Timisoara, ook al 25 jaar

Timisoara
Facebooktwittergoogle_plusmail

Eind 1989, de Muur van Berlijn was neergehaald. De bureaucratische regimes van Centraal-Europa en de Balkan vielen een na een zonder slag of stoot. Alleen Nicolae Ceausescu hield in Roemenië iets langer stand. Maar half december was het zover: een gedirigeerde volksopstand haalde ook zijn regime onderuit, op een overijld schijnproces werden hij en zijn vrouw Elena ter dood veroordeeld en prompt terechtgesteld. Om te bewijzen wat voor gruwelijke misdadigers zij wel waren, was er enkele dagen eerder een massagraf blootgelegd in de stad Timisoara, 12.000 lijken van opposanten in één graf. De media lieten zich maar al te graag meeslepen door die sensatie. Het massagraf van Timisoara werd een massagraf voor de geloofwaardigheid van die media, symbool van de planetaire desinformatie.

De beelden van de lijken in Timisoara, een centrum van verzet tegen Ceausescu, gingen de wereld rond. Een journalist van Libération die ter plekke was, vond het hele verhaal weinig geloofwaardig en schreef een artikel in die zin. Maar zijn hoofdredacteur keek ’s avonds naar het journaal op de Franse tv waar de beelden werden getoond. Waarop hij het artikel dan maar herschreef: er was inderdaad een massagraf. De oorspronkelijke berichten kwamen van het Hongaarse en Joegoslavische persbureau, twee verdachte bronnen inzake Roemenië, maar weinigen die twijfels hadden: dit was het zoveelste bewijs hoe monsterlijk het echtpaar Ceausescu wel was.

Verzinsels

Er was Timisoara, er was het schijnproces tegen de Ceausescu’s. De twee moest gewoon het zwijgen worden opgelegd, niet door “het volk”, maar door hun eigen nomenklatura, daarin aangemoedigd vanuit zowel Washington als Moskou. Media verspreidden alarmerende berichten over 30.000 leden van de geheime dienst Securitate die via tunnels waren gevlucht en zich voorbereidden om slag te leveren.

Al snel bleken die 30.000 verzwonden, dit was een van de verzinsels om de indruk te geven dat het volk tegen het regime opstond. Terwijl het kopstukken van het regime waren die de macht naar zich toetrokken. Ze zouden zich, net als in de andere gewezen ‘zusterstaten’, snel verrijken door van de rijkdommen van het land privé eigendom te maken.

Maanden later kwam dus aan het licht dat het massagraf van Timisoara een verzinsel was, enkele lijken uit het dodenhuisje waren op een hoop gegooid en postuum verminkt, in de hoop dat journalisten er zouden in trappen. Dat deden ze dan ook. Het verhaal was de wereld rond gegaan, met de nodige sensatie. De rechtzettingen bleven daarentegen zeer discreet. Zodat ik in de jaren daarop bij voordrachten vaak merkte dat veel toehoorders nog altijd dachten dat er inderdaad een massagraf was geweest.

Syndroom

In de mediawereld werd toen gesproken over het Timisoara-syndroom. Mediamensen moesten extra waakzaam worden en alles goed controleren…Tot de volgende gelegenheid. Want tijdens de Golfoorlog van 1991 sneuvelde die regel al snel. De media kregen ter plekke, dat was dan de Amerikaanse basis in de buurt, dagelijks hun portie propagandabeelden over de precisie bombardementen op Bagdad. In Bagdad zat Peter Arnett, een Amerikaanse journalist van CNN, die berichtte over de vele burgerdoden, over de bommenkraters in volkswijken. Toen Arnett in 2003 voor NBC weer vanuit Bagdad verslag wou uitbrengen, mocht dat niet van de nieuwe eigenaar van NBC, General Electric, want het Pentagon had gedreigd enkele wapencontracten met die firma op te zeggen… Tijdens die Golfoorlog werd niet meer herinnerd aan de vorige, die van 1981 tot 1988, toen het Irak van Saddam Hoessein Iran met westerse bijval aanviel, steden met chemische wapens bombardeerde, tienduizenden slachtoffers maakte. In die tijd was Saddam nog de goeie.

En dan de Golfoorlog van 2003, Timisoara in het kwadraat. Al die zogenaamde kwaliteitsmedia die zonder veel vragen de verhalen van de VS-propagandamachine overnamen. De New York Times en Washington Post, de meer dan 70 persorganen van Murdoch waaronder de Times, allemaal hadden ze het over de massavernietigingswapens van Saddam Hoessein. Veel media zagen een verband tussen Saddam en Al Qaida – het was pas een jaar na de aanslagen van 9/11. Terwijl Al Qaida pas na de val van Saddam op het Iraakse toneel verscheen. De planetaire desinformatie was sinds Timisoara niet afgenomen, integendeel. Maar wie dacht toen nog aan Timisoara.

Balkanleugens

Het ging maar verder. Tijdens de oorlogen van 1992 en daarop in ex-Joegoslavië, kenden de meeste westerse media slechts één slechterik: het Servische kamp. Over oorlogsmisdaden van de andere kampen werd nauwelijks of zelfs niet bericht. Een Amerikaanse PR-firma (Ruder&Finn Global Public Affairs) zorgde voor beeldmateriaal om wereldwijd de misdaden van de Servische milities te laten zien. Er was de aanslag op mensen die voor een bakkerij in Sarajevo stonden aan te schuiven, natuurlijk het werk van Serviërs. Later bleek uit militaire rapporten van Amerikanen en Britten dat die er hoogstwaarschijnlijk niets mee te maken hadden.

Maar intussen stond de wereld op zijn kop en werden strenge sancties tegen de Serviërs uitgesproken. Wie enige twijfel dierf uiten, kreeg van genie Bernard Henry-Lévi te horen dat “we niet moeten overdrijven met dat Timioara-syndroom”, we mogen daar geen slachtoffer van worden”.

Bij het Kosovo-conflict van 1999 verloren veel media compleet de pedalen. Twee medewerkers van de Morgen schreven toen een commentaar dat ze een Nederlandse collega een dikke krant in zijn gezicht hadden willen stoppen omdat hij enige twijfels had bij de vluchtelingenverhalen die de indruk gaven dat er toch rond 350.000 Kosovaarse mannen en jongens waren omgebracht. Ook hier werden ‘massagraven’ opgedolven. Alweer door de inslechte Serviërs. Hoeveel media hebben dat later rechtgezet? Timisoara, vergeten.

Timisoara vandaag

25 jaar na Timisoara is er dagelijks meer dan één reden tot ergernis. Dit jaar is de verslaggeving over Oekraïne daar een voorbeeld van. Weinig media twijfelen aan de schuld van “de Russen” voor het neerstorten van het Maleisisch toestel. .. Met Timisoara in het hoofd, zou het raadzaam zijn hier de voorwaardelijke wijs te gebruiken, of telkens te melden vanwaar de beschuldiging komt. De beschuldigingen over een Russische militaire invasie worden meestal ook zomaar overgenomen in berichten en commentaren, de Russische ontkenningen worden belachelijk gemaakt.

Dit zijn symptomen van de volgzaamheid waaraan veel media lijden. Waarom zijn wij zo vijandig tegenover de Serviërs, vroeg ik mijn hoofdredacteur destijds. “We moeten meegaan met de mainstream”, luidde het antwoord.

De mainstream, dat is bij voorbeeld het door de EU opgelegde beleid van besnoeiingen in de uitgaven niet in vraag stellen. Dat beleid werkt economisch niet, het richt een sociale crisis aan, het ondermijnt verder het democratisch gehalte binnen de EU. Maar het wordt niet fundamenteel in vraag gesteld. Nu radicaal links in Griekenland en Spanje hoge scores haalt in de peilingen, zitten de media op de loer om toch maar iets te vinden om Syriza en Podemos onderuit te halen, terwijl ze meestal erg discreet zijn over wat er daar bij de mainstream-partijen gebeurt. Intussen krijgen de onderhandelingen over een Trans-Atlantische handelsverdrag, van cruciaal belang voor onze toekomst, in de media nauwelijks aandacht.

“We moeten meegaan met de mainstream” blijkt nog altijd het geldende motto. “Ik dacht dat journalisten kritisch moeten zijn”, wierp ik op. Wat onthaald werd met een veelzeggend schouderophalen.

Freddy De Pauw was van 1972 tot 2002 redacteur buitenland bij De Standaard. Hij volgde jarenlang Centraal- en Oost-Europa, een groot deel van Azië (o.m. China) en Italië. Hij publiceerde o.m. bij het Davidsfonds ‘Volken zonder Vaderland’ over de ‘etnische kwesties’ in Centraal- en Oost-Europa; De firma maffia; Italië, moeder van alle smeer; Russische mafija; Handelaars in mensen; Maffia in België en Handelaars in nieuws over trens in de berichtgeving. Werkt sinds de start in 1999 mee aan Uitpers.