waarschijnlijk nog meer humanitaire rampen tot gevolg. De wapens neerleggen, antwoorden de vredesbewegingen, en dat klinkt erg overtuigend. Maar wat met IS?  Moet/kan er mee onderhandeld worden? Ik denk dat het erg veel mensen zou helpen mocht er een duidelijker alternatief kunnen geboden worden.

 

Het zijn maar enkele taken waarin burgerorganisaties een grote rol kunnen spelen, met de hulp van professionele krachten. Ik hoop van harte dat het zal lukken en dat we er als samenleving inderdaad het beste kunnen van maken. Ik hoop ook dat de media met evenveel gezonde aandacht deze ontwikkelingen zullen willen blijven volgen. Vluchtelingen en migranten mogen geen speelbal worden van politieke bewegingen  – van partijen en burgers – die er hun eigen voordeel willen mee doen. We moeten erin slagen solidariteit aan de dag te leggen, zonder naïviteit, zonder romantisme, zonder zelfverheerlijking.

 

‘Solidariteit wacht niet op structuren’ aldus één van de initiatiefnemers van de tocht naar Calais. Ik ben het daar niet mee eens. Een eerste spontane hulpactie van zodra er een humanitaire ramp ontstaat, kan nodig en nuttig zijn. Het is de ‘petite bonté’ van Lévinas. Het drama in Calais duurt al jaren. Aan het Maximiliaanpark is de ochtendkoffie nog steeds welkom. Het zijn zuiver menselijke acties aan de grens van de solidariteit en ze verdienen alle respect. Maar duurzame en structurele solidariteit vraagt wel structuren, een professionele aanpak en druk op en, indien mogelijk, samenwerking met de overheid.

 

Ik ga er van uit dat alle progressieven uiteindelijk sociale verandering nastreven. Hiervoor zijn burgerinitiatieven van essentieel belang, maar is ook het duidelijk formuleren van een doelstelling om van daar uit een strategie te kunnen bepalen eveneens primordiaal. Spontaneïteit speelt een erg grote rol bij het ontstaan van bewegingen – denk aan de indignados – maar op termijn zijn organisatie en structuur noodzakelijk. De vele mislukkingen, zoals die van de andersmondialiseringsbeweging of de sociale fora moeten ons iets leren.

 

 ‘Good point, bad case’, zei een Vlaamse goeroe vorige week. Ik denk dat hij gelijk had. Indien ik iemand heb gekwetst met soms al té spitante opmerkingen, dan wil ik me verontschuldigen. Schrijf ze toe aan de woede, de machteloosheid en de wanhoop die velen met mij delen. Sommigen reageren met ‘doen’, dat is begrijpelijk, maar niet altijd de beste oplossing. Dat is wat ik wilde zeggen. En wie iets wil doén, kan best aansluiten bij één van de erg talrijke verenigingen die in dit land aan duurzame verandering werken.

 

Francine Mestrum

 

Francine Mestrum is doctor in de sociale wetenschappen en doet onderzoek naar sociale rechtvaardigheid, ontwikkeling en samenwerking, armoede, ongelijkheid en mondialisering. Zij is voorzitter van het mondiale netwerk van Global Social Justice (www.globalsocialjustice.eu) en werkt momenteel aan een project voor ‘social commons’ (www.socialcommons.eu ) voor een transformatieve en universele sociale bescherming.