Jihadisme, een westerse coproductie

Hekmatyar
Facebooktwittergoogle_plusmail

Charlie Hebdo, slachtoffer van een radicaal gewapend islamisme dat een grote groei kende met ‘a little help from its western friends’, de Verenigde Staten voorop. Het is één generatie geleden dat de Amerikaanse ‘inlichtingendienst’ CIA met gulle bijstand uit Saoedi-Arabië en andere Arabische regimes, en met de actieve logistieke steun van de Pakistaanse militaire geheime dienst ISI, tienduizenden islamfundamentalisten ondersteunde. In de jaren 1990 zwermden de “Afghaanse veteranen” dan uit over Azië, Afrika en Europa. Zij vormden de kernen van gewapende jihadistische groepen die dan weer anderen inspireerden. Zoals de bommenleggers van 2005 in Londen en wellicht de moordenaars van Charlie Hebdo.

Het extremistische islamisme sprong op het wereldtoneel in de jaren 1980. In 1978 hadden de Afghaanse communisten, vooral via hun steunpunten in de strijdkrachten, de macht genomen in Kaboel. We zaten nog in volle Koude Oorlog, het was de periode waarin het Westen besliste middellange afstandsraketten te plaatsen in West-Europa (w.o. België), gericht tegen de Sovjet-Unie.

Anticommunisme

Toen het regime in Kaboel in 1979 militaire steun kreeg vanuit de Sovjet-Unie, die massa’s troepen stuurde, ging het Westen actief de verzetsgroepen steunen. Veruit de meeste van die groepen waren islamfundamentalistische groepen die min of meer verdeeld waren volgens etnische lijnen. Er was bij voorbeeld de beweging van de Tadzjiek Ahmed Massoud naast die van de Pathaan Gulbuddin Hekmatyar (foto). Het was vooral die laatste die massaal geld en wapens kreeg om Kaboel en de Sovjets te bestrijden. Zijn groep kreeg zelfs Stinger luchtdoelraketten die de Amerikanen nadien terugkochten uit schrik dat ze tegen hen zouden gebruikt worden. De voorbije tien jaar heet Hekmatyar effectief tegen de Amerikaanse troepen gevochten.

De door het Westen opgelegde (erg verdeelde) verzetsunie zat tot 1992 in het Pakistaanse Peshawar. Ze werd actief bijgestaan door de Pakistaanse militairen en gefinancierd uit Arabische hoek. Saoedi-Arabië maakte van de geboden kans gebruik om zijn variante van islam, het wahhabitisme, in de regio te propageren. De radicale medressahs (scholen waar vooral de koran wordt onderwezen) schoten met Saoedisch en ander Arabisch geld als paddenstoelen uit de grond. Tienduizenden jongemannen groeiden gehersenspoeld op, klaargestoomd voor de strijd. Veel van die medressahs gebaseerd op het deobandisme, een lokale radicale vorm van islam, waren de kweekscholen van de taliban (“studenten in theologie”).

Recruten

Saoedi-Arabië en geestesgenoten zorgden ook voor andere steun: ze recruteerden volop vrijwilligers voor de Heilige Oorlog. Die kwamen uit het Midden Oosten, Centraal-Azië, China (Xinjiang), Europa (Tsjetsjenië), Noord-Afrika, Oost- en West-Afrika. Ze werden er gevoed, opgeleid, betaald en bewapend om de communisten, later de valse gelovigen, te bevechten. Vanaf 1992 trokken velen, met geld, wapens en ervaring, naar andere oorden. Vaak naar het eigen land waar ze kernen voor de jihad oprichtten, anderen bouwden mee aan een internationaal terroristisch netwerk, al Qaeda.

In 1992 viel het regime in Kaboel, vooral omdat een Oezbeekse krijgsheer, Rashid Dostom die vandaag nog steeds over een deel van het noorden heerst, naar het verzet overliep. De coalitie van Peshawar kwam aan de macht, maar viel onmiddellijk uiteen. In Kaboel heerste Massoud met zijn bondgenoten, bestookt door de troepen van Hekmatyar. In die tijd hadden westerse bewindvoerders en media het zonder lachen over gematigde en extremistische fundamentalisten/extremisten.

In 1995 daagden dan ineens de taliban op, al even of nog extremistischer dan degenen die ze verdreven. Ze namen de macht met de openlijke steun van het Pakistaanse leger en aangemoedigd door Amerikaanse kringen, waaronder oliebelangen die droomden van een pijpleiding vanuit Turkmenistan door Afghanistan. Die taliban boden gastvrijheid aan hun medestrijders van al Qaeda. Toen die, eerst in Oost-Afrika, later in de VS zelf, Amerikaanse doelwitten aanvielen, was het gedaan met de liefde van Washington voor die “extreme extremisten”.

Uitzwerming

Intussen waren de in Pakistan opgeleide jihadisten over grote gebieden uitgezwermd. In landen als Irak en Syrië leken ze afwezig, tot de VS er met hun oorlog in 2003 in Irak voor zorgden dat ze ook daar een gunstige voedingsbodem kregen. President Bush kon de meeste Amerikanen wel doen geloven dat de Iraakse president Saddam Hoessein gemene zaak maakte met al Qaeda, dat was niet zo.

Pas met de Amerikaanse bezetting van Irak kwam het zover, al Qaeda kreeg voet aan de grond als “verzetsbeweging”. De door sjiitische milities gedomineerde regering in Bagdad zorgde er met haar discriminatie van de soennieten verder voor dat gewapende jihadisten zoals die van Daesh (Islamitische Staat) een massale achterban kregen, gefinancierd alweer door vrienden van het Westen, Saoedi-Arabië, de Verenigde Arabische Emiraten, Qatar…

Hetzelfde liedje in Libië, waar nu islamistische milities, vaak aangevoerd door Afghaan-veteranen, de plak zwaaien over Tripoli. De tussenkomst van de Navo in 2001 is op een regelrechte ramp uitgedraaid. Tripoli en grote delen zijn in handen van jihadisten, het zuiden is een groot wapendepot waar andere radicale islamistische groepen uit West-Afrika zich komen bevoorraden. In Syrië werden tot vier jaar geleden geen jihadistische groepen opgemerkt. Nu vechten ze onder elkaar om gebieden van elkaar af te nemen, daarbij respectievelijk gesteund door rivaliserende Arabische en Turkse sponsors.

Ontwricht

Het is dus zeer vaak in gebieden die westerse interventies hielpen ontwrichten, dat jihadistische groepen welig tieren. Met in deze geglobaliseerde wereld ideologische uitzwermingen in Europa die bloedig toesloegen in onder meer Madrid (stations), Londen (metro en bussen, soldaat op straat), Brussel (Joods museum)… Ze zijn producten van de coproductie fundamentalisten (Saoedi-Arabië en co) en het Westen (VS op kop). Een generatie geleden waren ze voor het Westen “vrijheidsstrijders”. Als ze maar anticommunistisch waren.

 Ze zijn dan ook in alle opzichten reactionair. Jihadisten zijn niet voor sociale rechtvaardigheid, ze verdedigen waar ze kunnen de belangen van grootgrondbezitters, rijke handelaars, drugssmokkelaars (wat ze vaak zelf ook zijn), woekeraars, zeker niet die van de uitgebuiten.

Toch nog even het niet onbelangrijke aspect dat de meeste slachtoffers van die islamistische extremisten moslims zijn. In Pakistan hebben ze al duizenden sjiieten vermoord, in Irak en Syrië wellicht nog meer. De meer dan 150 scholieren die omkwamen bij de recente aanslag op een school in Peshawar waren voor zover bekend allemaal moslims.

Freddy De Pauw was van 1972 tot 2002 redacteur buitenland bij De Standaard. Hij volgde jarenlang Centraal- en Oost-Europa, een groot deel van Azië (o.m. China) en Italië. Hij publiceerde o.m. bij het Davidsfonds ‘Volken zonder Vaderland’ over de ‘etnische kwesties’ in Centraal- en Oost-Europa; De firma maffia; Italië, moeder van alle smeer; Russische mafija; Handelaars in mensen; Maffia in België en Handelaars in nieuws over trens in de berichtgeving. Werkt sinds de start in 1999 mee aan Uitpers.