Een vrij objectieve observatie van de Chinese partijstaat

Facebooktwittergoogle_plusmail

Het is algemeen bekend dat zowat alles in China draait rond (en door) de communistische partij en de staat. Daar zijn vragen genoeg over, zoals: ‘zou China beter af zijn zonder CPC en met een andere staatsinrichting, of juist niet?’, ‘waarom is het Chinese systeem niet gesloopt samen met de Berlijnse Muur?’, ‘hoe groot is het draagvlak van de partij?’, ‘hoe lang zal haar rijk nog duren?’.

Toch wordt er opvallend weinig onderzoek naar de partijstaat, wezenlijk voor de Chinese samenleving, verricht. Meningen erover zijn in de meeste gevallen westers ideologisch getint en oppervlakkig. Een verademing dus, als een vooraanstaand academicus enkele van die fundamentele vragen over de partij en de staat stelt, zonder vooroordelen, en de feiten, verbanden in hun context laat spreken. Dat was in elk geval de bedoeling van Teresa Wright en zij is daar gedeeltelijk in geslaagd. Een goede reden waarom haar boek onze aandacht verdient.

Wat is democratie?

Wright, een Amerikaanse professor Politieke wetenschappen, plaatst de begrippen democratie en autoritarisme aan de tegenovergestelde uitersten van een schuifregelaar, zoals voor het geluid op een pc of versterker. Staten bewegen zich voortdurend en op verschillende terreinen tussen die twee uitersten. Geen land is volmaakt democratisch of totaal autoritair. Wright denkt na over hoe je het begrip democratie op uiteenlopende manieren kunt invullen. Ze besluit dat overheden die openstaan voor het publiek en die de belangen van de bevolking dienen, evenzeer de titel democratisch verdienen als overheden die hun plicht invullen volgens het westerse boekje over vrije verkiezingen met meer partijen.

Verkiezingen en burgerlijke vrijheden zijn één manier om de burgers hun mening te laten geven, maar als de regering niets doet met die mening is dat niet erg democratisch. Als de overheid de wensen op een andere manier te weten komt dan door verkiezingen en op die wensen ingaat, handelt ze daarentegen wel democratisch. Verkiezingen en burgerlijke vrijheden kunnen een systeem democratischer maken, maar zijn geen noodzakelijke voorwaarde daartoe.

Partij en staat in tijden van hervorming

Een regering heeft vele functies. In haar boek richt Wright zich op drie ervan, die zij zeer belangrijk acht: op grieven ingaan en belangrijke sociale groepen tevreden stellen en houden, voor economische groei en stabiliteit zorgen, goederen en diensten toegankelijk maken. Met haar schuifregelaar in de hand bekijkt zij of de Chinese partijstaat zijn werk met succes verricht en in hoeverre dit met democratische en/of autoritaire methodes gebeurt.

‘Partijstaat’ dus, en niet ‘partij en staat’? Het is inderdaad de conclusie van de auteur na een gedetailleerde doorlichting van de vele verbanden tussen de CPC en de staatsinstellingen en van hun gelijklopende opbouw in het tweede hoofdstuk. Vervolgens komt er een uitleg over hoe de samenstelling van het partijkader en de overheid is gewijzigd na Mao. In de periode van de hervormingen is de partijstaat steeds minder de alleenvertegenwoordiger gebleven van de bevoorrechte en bewonderde bevolkingsgroepen van arbeiders en boeren. Intellectuelen en zakenmensen zijn opgewaardeerd, binnengehaald en aangemoedigd om toe te treden tot de rangen van hen ‘die het volk dienen’. De instroom van gestudeerden heeft gezorgd voor de behartiging van andere belangen en een ander soort betrokkenheid, voor meer competentie, efficiency en pragmatisme. De ontwikkeling verklaart echter ook ten dele de toename van gevallen waarin eigenbelang de drijfveer is voor de toetreding en voor de handelswijze van bepaalde kaderleden en ambtenaren. Bovendien maken succesvolle, meer welvarende burgers door het aanzien dat ze genieten meer kans in de verkiezingen die in vele dorpen en stadswijken worden georganiseerd.

Pr, economie en voorzieningen

Dan komt het stuk waarin de auteur de invulling beoordeelt van drie functies door de partijstaat: de betrekkingen met het publiek en specifieke doelgroepen daarvan, het beheer van de economie en de verschaffing van goederen en diensten. Zij doet dat evenwichtig en met de nodige nuances. Op ieder gebied toont de auteur aan dat de CPC en de autoriteiten zowel democratische als autoritaire methodes inzetten en dat de combinatie van die twee tot gunstige resultaten leidt, maar ook zwakke punten vertoont. Het beste rapport krijgt de partijstaat voor de economische prestaties. De staatssector gaat samen met die van de particuliere bedrijven.

Naast de inzet van top-down maatregelen en tussenkomsten ziet Wright aanpassingsvermogen, pragmatisme en de vrijheid om te experimenteren. Het samenspel tussen die elementen heeft volgens haar de enorme groei en stabiliteit mogelijk gemaakt. De resultaten zijn voldoende op het terrein van luisterbereidheid en de vervulling van de behoeften bij belangrijke sociale groepen (ondernemers, gewone werknemers en boeren, ambtenaren enz.). De hele bevolking heeft echter te lijden van de afbraak van het milieu en daar staan partij en overheid onder druk vanuit de tegengestelde hoeken van de groei waar iedereen van profiteert en de vervuiling waar iedereen last van heeft.

Het is bij de verschaffing van goederen en diensten dat we een gemengd beeld krijgen met scherpe contrasten tussen enerzijds uitstekende en anderzijds tegenvallende resultaten. De staat van het milieu zal voor allen nog lange tijd onaanvaardbaar blijven, hoezeer partij en overheid zich ook inspannen om dat probleem op te lossen. Over het algemeen zijn huisvesting, onderwijs, pensioenen en gezondheidszorg beter voor de burgers met een stadshukou (registratiebewijs) dan voor die met een plattelandshukou, (meer dan 260 miljoen van hen zouden volgens officiële cijfers interne migranten zijn).

Een kwalitatief hoogstaande gezondheidszorg, en in mindere mate hoger onderwijs, zijn echter slechts voor een minderheid betaalbaar. Dat is volgens de auteur te wijten aan de privatiseringen van de afgelopen decennia. Zij meent dan ook dat voor het beschikbaar stellen van goederen en diensten meer interventie en sterk bestuur van staatswege heilzaam zouden zijn, onder andere door de lokale bestuurders hierop strenger te beoordelen dan op de door hen gerealiseerde economische groeicijfers. Dat moet volgens Wright wel gepaard gaan met meer democratische verkiezingen en inspraak aan de basis: regio’s waar die twee goed geregeld zijn, beschikken nu al over de beste voorzieningen van goederen en diensten.

Lacunes

Het is jammer dat de auteur blijkbaar niet de tijd heeft gehad om belangrijke recente gebeurtenissen te verwerken in haar studie. De affaires Bo Xilai en Zhou Yongkang, de doelstellingen en consequenties van het Derde en Vierde Plenum komen in het verhaal niet voor. Een nog belangrijkere lacune is van principiële aard. Professor Wright spant zich eerlijk in om de feiten te laten spreken, zowel met min- als met pluspunten, maar ook zij kan zich niet helemaal losmaken van een zekere ideologische visie.

Zij erkent dat de Chinese partijstaat op een andere manier dan de westerse liberale democratie toch de macht van het volk laat gelden en het volk dient, en dat uit vele onderzoeken (ook andere dan die van het bureau Pew) nog steeds de brede populariteit van het systeem blijkt. Ze ziet dat voor de broodnodige verbeteringen (milieu, spreiding van voorzieningen, koopkrachteconomie) een transformatie of ineenstorting van de partij of het politieke stelsel helemaal niet nodig zijn. Aanpassingen aan de mix van democratie en autoritarisme volstaan en de CPC is goed geplaatst om die zelf door te voeren. Waar Wright geen rekening mee houdt is de mogelijkheid dat de socialistische wereldvisie en een materialistische analyse nog steeds de drijfveren van partij en staat vormen.

Achilleshiel

Haar westerse scepsis komt sterk tot uiting in het hoofdstuk over de selectie van leden en leiders, waar ze gangbare vooroordelen overneemt en overdreven veel belang hecht aan de politieke connecties en de zorg van kaderleden om hun persoonlijke politieke macht te handhaven. De auteur stelt dat het de leiders tegenwoordig te doen is om het behoud van de stabiliteit en van de partijmacht (in tegenstelling tot Mao die ‘onverantwoorde en onmogelijke ideologische doelstellingen nastreefde’).

Als de dorps- en wijkraden verkiezingen mogen organiseren is dat goed voor het democratisch aanzien van de partij. Wright legt geen verband met het partijprogramma en de socialistische grondwet, waarin de machtsuitoefening door het volk uitdrukkelijk is opgenomen. Als er niet meer verkiezingen komen is dat volgens haar omdat de partij vindt dat er nu genoeg voorzien is in vormen van raadpleging, niet omdat de materialistische analisten van de CPC de politieke situatie aan de economische mogelijkheden en beperkingen aanpassen.

De achilleshiel van het systeem is volgens de auteur dan ook dat China is overgeleverd aan het toeval. De functionarissen van vandaag zijn competent en pragmatisch. Zij staan, vooral uit eigenbelang, open voor de verlangens van de bevolking. Komt er echter een leider die ideologisch gemotiveerd is of repressief ingesteld, dan kan zo iemand niet gemakkelijk worden afgezet in een partijstaat.

Dat vele Chinezen volgens een opiniepeiling niet meer in het socialisme zouden geloven, baart de huidige politici, die ‘hun ideologisch dogmatisme al tientallen jaren geleden hebben afgelegd’ geen zorgen. Dat de bevolking de eenpartijstaat zou verwerpen, vinden de leiders wel gevaarlijk. Daarom moeten ze oppassen dat ze met ideologische scherpslijperij hun krediet bij het volk niet verspelen. Wright wijdt wel nog een paar bladzijden aan Xi Jinping: in haar optiek is het ondenkbaar dat hij met zijn campagnes herbronning of ideologische zuivering nastreeft. Zijn inspanningen om de meningsuiting aan banden te leggen zullen volgens haar het aanzien van de partij, dat enigszins tanende lijkt, geen goed doen.

Bouwstenen

Al bij al is Party and State in Post-Mao China wel degelijk een leerboek vol interessante en soms verrassende informatie. Het is een gedegen studie, die recht doet aan de complexiteit van de Chinese werkelijkheid. Professor Wright laat zich niet verleiden tot de bekende oppervlakkige en partijdige benaderingen van de CPC en het Chinese staatssysteem. Grondigheid en objectiviteit, het principe van de schuifregelaar tussen democratie en autoritarisme, de focus op drie functies die een overheid moet vervullen en op de eisen waaraan ze moet voldoen, dat alles vormt samen een bruikbare methode. Ze kan dienen voor een volgend onderzoek waarin een antwoord wordt gezocht op die andere voorname vraag: bewaken de CPC en de socialistische staat hun machtsmonopolie zo angstvallig uit eigenbelang of vanuit de overtuiging dat ze alleen zo hun oorspronkelijke doelstellingen kunnen realiseren?

Party and State in Post-Mao China
Teresa Wright
Polity Editorial
2015
200
978-0-7456-6385-2
Dirk Nimmegeers is afgestudeerd in Germaanse Talen (RU Gent) en heeft als leraar Engels gewerkt in Terneuzen. In 2005 werd hij redactielid van China Vandaag, het blad van de Vereniging België - China, voor de rubriek Welingelichte Bronnen (nieuwsoverzicht). In 2009 heeft hij de website ChinaSquare.be met Nederlandstalig nieuws en achtergrondartikelen over China mede opgericht. In 2015 publiceerde hij bij SAGE, in The International Communication Gazette: Presentation of China in online West European media.