Waarom ik niet kon spreken op de VUB bij het begin van deze Israël Apartheidsweek

lucas-catherine
Facebooktwittergoogle_plusmail

De organisatoren van de Israël Apartheidsweek, o.a. UCOS, hadden mij gevraagd om maandag 2 maart als inleiding op de week een historisch exposé te geven over de geschiedenis van het Palestijns probleem en van de staat Israël. UCOS, Universitair Centrum voor OntwikkelingsSamenwerking is een organisme dat rechtstreeks afhangt van de universiteit (zie: http://www.vub.ac.be/nieuws/ucos ).

Dezelfde lezing had ik op AANVRAAG van de UPV van de VUB nog geen maand (5 februari) geleden gehouden in de gebouwen van de VUB, pleinlaan 5:zie hun website: http://upv.vub.ac.be/aanbod/palestina-wordt-israël UPV (Uitstraling Permanente vorming) is ook een organisme van diezelfde VUB. Een dienst waarvoor ik al enkele andere voordrachten heb gedaan en die mij volgende maand weer wil komen laten spreken.

Wat blijkt nu. Eerst krijg ik te horen dat de lezing niet mag doorgaan omdat de aanvraag van het lokaal door de organisatoren niet volgens de regels was gebeurd. Een excuus blijkbaar, want na protest, keert de rector op zijn verbod terug met deze mail: “Ik aanvaard “de vergetelheid” en kom terug op mijn beslissing voor vanavond, d.w.z. dat de activiteit kan doorgaan en op voorwaarde dat er een observator vanuit de Ambassade van Israël wordt uitgenodigd die zal kunnen vaststellen dat Lucas Catherine een objectief verhaal te vertellen heeft… of een korte persoonlijke mededeling kan doen …”

Waarop ik reageerde (aan de organisatoren): “Ik kan mij NIET vinden in die regeling. Ik vind het ongehoord dat een lid van een ambassade, het weze Israël of een ander land, in een VRIJE universiteit komt toezicht houden op wat er wordt verteld… Ik vind dit een arrogante houding vanwege de Israëlische ambassade en een niet zo moedige houding van de VUB.”

Stel je voor dat Walter Zinzen een lezing zou geven aan de VUB over Congo en de Congolese ambassade zou een mannetje ter controle willen sturen, of iemand geeft een lezing over Tibet en de Chinese ambassade zou eisen een ‘korte persoonlijke mededeling te doen’.

Ontwijk ik door mijn houding eventueel een tegensprekelijk debat? Absoluut niet. Maar het zijn de organisatoren die beslissen of ze een lezing of een debat willen, en als ze een debat willen dan kiezen zij de sprekers, niet een of andere ambassade.

Hoe weet zo’n Nederlandsonkundige Israëlische ambassadeur nu wat studenten aan de VUB van plan zijn. Daarvoor heeft hij sayanim (hebreeuws voor helpers), dat zijn lokale mensen, al dan niet joods die het op zich nemen om voor Israël te werken, in dit geval propaganda te maken. Eind 2010 gaf het Israëlisch Ministerie voor Buza aan alle ambassades de opdracht om zoveel mogelijk van deze propagandisten rond zich te verzamelen (de krant Ha’aretz, 28 november 2010). In België zijn de bekendsten Michael (alias Zeevi) Freilich, aan Nederlandstalige kant en Rudi Roth aan Franstalige kant. En zo’n ambassadeur doet wat zijn premier doet: Zoals Netanyahu aan het Amerikaans Parlement gaat verkondigen wat zij over het Midden-Oosten moeten denken, zo wil Jacques Révah dat als ambassadeur op de VUB doen, met dezelfde chutzpah, jiddisch voor hautaine arrogantie.