De impasse van de Europese integratie en de linkerzijde

MV5BMTcwMDAxNDc3NF5BMl5BanBnXkFtZTcwNzQ0NjkyMQ. V1 UX100 CR00100100 AL
Facebooktwittergoogle_plusmail

Over de schande van het ‘akkoord’ met Griekenland hoeft niet veel meer gezegd te worden. Griekenland ondergaat, zoals veel derdewereldlanden, het dictaat van de schuldeisers. Een eindeloos soberheidsbeleid ten koste van gewone mensen, steun aan het ‘ondernemerschap’, uitholling van democratische, parlementaire procedures, uitverkoop van het staatsbezit, afbouw van het arbeidsrecht, verlies van soevereiniteit … Premier Tsipras werd het mes op de keel gezet. De legitimiteit van de Europese Unie kreeg alweer een flinke knauw.

De eerste radicaal-linkse partij die in de Europese Unie aan de macht kwam is inmiddels uiteen gevallen.  Aan de komende Griekse verkiezingen zullen drie linkse partijen deelnemen, plus de sociaal-democratie. Dit belooft weinig goeds. De hoofdopdracht van Tsipras wordt nu, tenminste als hij kan blijven regeren, de hervorming van de staat. Achteraf bekeken was zijn opdracht gewoon onhaalbaar: wat kan een radicaal-linkse regering doen in een rechts en corrupt staatsapparaat, met vijandige externe instellingen? Spreken van ‘verraad’ is dan ook ongepast.

In dit artikel wil ik me afvragen hoe het nu verder moet – of niet – met de Europese integratie en hoe de linkerzijde zich in dit debat kan opstellen.

Een doodlopend straatje?

Waar moet het met de Europese Unie naar toe? Dat het integratieproject al lang niet meer ‘vrede en democratie’ nastreeft zoals het officiële discours ons nog wil laten geloven, mag duidelijk zijn. De democratie die op nationaal vlak werd uitgehold, werd onvoldoende gecompenseerd op Europees niveau. Door de competitiviteit centraal te stellen, kwamen Lidstaten met elkaar in botsing in plaats van tot meer samenwerking. Zelfs werknemers in verschillende landen moeten met elkaar concurreren. Bedrijven trekken naar de landen waar de fiscale en sociale lasten het laagst zijn of halen werknemers uit ‘goedkopere’ landen naar hier. De vluchtelingen- en migrantencrisis maakt duidelijk dat de wil tot samenwerking trouwens ontbreekt.

De muntunie, zo werd destijds gezegd, zou de politieke unie vorm geven en versterken. We weten nu dat dit niet waar is en dat sommigen, met name de Duitse minister van financiën, er met plezier sommige landen zou uit kieperen. Een muntunie vergt gemeenschappelijke regels, o.m. op het vlak van begroting en schuldenlast en een vergelijkbaar macro-economisch beleid. Helaas zijn die regels zo opgesteld dat velen ze niet kúnnen naleven. Bovendien weigerde men, en blijft men weigeren, om solidariteitsmechanismen in te bouwen.

De oplossingen voor die problemen liggen voor de hand: méér politieke unie, méér solidariteit, méér democratie. Andere regels voor de economisch-monetaire unie en voor de Europese centrale bank. Helaas is door het kortzichtige beleid van de afgelopen jaren het vertrouwen in de Unie zo sterk ondermijnd, dat geen enkele regering het nog aandurft om voor méér integratie te pleiten, mocht men dat al willen. Ook de geopolitieke situatie veranderde. Door de val van de Muur is de politieke behoefte aan een ééngemaakt Europa minder groot. In sommige dossiers zijn de landen niet meer op één lijn te krijgen. Dit is erg duidelijk in het probleem met Oekraïne en Rusland. Dit, samen met de invloed van het neoliberalisme zorgde er voor dat meer en meer landen een nationalere koers gingen varen.

Het duidelijkst is dit te zien in het landbouwbeleid. Vroeger één van de steunpilaren van het Europese beleid, is dat nu grotendeels ontmanteld en schreeuwen de veehouders en de melkproducenten om nieuwe normen.

Bij de Europese Commissie is men bezig met het bestuderen van alle normen en reguleringen die ‘mogen verdwijnen’, in naam van een strijd tegen de nodeloze bureaucratie. Terwijl Kanselier Merkel de al lang aan de gang zijnde marginalisering van de Europese Commissie nog wil versterken. Aan het uiteindelijk ‘akkoord’ met Griekenland, kwam de Commissie nog nauwelijks te pas. Het Europees parlement draait met zijn vingers, want er is nagenoeg geen nieuwe wetgeving te bestuderen.

Deze week zijn de onderhandelingen begonnen tussen de Europese Commissie en het Verenigd Koninkrijk. Cameron wil volgend jaar een referendum organiseren over het lidmaatschap van zijn land in de EU en wil daarvoor eerst een aantal toegevingen krijgen, met name over het vrij verkeer van werknemers en bij uitbreiding ook Schengen (hoewel zijn land daar geen lid van is), en over de bevoegdheden van de Europese Commissie. En laten dit nu precies de punten zijn waar ook Merkel oren naar heeft. Juncker zit niet vast op zijn stoel. En voor wie denkt dat alle kwaad juist van de Europese Commissie komt, het kan altijd nog erger.

Heel wat progressieve groepen zullen deze evolutie niet betreuren. Ze zagen altijd al in de Europese Commissie de grote stoorzender, de ‘machtigste instelling’ van de EU, de supranationale entiteit die de soevereiniteit van de Lidstaten beknotte. Maar hoe een inter-gouvernementele instelling met 28 landen moet werken, weet niemand. Al jarenlang draait de Raad vierkant. De Commissie is de instelling die, net zoals het Europees Parlement, een ‘Europees belang’ verdedigt, en hoe ongelukkig we ook mogen zijn met de manier waarop dat ‘Europees belang’ wordt bepaald, we moeten beseffen dat met een Raad waar 28 nationale belangen worden verdedigd, er weinig vooruitgang mogelijk is.

Het is een catch-22 situatie geworden. Er is méér integratie en politieke samenwerking nodig, maar de publieke opinie laat dit niet toe. Er is méér Europese regelgeving nodig, maar de Lidstaten verdedigen liever hun eigen belangen. Zoals al kon worden voorspeld met het Verdrag van Maastricht heeft de manier waarop de politieke en de economisch-monetaire unie vorm kregen, gezorgd voor het uit elkaar spelen van de Lidstaten, voor divergentie in plaats van convergentie. Kan dit nog worden recht getrokken? Kan er een breuk met het neoliberalisme worden afgedwongen?

De toekomst is moeilijk te voorspellen. De vluchtelingen- en migrantencrisis zorgt voor uitspraken van politici die weinig goeds voorspellen. Er zijn in theorie drie mogelijkheden: ofwel wordt een stap gezet naar méér integratie en solidariteit, maar zoals reeds gezegd, is dit weinig waarschijnlijk. Ofwel valt de EU langzaam uit elkaar, bij gebrek aan inzet en belangstelling van de Lidstaten. Het Verenigd Koninkrijk, Nederland, Finland, een aantal Midden-Europese landen, voor hen hoeft het allemaal niet echt. Ofwel, en dit maakt wellicht het meeste kans, redt men wat in hun ogen het belangrijkst is: de interne markt voor goederen, kapitaal en diensten. Dat project is nog niet af en er kunnen nog heel wat overheidsdiensten geprivatiseerd en geïnternationaliseerd worden. Op termijn kan Griekenland uit de Euro gezet worden, en wie weet zelfs Italië en Spanje. Ook Frankrijk is een probleem als het blijft vasthouden aan zijn overheidsbedrijven en zijn verzorgingsstaat, als het zijn begrotingstekort niet onder controle krijgt. De EU blijft dan als economische entiteit bestaan, de politieke Unie verdwijnt naar de achtergrond, net genoeg om de NAVO niet te verontrusten. Tussen haakjes, bewijzen zijn er niet, maar er zijn redenen om te veronderstellen dat het vooral de druk vanuit de VS is geweest die Griekenland in de eurozone heeft gehouden, en Merkel heeft doen afzien van verdere steun aan Schäuble.

Het is een scenario, niet meer dan dat. In de toekomst kijken is altijd koffiedik kijken.

Het bergpad van de linkerzijde

Voor de linkerzijde is het probleem groter dan ooit. Ze heeft het nooit goed weten te vinden met de EU, van bij haar ontstaan eind van de jaren ’50. Blind voor de vele verschillende vaders die het integratieproject heeft, zag ze vaak enkel het ‘anti-communisme’, de hand van de Verenigde Staten en van het bedrijfsleven.

Het verklaart waarom er zo hard campagne werd gevoerd tegen het ontwerp van grondwettelijk verdrag in 2005. Pas de jongste jaren is er stilaan verandering gekomen, onder druk van de bestaande realiteit. Men begon zich af te vragen hoe men met en in de instellingen kon werken, zonder het verzet tegen het inmiddels neoliberale beleid op te geven.

In alle radicaal-linkse partijen en groeperingen in de Europese Unie loopt er een scheidingslijn, er dwars door heen. Een deel is pro-Europees en is dus bereid om te werken aan een alternatief binnen de bestaande verdragen en instellingen – ook al wil men ze veranderen -, een ander deel wijst de verdragen en instellingen sowieso af en pleit voor een ‘ander’ Europa. Een probleem is dat velen die tot de tweede strekking behoren, nooit tot een dynamische analyse van de instellingen zijn gekomen. Ze wijzen op het anti-democratisch karakter van de EU en op haar ‘neoliberaal ADN’, vergetend dat de EU van vóór Maastricht een heel ander beleid voerde. Vandaar dat velen vandaag voortdurend spreken over ‘de maskers die afvallen’ of over ‘het ware gelaat’ van de EU. Alsof niet elke politieke instelling, altijd en overal, een weerspiegeling is van de machtsverhoudingen in de landen en samenlevingen zelf. Of met andere woorden, instellingen veranderen, naarmate de machtsverhoudingen veranderen. Zonder andere machtsverhoudingen is het onmogelijk om de verdragen én de instellingen –zoals de ECB – in progressieve zin om te buigen. Té vaak gaat de linkerzijde voorbij aan het feit dat ze nergens nog maar in de buurt komt van een ernstige parlementaire vertegenwoordiging, laat staan een meerderheid.

Met het aantreden van Syriza en het groeiend succes van Podemos in Spanje kwam er een lichte verandering. Sommige, van oudsher anti-Europese partijen begonnen te beseffen dat ze ook in het Europese project konden werken. Nu Syriza is mislukt, liggen de oude argumenten uiteraard klaar om meeteen een oordeel te vellen: de EU kan niet worden hervormd.

Het betekent dat velen nu denken dat enkel een ‘exit’ uit de euro soelaas kan bieden en dat zelfs het verlaten van de EU verdedigbaar is. Gelet op het debacle in Griekenland is zo’n standpunt begrijpelijk, maar daarom niet minder problematisch. Men kan Tsipras verwijten geen ‘plan B’ achter de hand te hebben gehouden, maar het is ook mogelijk dat hij na een grondige analyse, met Varoufakis die tot een ander besluit kwam, heeft besloten het avontuur van de grexit niet te wagen.

Wat het derde ‘hulppaket’ voor Griekenland betekent, weten we min of meer. Het wordt bloed, zweet en tranen en wellicht niet eens een oplossing. Wat de grexit betekent, weet niemand. Een sterke devaluatie van de nieuwe munt, een faillissement van de banken, het stopzetten van de schuldafbetalingen met daaraan gekoppeld het sluiten van de financiële markten. Voor een land dat zo sterk als Griekenland afhankelijk is van import, voorwaar geen fraai vooruitzicht. Het wordt óók bloed, zweet en tranen, maar men zou kunnen zeggen, tenminste met het hoofd rechtop. Zonder vernedering. Het is geen gemakkelijke keuze.

Probleem is dat niemand echt een alternatief heeft. Het ‘plan B’ van CADTM kan niet overtuigen, omdat het moeilijk is de activa van de vermogenden in beslag te nemen (ze zitten meestal in het buitenland), omdat een ‘operatie Gutt’ waarbij een deel van de inkomens door de overheid in beslag wordt genomen, niet echt van een leien dakje kan lopen, en omdat een belasting op de grote reders en op de kerk niet te overziene gevolgen kan hebben. Het is geen toeval dat Tsipras dat niet heeft overwogen. Tel daarbij dat de Griekse economie vandaag al is lam gelegd. Het invoeren van parallelle munten neemt ook heel wat handelingsvrijheid weg van de mensen die geïmporteerde goederen, zoals voeding en medicijnen, nodig hebben. Het schuldenprobleem wordt met een grexit niet opgelost. De reactie van de financiële markten is voorspelbaar.

Varoufakis is voorzichtiger. Tijdens zijn bezoek aan Frankrijk in augustus sprak hij van vier acties, zonder de euro te verlaten maar een grexit ook niet uit te sluiten: Europees beheer van de schuldenlast, een Europees rechtsgebied voor de banken, een Europees investeringplan en een programma voor het bestrijden van de armoede met de winsten van de ECB. Hij stelt tevens voor om een brede Europese sociale beweging op te zetten, een radicaal links netwerk met een gemeenschappelijke agenda.

Er is nog veel in beweging en het is riskant al meteen conclusies te trekken. Maar als men ziet dat een aantal linkse bewegingen met een duidelijk anti-EU houding zich meteen kandidaat stellen voor zo’n beweging, dan weet je dat er ook risico’s zijn.

Eén van de grote moeilijkheden om een grote Europese sociale  beweging te vormen is precies het gebrek aan duidelijke agenda, waardoor er ook geen duidelijke strategie kan bepaald worden. Iedereen kan pleiten voor een ‘democratisch en sociaal Europa’, maar niemand weet en kan concreet uitleggen wat het betekent. Voor sommigen moet rekening gehouden worden met de bestaande realiteit en moet de democratische strijd voor een ‘ander Europa’ met en binnen de bestaande instellingen worden gevoerd, voor anderen moet die bestaande realiteit op een hoopje worden geveegd. Of er dan nog ruimte over blijft voor enige Europese integratie is niet altijd duidelijk. Om een voorbeeld te geven van wat ik een moeilijke en pijnlijke discussie vond: tijdens de bespreking van de gemeenschappelijke tekst voor de ‘alter-summit’ in 2013, was het voor de Denen onmogelijk om te spreken over een noodzakelijke ‘sociale convergentie’.

Een tweede moeilijk punt, vooral voor de Fransen, is dat van de nationale soevereiniteit. Het is duidelijk dat elk project van integratie en zeker een gemeenschappelijke munt, een verlies van nationale soevereiniteit inhoudt. Over sommige zaken wordt samen beslist, en met de euro gaat het wel degelijk over afstand van beslissingsrecht, de landen hebben geen enkele ruimte meer om zelf te beslissen over hun monetair beleid.  Er valt erg veel over te zeggen , maar laat ik me hier beperken tot twee punten: ten eerste ligt het probleem niet zozeer bij de beperking van de soevereiniteit zelf, als bij de manier waarop, als bij de neoliberale regels die zijn afgesproken. Op dat vlak liep het mis van bij het verdrag van Maastricht met de zogenaamde ‘convergentiecriteria’ en is het zeker misgelopen met de ‘six pack’, de two pack’ en het begrotingsverdrag. Ook het statuut en de opdracht van de zogenaamd totale onafhankelijke ECB zijn onaanvaardbaar. Ten tweede moet men zich afvragen in hoeverre ‘nationale soevereiniteit’ in een gemondialiseerde wereld nog mogelijk of wenselijk is. En daarbij hoort de vraag of socialisme in één land mogelijk is. Het antwoord is twee keer duidelijk neen. Als Griekenland kiest voor een grexit, valt het ten prooi aan de financiële markten die het land kunnen verstikken. De economische problemen zijn het zwakke punt van alle linkse of progressieve projecten, van de Zapatisten tot Syriza, over Ecuador en Brazilië.

Hoe moet het dan verder?

Er is nog steeds geen duidelijk en haalbaar ‘plan B’, er is nog geen alternatief, behalve het lange-termijnproject van Varoufakis. Het punt van de ‘gemeenschappelijke munt’ naast bestaande nationale munten, zoals verdedigd door sommige ‘économistes atterrés’ in Frankrijk, moet zeker verder besproken worden. Het is zeker interessanter dan parallelle locale munten. Hoe het Syriza verder vergaat zullen de verkiezingen uitwijzen, maar zeker niet alles is verloren, en Syriza heeft de enorm grote verdienste dat ze de ideologische dimensie en de onaanvaardbare dictatuur van de Europese Unie heeft bloot gelegd. Dat is erg belangrijk. Podemos zal wellicht de verkiezingen niet winnen, maar kan verder groeien. In Groot-Brittannië wordt de deur opengezet voor een verlinksing van de arbeiderspartij. Als Corbyn zijn programma tegen de volgende verkiezingen kan afstellen op de vragen en behoeften van de jonge generaties, dan is ook daar hoop gecreëerd. Idem voor wat in Vlaanderen met de PvdA gebeurt en de mogelijk brede progressieve samenwerking met Groen en Spa.

Het is zeer duidelijk dat er momenteel een maatschappelijke vraag naar een progressief alternatief bestaat in de Europese landen. Wat veel linkse partijen echter blijvend onderschatten is het gebrek aan geloofwaardigheid van de linkse ideologie bij het grote publiek. Het is een illusie te denken dat de 38 % die Syriza won in de verkiezingen van januari 2015, van linkse overtuigden kwam. Het is een nog grotere illusie te denken dat de 62 % van ‘oxi’-stemmers van links kwamen. Het probleem kan enkel overwonnen worden door het programma aan te passen en de mensen te bieden wat ze het meest nodig hebben: economische en sociale zekerheid, mensenrechten die economische en sociale rechten zijn, banen, degelijke lonen, pensioenen, een ziekteverzekering, een degelijk programma van sociale bescherming dat kan leiden tot een aanpassing van de economische programma’s. In die zin zijn de nieuwe coöperatieve bewegingen en de deeleconomie erg nuttige initiatieven. Er is méér democratie nodig, méér burgerparticipatie, maar we moeten afstappen van de illusie dat alles wat burgers zelf doen, per definitie beter is. We hebben degelijke sociale voorzieningen nodig en daar kan enkel een overheid voor zorgen. In samenspraak met de bevolking. Vandaar dat ik pleit voor ‘sociale  commons’, een sociale bescherming die wordt bepaald door de bevolking, wordt gegarandeerd door de overheid en waaraan de non profit kan meewerken. Het kan helpen om verkiezingen te winnen, om nieuwe meerderheden te bouwen.

Wat we zeker niet moeten doen is streven naar ideologische zuiverheid. Aan politiek doen, streven naar macht, betekent bereidheid om compromissen te sluiten. En als de macht kan worden veroverd, dan moet de linkerzijde beseffen dat ze voor de hele bevolking moet zorgen, niet enkel voor haar eigen kiezers. Tsipras heeft een nederlaag geleden, maar heeft de Europese linkerzijde iets geleerd. Er is nu tijd nodig om zich te herpakken en te reorganiseren. Het is in die zin dat Zizek en zijn ‘Brest-Litovsk’ pact moeten worden begrepen: Syriza moet kunnen terugkomen vanuit een sterkere positie, vanuit een hervormde staat. We moeten hopen dat het klopt en dat het mogelijk is.

Er is tijd nodig, maar veel tijd is er niet. Als straks de discussie begint over de ‘nieuwe’ EU, met of zonder verdragswijziging, zal de linkerzijde moeten klaar staan met haar eigen verhaal. De grootste fout die kan worden gemaakt is het opgeven van de Europese integratie. Dat kan enkel leiden tot nationalisme, en in zo’n debat zal de rechterzijde het halen. Links is per definitie internationalistisch en moet dat blijven. Vandaar dat het belangrijk is dat de linkerzijde ook telkens opnieuw herhaalt waarin haar verzet tegen het Europese beleid verschilt van dat van extreem-rechts. Want dat sommige Franse denkers, zoals de linkse Jacques Sapir, vandaag pleiten voor contacten met het Front national van Marine Le Pen, is zeker geen goed nieuws.

Wat telt is dat de linkerzijde de mensen een positieve boodschap kan brengen, een boodschap van bescherming en een horizon van mogelijkheden. Die boodschap heeft men nog niet. Net als Griekenland zit de linkerzijde voorlopig vast, tussen hamer en aambeeld. Dit mag niet lang duren.

Francine Mestrum

Francine Mestrum is doctor in de sociale wetenschappen en doet onderzoek naar sociale rechtvaardigheid, ontwikkeling en samenwerking, armoede, ongelijkheid en mondialisering. Zij is voorzitter van het mondiale netwerk van Global Social Justice (www.globalsocialjustice.eu) en werkt momenteel aan een project voor ‘social commons’ (www.socialcommons.eu ) voor een transformatieve en universele sociale bescherming.