De bloedige geschiedenis van sjiitische milities in Irak

strijder Badr brigade
Facebooktwittergoogle_plusmail
De opmars en het succes van Islamitische Staat (IS) in Irak is grotendeels te wijten aan de ontwrichting van het Iraakse staatsbestel, het al jaren aanhoudende sektarisch geweld en de marginalisering van de soennitische minderheid in het land. Vanaf 2005 tot 2008 oefenden sjiitische milities, bewapend en getraind door Washington, een waar terreurbewind uit tegen de soennitische bevolking. De soennitische bevolking verloor alle vertrouwen in het centraal gezag in Bagdad en kwam uiteindelijk in opstand. We blikken even terug op deze zwarte en nagenoeg vergeten bladzijde uit de recente Iraakse geschiedenis, noodzakelijk om het huidige geweld en de opkomst van IS (‘Daish’ volgens het Arabische acroniem) beter te begrijpen.

De Verenigde Staten heeft het voortouw genomen in een internationale militaire operatie die de opmars van IS in Irak en Syrië moet stuiten en terugdringen. Nochtans draagt de VS een grote verantwoordelijkheid voor wat er vandaag in Irak gebeurt. De huidige situatie is een gevolg van de Amerikaanse invasie (2003) en de daaropvolgende bezetting (2003-2011) van Irak. Die bezetting telt vele duistere aspecten zoals corruptie, folteringen, doodseskaders en aanslagen. Sjiitische milities konden tijdens de VS-bezetting op Amerikaanse militaire steun en middelen rekenen in het kader van een bewuste verdeel-en-heers-politiek. Dezelfde milities zijn vandaag opnieuw betrokken in grootschalige mensenrechtenschendingen gericht tegen de soennitische minderheid in Irak. Terwijl alle internationale aandacht gericht is op IS en zijn gruwelijkheden, worden de brutale represailles van deze sjiitische milities tegen de soennitische bevolking veel minder onder de aandacht gebracht.

Amerikaans initiatief

Tijdens de Amerikaanse bezetting van Irak opereerden doodseskaders vanuit het Iraaks ministerie van Binnenlandse Zaken, dat onder controle stond van de Badr-Brigades – tot vandaag een van de machtigste sjiitische milities in Irak. Sinds de val van Mosoel, de op twee na grootste stad in Irak, die in juni 2014 veroverd werd door IS-militanten, beschuldigen internationale mensenrechtenorganisaties de in het strijdgebied actieve sjiitische milities van grootschalige moordpartijen op soennitische burgers, ontvoeringen en de etnische zuivering van tientallen soennitische dorpen. De sjiitische milities beschouwen iedereen die niet gevlucht is voor de opmars van IS als ‘collaborateurs’. In sommige gevallen reden de militieleden van soennitisch dorp naar soennitisch dorp in Humvees afkomstig van het VS-leger, die ze waarschijnlijk verkregen via de Iraakse strijdkrachten. Human Rights Watch deed begin november 2014 nog een dringende oproep aan ‘buitenlandse regeringen’ om de militaire steun en assistentie aan de sjiitische milities in Irak stop te zetten. Ze worden bewapend en gesteund door de Iraakse regering (die op haar beurt gesteund wordt door de VS en andere Westerse bondgenoten), maar ook door Iran. De leider van de Badr-milities, Hadi al-Hamri, vocht nog aan de zijde van de Iraanse Revolutionaire Garde tijdens de Iraans-Iraakse oorlog (1980 – 88). Die prominente band van de Iraakse sjiitische milities met Iran zorgt voor eigenaardige coalities, want ook de VS werkt al jaren samen met deze milities, terwijl Washington en Teheran erfvijanden van elkaar zijn.

De Amerikaanse militaire steun aan de sjiitische milities en hun brutale optreden kent een lange voorgeschiedenis. Zes maanden na de invasie van Irak in 2003 waarschuwde de CIA in een gelekt rapport voor het groeiend verzet tegen de invasie vanuit verschillende lagen van de Iraakse maatschappij. De CIA waarschuwde in de eerste plaats voor het gewapend verzet in het soennitische centrum van het land, maar ook voor het gevaar van de uitbreiding en verspreiding van het verzet naar het sjiitische deel van het land, waar de meerderheid van de Iraakse bevolking leeft. Het was dus in het belang van de Amerikanen dat het soennitisch en het sjiitisch verzet zich niet zou verenigen tegen hun militaire interventie in Irak. Eind 2003 schreef onderzoeksjournalist Seymour Hersh in The New Yorker dat er een speciale commando-eenheid werd opgezet onder de naam Task Force 121 die de opdracht kreeg om opstandelingen van de voormalige Baath-partij (de partij van ex-president Saddam Hoessein) gevangen te nemen of te vermoorden. De leden van Task Force 121 werden voorbereid en getraind in samenwerking met Israëlische veiligheidstroepen die op vlak van buitenrechtelijke executies over heel wat terreinervaring beschikken. De speciale operatie moest een antwoord bieden op het groeiend Iraakse verzet tegen de Amerikaanse bezettingstroepen die heel wat verliezen leden.

Negroponte & de Salvador-optie

Het Amerikaanse blad Newsweek citeerde op 8 januari 2005 een Amerikaanse functionaris in Bagdad die stelde dat de enige manier om te winnen eruit bestond om “onconventioneel te gaan”. Kortom: terreur tegen terreur. Het is een van de eerste keren dat er berichten lekten over een geheim programma dat in die tijd binnen het Pentagon werd bediscussieerd als de ‘Salvador-optie’, een verwijzing naar een clandestien programma dat gelanceerd werd ten tijde van VS-president Ronald Reagan (begin jaren 1980) en gericht was tegen de linkse guerrilla-beweging in El Salvador. Om de opmars van de Salvadoraanse rebellen te stoppen, verleende het Pentagon toen steun aan rechts-nationalistische milities in het land, met inbegrip van doodseskaders, om de linkse leiders en sympathisanten te vermoorden. In dezelfde periode was de rabiate anti-communist John Negroponte de Amerikaanse ambassadeur in Honduras (1981-1985), waar hij volgens de diplomatieke telexen gelekt door Wikileaks betrokken was bij de ‘counterinsurgency’-operaties in El Salvador en Nicaragua. De anti-guerrilla operaties in deze landen zorgden voor vele duizenden dodelijke slachtoffers. De Amerikaanse diplomaat John Negroponte was voordien werkzaam op de VS-ambassade in Saigon in Zuid-Vietnam, waar hij zich hevig verzette tegen een vredesakkoord met Noord-Vietnam. Op het moment van Negroponte’s vertrek uit Saigon, werd in Zuid-Vietnam het Phoenix-programma gelanceerd, de codenaam van een geheim ‘counterinsurgency’-programma waarvan zelfs William E. Colby, de toenmalige CIA-verantwoordelijke, achteraf verklaarde dat “er veel dingen gedaan werden die niet hadden mogen gebeuren”. Het Phoenix-programma was ontwikkeld om de infrastructuur van het Nationaal Bevrijdingsfront van Zuid-Vietnam (beter gekend als de Viet Cong) te identificeren en ‘te neutraliseren’. Onder dit CIA-programma werden verdachte Viet Cong-leden opgepakt of vermoord, net zoals burgers waarvan men dacht dat ze informatie konden verschaffen over Viet Cong-leden. In de ondervragingscentra werden velen van hen gemarteld. Met de informatie die zo verkregen werd, konden dan weer nieuwe verdachten opgepakt, gemarteld en vermoord worden. Phoenix was van kracht van 1965 tot 1972 en maakte 41.000 dodelijke slachtoffers.

John Negroponte werd midden 2004 aangesteld als Amerikaans ambassadeur in Irak op het moment dat Ayad Allawi aantrad als premier van de Iraakse Interim-regering (juni 2004 tot mei 2005). Alvorens Negroponte deze positie aanvaardde, fungeerde hij als ambassadeur van de Verenigde Staten bij de Verenigde Naties. President Bush stelde hem in 2001 aan na de terroristische aanslagen van 9/11. In de ‘New York Review of Books’, rapporteerde de Amerikaanse journalist Stephen Kinzer dat de boodschap die de VS wilde overbrengen door Negroponte aan te stellen als VN-ambassadeur neerkwam op: “De Bush-regering zal niet gebonden zijn aan diplomatieke vriendelijkheidjes terwijl het zijn buitenlands beleid voert”. In Irak verving Negroponte in de zomer van 2004 Paul Bremer III die van mei 2003 tot juni 2004 aan het hoofd stond van de Voorlopige Autoriteit van de Coalitie, het tijdelijke Amerikaanse bestuur in de beginperiode van de bezetting. Negroponte trad aan als ambassadeur in Irak in de periode dat de rekrutering startte van de eerste bataljons van Iraakse Speciale Politie Commando’s. De trainingen van deze speciale eenheden zouden geleid worden door kolonel op rust James Steele. Diezelfde James Steele was van 1984 tot 1986 de commandant van het Amerikaanse militaire adviseursteam in El Salvador, ten tijde van de grote moordpartijen in het Latijns-Amerikaanse land.

Staatsterreur

Op elk niveau was de Verenigde Staten nauw betrokken bij de organisatie, training, financiering en bewapening van de Speciale Politie Commando’s. Elke Iraakse eenheid werkte nauw samen met Amerikaanse eenheden of adviseurs. De Amerikaanse diplomaat die onder Paul Bremer III het Iraakse ministerie van Binnenlandse Zaken leidde, Steve W. Casteel, was na de installering van de Iraakse Interim-regering aangebleven als adviseur van de nieuwe minister van Binnenlandse Zaken, Falah al-Naqib. Het was onder al-Naqib’s ministerie dat de speciale politie-eenheden ressorteerden. Het is nagenoeg onmogelijk dat de VS niet op de hoogte was van de wreedheden die deze Speciale Politie Commando’s aanrichtten. Een van de speciale eenheden die als eerste opgericht werd, de Wolf Brigade, was hoofdzakelijk bemand door leden van de Badr-militie en stond onder leiding van de sjiitische generaal Abu Walid. In de ‘Iraq War Logs’, die in 2010 gepubliceerd werden door Wikileaks, getuigen verschillende documenten expliciet over folteringen, ontvoeringen en executies uitgevoerd door leden van de Wolf Brigade.

Eind 2005 werd een ‘vertrouwelijke’ telex verstuurd waarin de Amerikaanse ambassade stelt dat het verslagen en getuigenissen ontvangen heeft van afpersing, ontvoeringen en moorden op politieke kandidaten en electorale campagnevoerders in de aanloop naar de Iraakse parlementsverkiezingen van december 2005. Slachtoffers van de ontvoeringen getuigden uitvoerig over de betrokkenheid van de Wolf Brigade. Een andere telex gepubliceerd door Wikileaks beschrijft hoe Amerikaanse troepen twaalf gevangenen na een gezamenlijke operatie met de Wolf Brigade in de handen achterlieten van de Brigade-leden. Acht van deze gevangenen werden geëxecuteerd. De andere vier geraakten vermist. Alle informatie wijst op een klimaat van ware staatsterreur waarvan duizenden, meestal soennitische Irakezen, het slachtoffer waren. Het toppunt van de staatsterreur gericht tegen soennieten kwam er tijdens Operatie ‘Together Forward’, uitgevoerd door zowel Iraakse als Amerikaanse troepen van juli tot en met oktober 2006 in Bagdad.

De operatie werd op 14 juni 2006 aangekondigd door de toen pas aangetreden sjiitische Iraakse premier Nouri al-Maliki. Er werden in het kader van Operatie Together Forward 70.000 veiligheidstroepen de straten van de Iraakse hoofdstad opgestuurd, er werden avondklokken geïnstalleerd en er werden nog meer controleposten opgetrokken. Verder zouden Iraakse en Amerikaanse troepen terroristische cellen binnenvallen en militaire operaties opzetten tegen locaties waarvan men vermoedde dat er opstandelingen actief waren. Deze operatie, die officieel bedoeld was om een einde te maken aan het sektarische geweld dat Bagdad in zijn greep had, zou juist leiden tot nog meer geweld en zelfs tot regelrechte etnische zuiveringen. Er zouden in de periode van Operatie Together Forward 1300 tot 2000 burgerdoden per maand vallen. Volgens een onderzoek van een Iraakse mensenrechtenorganisatie was 92% van de 3498 lichamen die in verschillende streken van Irak werden teruggevonden, afkomstig van mensen die gearresteerd werden door troepen van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Omdat de operatie het geweld in het land nog verder deed escaleren, zag de Verenigde Staten zich uiteindelijk verplicht om ze stop te zetten.

De Sahwa-raden

Niet alleen de sjiitische milities hielden lelijk huis in Irak. Er waren soennitische milities actief. Om het geweld van radicale salafisten (Al Qaeda in Irak) in de soennitische Al-Anbar provincie de kop in te drukken, besloten lokale stamhoofden in 2005 de Sahwa-milities op te richten, ook gekend als ‘de Zonen van Irak’ of de Soennitische Beweging van Ontwaking. Dit soennitische initiatief werd initieel onderschreven door de Amerikaanse bezettingsmacht, die ondersteunende programma’s opzette en zorgde voor de betaling van alle manschappen. De Sahwa-milities werden afgekocht om, zolang dit nuttig geacht werd, aan de zijde van de Amerikaanse troepen en het Iraakse leger te vechten. Deze strategie resulteerde in een concrete daling van het aantal terreuraanslagen in het land. Maar eens het werk er op zat, liet de VS de Sahwa-milities vallen.

In oktober 2008 stopte de Verenigde Staten met het betalen van de lonen van de militieleden. De Iraakse premier al-Maliki, leider van de sjiitische pro-Iraanse maar tevens ook pro-Amerikaanse Islamitische Dawa Partij, zag deze soennitische milities als een bedreiging voor zijn regering en streefde naar hun ontbinding. Hun leiders werden de nieuwe doelwitten van het Iraakse leger en de Speciale Politie Commando’s. Deze houding van de al-Maliki-regering in combinatie met de gewelddadige manier waarop ze uithaalde naar de protestbeweging tegen diens corrupte, sektarische politiek, dreef een deel van de Sahwa-militieleden naar het gewapend verzet tegen het centrale gezag in Bagdad.

Een deel van hen sloot zich later ook aan bij de Islamitische Staat van Irak en de Levant (sinds afgelopen zomer IS). Ondertussen heeft IS de controle verworven over grote delen van het noordwesten van Irak. Het Iraakse ministerie van Binnenlandse Zaken is altijd onder de controle van de leiders van de sjiitische Badr Brigades gebleven. Hun campagnes van detentie, martelingen en buitenrechtelijke executies werden nooit stopgezet. Ze stonden in vergelijking met de afgelopen twee jaren enkel op een lager pitje. Sinds het verzet tegen de regering al-Maliki volop uitbarstte in 2012, worden de doodseskaders weer voluit in de strijd gegooid.

De soennitische burgerbevolking in het noorden van het land wordt momenteel dus zowel geconfronteerd met het brutale regime van IS, als met de acties van de wrede doodseskaders. Indien ze zich aan de strenge islamistische regels van IS houden, hebben ze echter minder van hen te vrezen dan van de moorddadige milities die samenwerken met hun eigen Iraakse regering. Het valt dus niet te verwonderen dat velen van hen IS beschouwen als het mindere kwaad. Hun hachelijke situatie is echter het rechtstreekse resultaat van het vroegere en huidige Amerikaanse beleid in Irak.

 

 

Ludo De Brabander studeerde pers- en communicatie aan de Universiteit Gent. Sinds 1995 werkt hij voor Vrede vzw, een linkse vredesorganisatie met kantoor in Gent. Tegenwoordig is hij er de woordvoerder. Hij is auteur van o.m. 'Als de NAVO de passie preekt' (EPO, 2009 - samen met Georges Spriet) en 'Oorlog zonder grenzen' (EPO, 2016). Hij is van bij de start (1999) redactielid van Uitpers