Onverenigd

Facebooktwittergoogle_plusmail

Waterloo 1815. Wekenlang zijn we daar, tweehonderd jaar later, mee om de oren geslagen. In het kielzog van die veldslag betekent 1815 echter ook het officiële begin van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden: een diplomatieke constructie die ongeveer het huidige België en Nederland omvatte en die het nauwelijks vijftien jaar heeft uitgehouden. Ze is wél van – letterlijk – vitaal belang geweest voor het overleven van het Nederlands in België, en wordt daarom vaak geromantiseerd. Maar een zakelijke historiografie, een nuchtere analyse van die vijftien jaar bleef lang achterwege.

Dat is begrijpelijk, niét alleen omdat de geschiedenis vooral wordt geschreven voor en door de overwinnaars. Na de afscheuring van 1830 voelden de nieuwe Belgische machthebbers uiteraard de noodzaak om met een ‘vaderlandse’ geschiedenis uit te pakken die de nieuwe, separatistische constructie zou legitimeren door het eeuwenlange samenleven van ‘onze gewesten’. Maar ook in het Noorden, nu bevrijd van het “muitziek rot der Belgen”, achtte men het raadzaam de geschiedenis weer te reduceren tot het glorierijke verleden van de Verenigde Provinciën.

Het ongelukkige intermezzo (ten dele zelfs tot in 1839) werd snel en grondig uit het nationale geheugen gewist. In Nederland is het gebrek aan belangstelling zo goed als algemeen gebleven; in België kregen verwijzingen naar de korte periode van de ‘verenigde Nederlanden’ al vrij snel bijbedoelingen die in de twintigste eeuw lang niet meer louter cultureel waren en politiek ook lang niet altijd ‘kosjer’. Blijkbaar moesten bijna twee eeuwen verlopen vooraleer historici én filologen in ‘Noord’ en ‘Zuid’ zich – niet gedreven door romantisch wensdenken of rancune – eindelijk ’s nuchter gingen buigen over dat korte bestaan van wat een “innige vereeniging” had moeten worden.

Zeer terecht gaan beide samenstellers van deze verzamelbundel in hun inleidend hoofdstuk nauwer in op die ‘geschiedenis van de geschiedenis’. “De uitkomst bepaalt het verhaal” schrijven ze: “alle gebeurtenissen en ontwikkelingen binnen dit tijdvak werden gewogen naar het eindresultaat”. En de appreciatie van dat eindresultaat kleurde dus de blik op de feiten. “In het ‘tragische’ perspectief was het Verenigd Koninkrijk vanaf het begin gedoemd”: als een klassieke tragische held riep Willem I door de ene verkeerde beslissing na de andere het onheil over zichzelf af. Daartegenover staat een ‘nationalistisch’ verhaal dat de verklaring voor de mislukking veel dieper zoekt: beide landsdelen verschilden zo grondig van elkaar dat geen andere afloop denkbaar was. Voor de latere Groot-Nederlandse beweging was ‘1830’ en wat daarop volgde dan weer het gevolg van een sinister complot dat het herstel van de historische band met het Noorden moest verhinderen om de Franse invloed uit te breiden.

Al bij al, menen de inleiders, kan je het hele verhaal ook zien als een ‘comedy of errors’ die geen passies meer oproept. “Professionele historici in beide landen zijn er al lang niet meer op uit het beleid van Willem I – of juist het verzet daartegen – te verdedigen of te legitimeren”. Aerts en Deneckere kunnen hun uitvoerig overzicht van de historiografie dan ook besluiten “voorbij triomf, rancune en nostalgie”. “Het feit dat het experiment de geschiedenis niet overleefde, maakt het interessant voor historici om het feest van het begin te vieren en te kijken welke wegen open lagen, zonder de analyse van de desintegratie uit de weg te gaan”. Beter kan je opzet en inhoud van dit boek niet samenvatten.

Dat opzet krijgt gestalte in vijf delen die respectievelijk inzicht willen verschaffen in: een nieuwe monarchie in Europese context; de gelaagdheid van de natie; publieke ruimte en sociabiliteit; integratie en desintegratie; en – uiteraard – “wat na 1830 ?”. Elk deel omvat dan nog ’s drie of vier bijdragen die het aangegeven thema vanuit verschillende hoeken belichten.

Her en der worden clichés onderuit gehaald die decennia lang de blik van voor- of tegenstanders vertroebelden. In andere artikels moet de traditionele ‘top down’-geschiedschrijving plaats ruimen voor een ‘bottom up’ benadering (van bijvoorbeeld het verenigingsleven) al klinkt juist daar de roep om “meer onderzoek” het dringendst. Af en toe krijg je ook verrassende feiten en samenhangen voorgeschoteld; of een kritische her-lezing van bekende verhalen.

Allemaal boeiend en leerrijk. En precies daarom blijft de belangstellende lezer meer dan eens teleurgesteld achter: net wanneer je wel wat méér te weten zou willen komen, houdt het op. Vermoedelijk werden de vele auteurs (19 bijdragen op 220 pagina’s) verzocht hun stuk vooral kort (en ‘niet te moeilijk’) te houden. Maar soms blijven ze daardoor noodgedwongen nogal aan de oppervlakte hangen; een euvel dat slechts magertjes wordt goedgemaakt door telkens een paar titels ‘aanbevolen lectuur’ te vermelden. Kortom: wellicht was de frustratie van de auteurs minstens even groot als die van de geïnteresseerde lezer. Het hoeft niet altijd een kanjer te zijn zoals (recent) die van Els Witte over het orangisme; maar de vele facetten van het (on)Verenigd Koninkrijk die in dit boek aan bod komen hadden zeker meer ruimte verdiend.

Uiterst behartenswaardig is dan ook de bekommernis die Geert van Istendael in de slotbijdrage uitspreekt over de ‘koudwatervrees’ die – nog of opnieuw ? – heerst tussen Nederland en Vlaanderen. Over “toenadering tussen Noord en Zuid, ja, noem het maar integratie” koestert hij geen optimistische gedachten. Hij waarschuwt veeleer: zonder zo’n toenadering zijn wij “gedoemd te verschrompelen tot een folkloristisch restant of restloos te verdwijnen”. Zo is het.

Het (on)verenigd koninkrijk. Een politiek experiment in de Lage Landen
Remieg Aerts & Gita Deneckere
Ons Erfdeel
2015
238
9789079705214