Libanees ‘You Stink’-protest gevolg van aanslepende politieke verlamming

libanon you stink2
Facebooktwittergoogle_plusmail

Libanon was deze zomer het toneel van een wekenlang durend straatprotest. Wat begon als een reactie op de stapels huisvuil die niet meer werden opgehaald, evolueerde tot een algemene aanklacht tegen de politieke klasse. De manifestanten verwijten de politieke machthebbers nepotisme en het nastreven van eigenbelang. Het land sleept zich al jaren van de ene politieke crisis naar de andere. De oorlog in buurland Syrië en de grote toevloed van vluchtelingen hebben de situatie alleen maar verergerd.

 

Directe aanleiding voor de grote protestmanifestaties onder de slogan ‘You Stink’, is een dispuut over huisvuilophaling. De belangrijkste vuilnisbelt in de buurt van Beiroet is overvol en het overheidscontract met het afvalverwerkingsbedrijf Sukleen is afgelopen. Hoewel dat al lang bekend was, slaagde de regering er niet in om tot een nieuw contract te komen. Het betrokken bedrijf Sukleen heeft nauwe banden met de machtige Hariri-familie van de voormalige premiers Rafik en (zoon) Saad Hariri. Sukleen gedraagt zich als een monopolist en rekent veel te hoge prijzen aan, zo luiden de klachten. Het heeft ook een bedenkelijke reputatie op vlak van milieu en leefde de contractuele bepalingen voor een milieuvriendelijkere afvalverwerking niet na. De afvalcrisis is slechts de laatste uitdrukking van de gebrekkige dienstverlening in het land. Zo kampt Libanon 25 jaar na de burgeroorlog (1975-1990) nog altijd met talrijke, soms langdurige, stroomonderbrekingen. Op de achtergrond speelt de rivaliteit binnen de politieke kaste. Die is langs sektarische lijnen opgedeeld, wat vooral de laatste jaren opnieuw erg verlammend werkt op het politieke bestel.

 

Sektarisme

Het sektarisme is een oud zeer in het land. De Franse kolonisator voerde een verdeel- en heerspolitiek en deelde bijgevolg zijn mandaatgebied (Syrië en Libanon, 1923-1943) grotendeels langs etnisch-culturele lijnen in, daarbij actief voortbouwend op reeds bestaande tegenstellingen. Hoewel Libanon aanvankelijk voorbestemd was als een christelijke enclave in de regio, kozen de Fransen toch voor de creatie van ‘Groter Libanon’: de christelijke en druzische gebieden van de Ottomaanse provincie ‘Libanongebergte’ werden samengevoegd met districten waar ook andere bevolkingsgroepen leefden (Tripoli, Sidon en de Bekaa), hoewel die hun toekomst zelf liever zagen binnen ‘Groot-Syrië’. Onder de etnisch, cultureel en religieus verdeelde bevolking van het koloniale Libanon heerste grote onenigheid over de nationale identiteit. Na de onafhankelijkheid kozen christelijke politieke protagonisten voor een pro-westerse koers, terwijl de meeste moslims zich aangetrokken voelden tot het Arabisch nationalisme, zoals gepropageerd door de Egyptische president Nasser.

De confessionele diversiteit van de Libanese bevolking werd bij de onafhankelijkheid institutioneel verankerd via een Nationaal Pact (1943) met verdeelsleutels voor belangrijke politieke posten en parlementszetels langs religieus-culturele lijnen. Zo geldt tot vandaag de regel dat de president een christen, de premier een soenniet en de parlementsvoorzitter een sjiiet moet zijn. De christenen kregen op basis van een volkstelling uit 1932 de meerderheid van de parlementszetels toegewezen. Demografische ontwikkelingen zorgden er echter voor dat de verdeelsleutel van dit statische confessionele systeem de realiteit niet meer weerspiegelde (de christenen werden een minderheid). De achterhaalde politieke architectuur zorgde voor een groeiend ongenoegen bij degenen die er zich door benadeeld voelden. Het resultaat was een burgeroorlog. Hoewel pogingen om het confessioneel systeem af te schaffen al de hele naoorlogse geschiedenis centraal staan, veranderde er uiteindelijk weinig. De akkoorden van Taif (november 1989), die een einde maakten aan de bloedige Libanese burgeroorlog (1975-1990), herstelden weliswaar de institutionele onevenwichten, maar bevestigden wel de sektarische principes van het politieke systeem.

 

Corruptie en nepotisme

De jongste jaren kampt Libanon opnieuw met een zich verdiepende crisis ten gevolge van de sektarische rivaliteiten die het land nooit hebben verlaten. Eerst en vooral is er de scherpe politieke crisis. Het land zit al meer dan een jaar zonder president, terwijl het Libanese parlement zijn mandaat al tweemaal heeft verlengd zonder verkiezingen wegens een gebrek aan overeenstemming over hervormingen van het kiessysteem. Het land zou ook te onveilig zijn om verkiezingen te organiseren. Ten tweede heerst er een toenemende ontevredenheid bij de bevolking over de leidende politieke kaste (over confessionele grenzen heen) die slecht bestuur, corruptie, cliëntelisme en nepotisme wordt verweten. De publieke dienstverlening zou ten gevolge hiervan, heel wat te wensen overlaten. De Libanese manifestanten klagen aan dat politieke machtsposities worden verzilverd in economische voordelen, terwijl heel veel mensen amper de eindjes aan elkaar kunnen knopen. Dat is nog verergerd door de enorme instroom van vluchtelingen uit buurland Syrië – meteen ook de derde crisis waarmee Libanon momenteel geconfronteerd wordt. Ten slotte heeft de sektarisch logica in het land een nieuwe boost gekregen via de actieve inmenging van Libanese milities en militanten in het Syrische conflict.

 

Politieke verlamming

Na de moord op voormalig premier Hariri in 2005 geraakte Libanon verdeeld in twee grote politieke allianties: een pro-Syrische en een anti-Syrische. Al sinds de beëindiging van de burgeroorlog werd Libanon de facto gecontroleerd door Syrië, dat een permanente militaire aanwezigheid had in het land. Internationale druk en anti-Syrische protestmanifestaties zorgden er voor dat Syrië zijn troepen uit Libanon moest terugtrekken. In de ogen van de pro-Syrische 8-Maart-alliantie, met (de sjiitische) Hezbollah en de christelijke Vrije Patriottische Beweging als belangrijkste componenten, was het vertrek van Syrië een gevolg van Amerikaanse en Israëlische inmenging met het oog op het verzwakken van het (Hezbollah-)verzet tegen Israël. De burgeroorlog in buurland Syrië verscherpte de tegenstelling tussen de twee Libanese kampen nog. Hezbollah die over een machtige gewapende militie beschikt, schoot het Syrische regime militair ter hulp. Dat zorgde voor gefrustreerde reacties bij Libanese soennieten die de –grotendeels soennitische- oppositie in Syrië steunen en Hezbollah verweten Libanon mee te sleuren in de Syrische burgeroorlog. Hoewel de effectieve inmenging van Libanese soennieten in Syrië beperkt bleef, verschenen er in Libanon zelf radicale soennitische islamisten die een gewelddadige campagne startten. In 2013 en 2014 voerden ze verschillende zelfmoord- en andere aanslagen uit die vooral gericht waren tegen Hezbollah-strijders, sjiitische wijken, Iraanse doelwitten en het Libanese leger. De zelfmoordaanslagen zorgden dan weer voor de legitimatie aan sjiitische zijde voor extra veiligheidsmaatregelen, zoals het invoeren van controleposten en gewapende patrouilles.

De verscherpte tegenstellingen bemoeilijken de verkiezing van een nieuwe president, een post die traditioneel toekomt aan de christenen. De twee belangrijkste christelijke partijen (de Libanese Krachten van Samir Geagea en de Vrije Patriottische Beweging van Michel Aoun) bevinden zich echter in de twee tegengestelde politieke kampen. De president moet met een tweederde meerderheid verkozen worden door het parlement, maar sinds april 2014 zijn daartoe al een 25-tal vergeefse pogingen ondernomen. Ofwel werd de vereiste meerderheid, ofwel het vereiste quorum niet bereikt. Geen van de kampen lijkt te willen inbinden. De belangrijkste soenni-partij (de Toekomstbeweging) zorgde voor de complete impasse door te verklaren dat het weigerde in te stemmen met nieuwe parlementsverkiezingen zolang er geen president is verkozen. Normaal moesten er parlementsverkiezingen gehouden worden in het voorjaar van 2013, maar na een eerste verlenging met 17 maanden, stemde het parlement in november 2014 een wet die het mandaat met nog eens 31 maanden verlengde tot eind juni 2017. Verschillende parlementsleden gaven de verslechterde veiligheidssituatie op als een belangrijke reden om de verkiezingen uit te stellen, maar er heerst ook grote onenigheid over hervorming van de kieswet. Parlementsleden worden ervan beschuldigd hun eigen belang boven het algemeen belang te plaatsen, maar hun positie blijft onaantastbaar. Een recent rapport van de International Crisis Group vat het als volgt samen: “Volksvertegenwoordigers maken zichzelf onmisbaar voor de kiezers, juist vanwege de tekortkomingen van de staat: hun aanwezigheid in de staatsinstellingen verzekert een zekere mate van herverdeling via hun patronagenetwerken (die politieke-, sociale-, economische-, juridische- en veiligheidsdimensies kunnen hebben) en een graad van stabiliteit (aangezien ze een gezamenlijk belang hebben bij het tegengaan, of minstens het uitstellen, van de ineenstorting van de machtsstructuren waar ze gezamenlijk van moeten leven). Met andere woorden: leden van de politieke klasse houden de staat weliswaar zwak, maar zorgen er ook voor dat hij min of meer overeind blijft.”

 

Vluchtelingencrisis

De fragiliteit van dit Libanese politieke en economische landschap komt nu dus extra onder druk te staan omdat meer dan 1,1 miljoen vluchtelingen moeten worden opgevangen. Hoewel er sprake is van een grote solidariteit bij de Libische bevolking voor de Syrische vluchtelingen, zijn ze in toenemende mate het slachtoffer van aanvallen en discriminatie.

De Syrische vluchtelingen zorgen immers voor extra druk op de arbeidsmarkt en de sociale voorzieningen. Volgens de Wereldbank lijdt Libanon zware economische verliezen (een daling van 2,9% van het BBP), is 10% van de jobs in Libanon verloren gegaan en heeft het land alleen al om onderwijs te kunnen voorzien voor de jonge Syrische vluchtelingen rond de 400 miljoen dollar extra nodig. In april 2015 heeft de Libanese regering de toegang tot het grondgebied voor vluchtelingen aan zware restricties onderworpen. Dit maakt dat velen van hen zich niet meer laten registreren en dat ze in moeilijke omstandigheden moeten overleven. 75% van de Syrische vluchtelingenkinderen vindt de weg niet naar de schoolbanken. Libanon hanteert een ‘no-camp’-beleid waardoor de vluchtelingen verspreid leven over 1.700 verschillende locaties. De steden en gemeenten zijn verantwoordelijk voor hun basisvoorzieningen, maar hebben daar meestal niet de middelen voor.

Dit artikel is verschenen in het Tijdschrift Vrede, nr 435 (sep-okt 2015)

 

Zie ook:

Straatprotesten Libanon trotseren brutale repressie
Libanon: vluchtelingencrisis vergroot politieke instabiliteit

Ludo De Brabander studeerde pers- en communicatie aan de Universiteit Gent. Sinds 1995 werkt hij voor Vrede vzw, een linkse vredesorganisatie met kantoor in Gent. Tegenwoordig is hij er de woordvoerder. Hij is auteur van o.m. 'Als de NAVO de passie preekt' (EPO, 2009 - samen met Georges Spriet) en 'Oorlog zonder grenzen' (EPO, 2016). Hij is van bij de start (1999) redactielid van Uitpers