Congo, vanop het terrein

reynders-decroo
Facebooktwittergoogle_plusmail

Op afstand leek het of met het bezoek van twee Belgische ministers aan Congo de geschiedenis aan herhaling toe was. Alsof Alexander de Croo (foto: met zijn collega DidierReynders) een kloon is van Karel de Gucht, die vanaf zijn eerste stappen in Congo de plaatselijke autoriteiten kapittelde. En Lambert Mende als minister van Communicatie daarop zit te wachten om, zoals dat schering en inslag was, binnen de kortste keren België op de korrel te nemen (tussen haakjes, waar is de strijdlustige, pientere opposant gebleven, die begin jaren negentig moeiteloos de Brusselse Zaïrezen op straat kreeg om het einde van Mobutu te bespoedigen?).

 

Voeg de kritiek toe op hoé De Croo zijn opmerkingen verwoordt, alsof de verpakking telt, meer dan de boodschap, plus een lepel communautaire saus, door Le Soir over het hoofd van een Vlaams minister gegoten.  We waanden ons weer ruim tien jaar jonger.

Over die Belgisch-Congolese twisten is er al veel inkt gevoeld maar zelden komen er daarbij terreinervaringen aan bod. Die wil ik in dit stuk graag meegeven. Maar eerst de aanleiding van de nieuwe rel van dichtbij bekijken. Het ligt toch poepsimpel, was mijn eerste reactie. Er zijn de voorbije weken dingen gebeurd in Congo die niet door de beugel kunnen. 

Er zijn betogers doodgeschoten (42, als ik voor het gemak de cijfers van de Fédération Internationale des Droits de l’Homme neem), een oppositieleider als Vital Kamerhe is gedagvaard voor het Hooggerechtshof en internettoegang en sms-verkeer zijn onmogelijk gemaakt.

Dat alles omdat president Kabila in de nieuwe kieswet een de verkiezingen voorafgaande volkstelling in wou schrijven, een tijdvergend proces dat hem de zekerheid biedt na afloop van zijn tweede en laatste ambtstermijn eind 2016 nog een tijd aan de macht te blijven. Je moet ziende blind zijn om dat manoeuvre niet te doorzien. De Congolezen, die met hun politieke leiders alles meegemaakt hebben, hebben haviksogen en zijn de straat opgetrokken om te protesteren.  Studenten e.a. burgers die een hart hebben voor het democratische proces, en niet op initiatief van de oppositie.

Kijk, als er zoiets gebeurt bij de grootste ontvanger van bilaterale ontwikkelingsgelden, dan moet je als minister in de Belgische regering toch zeggen : “Vrienden, zo kan het niet langer, dit moet anders en beter“.  Omfloerst diplomatiek taalgebruik, waarmee je een en ander met de mantel der liefde bedekt, is op zo’n moment onaanvaardbaar.  De Croo heeft niet meer dan zijn verdomde plicht gedaan.

Je vraagt je dus af waar de ophef vandaan komt. De katholieke bisschoppenconferentie en Washington, om maar die twee te noemen, zijn De Croo weken geleden voorgegaan. Ze hebben Kabila erop gewezen dat hij de grondwet moet eerbiedigen, die van hem verlangt dat hij eind 2016 opstapt als president. Ook geen misse boodschap, toch? Laten we evenmin uit het oog verliezen dat Kabila niet eens legitiem verkozen is. De verkiezingen van 2011 waren een aanfluiting van wat ze hadden moeten zijn. De internationale gemeenschap legde zich toen erbij neer, bij gebrek aan realistisch alternatief, dat Kabila voor een nieuwe periode van vijf jaar aan de macht bleef en legde hem voorwaarden op. Nu, zonder tegenpruttelen, nieuwe manipulaties van zijn kant aanvaarden, dat zou pas schande zijn.

Maar goed,lezer, om de discussie te verbreden wou ik elementen van op het terrein binnenbrengen.  Dat belooft de titel van dit stuk alleszins. Elementen, die illustreren dat De Croo meer dan gelijk had om onze Congolese vrienden de les te spellen. Die stellen dat de Congolese overheden de ontwikkeling van hun land veeleer belemmeren dan in de hand werken. In de eerste plaats door de onuitroeibare en alomtegenwoordige corruptie. Ivan Godfroid, al jaren voor Vredeseilanden in Butembo, in Noord-Kivu, schrijft daarover (klik op zijn wereldblog, op www.mo.be).  Lees dat alvast, daarop ga ik graag door.

Stokken in de wielen

Onlangs heb ik in Ituri verbleven, o.m. een week op een plantage. Met de uitvoer van etherische olie spuiten ze er maandelijks 9000 $ cash in de plaatselijke economie. Dat levert aan ruw geschat een kwart van de plaatselijke bevolking een geldelijk inkomen op dat hen na de oorlog volledig ontbrak. Want het zieltogende landbouwonderzoeksinstituut vangt alleen geld door de verkoop van hout, van de koffiefabriek blijft er hooguit een skelet over en alle stenen gebouwen in het centrum dragen sporen van brand, grondige plundering en vernielzucht. Sinds kort staat er voor 235 mensen en hun gezinnen gezondheidszorg ter beschikking, ze hebben genoeg te eten, sturen hun kinderen naar school en sommigen hebben zich een zonnepaneel aangeschaft om energie op te wekken.

Hoe de Congolese staat daarop reageert? Toen een van de medewerkers van de plantage aan de grens met Oeganda het traditionele rijtje “fooien” afwerkte en het op zijn heupen kreeg bij het dwingende verzoek om wat extra’s te dokken, nam zijn baas contact met de gouverneur van de Oostprovincie, Jean Bamanisa Saidi, recent benoemd, zakenman en zelfverklaard voorstander van ongehinderd ondernemerschap. Na enige tijd kwam het verlossende telefoontje aan de grenspost. De ambtenaren konden naar hun steekpenningen fluiten. Maar ze maakten meteen duidelijk dat ze bij de volgende gelegenheid revanche zouden nemen. Corruptie zit in die mate ingebakken in de gewoontes dat zelfs een goedmenende nieuweling met gezag daaraan niet zomaar perk en paal stelt.

Op de plantage hebben ze nagevlooid voor hoeveel uitvoerrechten ze wettelijk stonden, een flink stuk minder dan wat ze telkens weer aangerekend kregen. Wat denkt u dat ze bij de export van de volgende ton olie moesten betalen?  Juist, wat de heren aan de grens ze oplegden, daar was geen lievemoederen aan. Congo is al vaker geprezen voor zijn uitstekende wettenarsenaal maar laat dat geen argument zijn in het debat.

Vaste werknemers inschrijven in de sociale zekerheid, zodat ze recht hebben op een minimum aan sociale uitkeringen? Dan moet je ruim honderd kilometer ver naar Bunia, in de hoop een ambtenaar te treffen die zich van die klus kwijt. Dat is niet gelukt. Vraag is of dat zo’n erg is. De boekhouder op de plantage heeft zijn leven lang, in dienst van mijnen en de koffiefabriek, bijgedragen voor zijn pensioen en moet op zijn oude dag in weer en wind met zijn fiets tien kilometer over en weer omdat er brood op de plank moet komen. Zijn uitkering?  Mag ik het woord nougatbollen gebruiken ?

Als we naar Bunia rijden, aan boord van een pick up, met een lege laadbak, willen aan een wegversperring twee heren in uniform ons een taxe de transport commercial opleggen. Na drie kwartier gepalaver is het kiezen of delen: betalen of arrestatie.

De rit van Bunia naar de Oegandese grens, ruim twaalf uur voor 180 km, is een aaneenschakeling van de meest uiteenlopende voorvallen. Vrachtwagens die in de modder vastzitten en urenlang de doorgang – op de hoofdweg naar Kisangani ! – in de twee richtingen versperren.  Een ingezakte brug tussen Djugu en Fataki, waarvoor tientallen road trains of supertrucks (lange en zware vrachtwagens met aanhangwagen, waarvan in België pas afgelopen januari het eerste exemplaar de weg op mocht), geladen met olie en andere producten, staan te wachten. Eenmaal de brug hersteld met hout van de omringende bomen rijden ze haar onverbiddelijk opnieuw stuk. Hetzelfde lot is de aarden weg beschoren die hen tot Kisangani moet brengen.

Mag je van een staat niet verwachten dat hij de grote, economisch belangrijke verkeersassen berijdbaar maakt? Zeker als je péage moet betalen, aan keurig uitgedoste agenten overigens, op post voor een pas geverfd gebouwtje, en vooral Congolezen zich daarover druk maken, omdat ze geen idee hebben welke dienst de overheid ze in ruil voor dat tolgeld aanbiedt. Zeker omdat de verbindingsweg met Oeganda een heuse levensader is voor import en export van zowat alles, zo verweven is de plaatselijke economie met de goed boerende Oost-Afrikaanse Economische Gemeenschap, waarvan Ituri de facto deel uitmaakt.  Geen wonder dat de Oegandese shilling er uitgegroeid is tot het betaalmiddel bij uitstek.

Minutieus noteer ik aan elke stop welke reden ze opgeven voor het oponthoud en hoe de chauffeur, coördinator van een organisatie die watersystemen installeert in de streek, het oplost. Of het nu gaat over een ontbrekend document, werken in uitvoering of een regenbareel, de slotbeelden van zo’n verplichte pauze tonen altijd hetzelfde: de coördinator legt zijn arm over de schouder van de geüniformeerde, verwijdert zich uit het strijdgewoel en steekt hem enkele biljetten toe.

Het zijn momentopnames, absoluut, maar ze geven een idee hoe lastig en op de keper beschouwd bijna ondoenbaar het is om in Congo op een behoorlijke manier een onderneming te runnen, of ze nu etherische olie produceert of water vanuit de bergen naar woongebieden loodst. Ik besef dat de titel van mijn boek “Land zonder Staat, Congo 50 jaar onafhankelijk” anders had moeten luiden. Er is wel degelijk een staatsstructuur in dit land, één die afroomt en kortsluit waar er geld te rapen is. Niet om ontwikkeling op gang te brengen maar om ze in de kiem te smoren. Meesters in hun vak: stokken in de wielen steken.

Als ik de coördinator in kwestie aan het einde van de rit opmerk dat we geen woord over politiek gewisseld hebben, antwoordt hij : “on est dégouté”. Van die wereld hebben ze in Ituri niets te verwachten, dat hebben ze door. Zijn medewerkster laat me weten dat ze een volgende keer niet meer gaat stemmen. Welke weerslag die constatering heeft op het stemgedrag van de Congolezen is niet te schatten. Maar als je beseft dat Kabila in 2006 zijn verkiezing te danken had aan de stemmen uit het oosten, dan geeft dat te denken.

Een Afrikanota

Terug naar de uitspraak van De Croo. Terecht slaat hij spijkers met koppen, als je weet hoe moeizaam de samenwerking met Congo – en daarvoor is hij toch bevoegd? – verloopt, zowel de officiële als de niet-gouvernementele. Ooit heb ik een hoge piet horen zeggen dat als op Congo dezelfde criteria van toepassing waren als op andere landen, ze al lang ermee gestopt zouden zijn. Dat moet De Croo al te horen gekregen hebben. Hij moet wel oppassen dat hij niet in dezelfde val trapt als De Gucht, die uiteindelijk zijn kritische houding nooit vertaald heeft in een geactualiseerd en doeltreffend Afrikabeleid dat een verschil maakt op het terrein. In dat geval krijgt Colette Braeckman gelijk als ze De Croo’s optreden une gonflette politique noemt. Mag het deze keer niet bij spierballengerol blijven.

Guy Poppe (°1946) is gewezen radiojournalist bij de openbare omroep VRT. Bij het brede publiek is hij vooral bekend als Afrikaspecialist.