Els Witte: “Het verloren koninkrijk”

Facebooktwittergoogle_plusmail

De Henri Pirenne-doctrine ondermijnd

Dit boek is een weergave van het grondig historisch onderzoek van het harde verzet van de Belgische orangisten tegen de revolutie 1828-1850. In een interview met de weekendbijlage van het dagblad De Standaard van 14 juni (nr.147) zegt de auteur, de historica Els Witte dat de gezaghebbende historicus Henri Pirenne het hardnekkige verzet tegen de ontluikende Belgische natie fel heeft onderbelicht.

Daarenboven hebben de meeste historici die daarop volgden zich meestal gebaseerd op Belgische archieven. Els Witte daarentegen is jarenlang wekelijks naar Den Haag gereisd waar het hoofdkwartier van de orangisten was gevestigd. Zij heeft ook het persoonlijke archief van de Luikenaar Henri Gregoire, de verbindingsman van de zuidelijke orangisten in Den Haag kunnen ontcijferen, immers veel was in geheimschrift opgesteld. De inhoud van deze geschriften zou ongecodeerd voor veel leidinggevende personen in de revolutionaire toestand te gevaarlijk zijn geweest. De eerste die met Pirenne heeft gebroken is een niet historicus Maurice Bologne die in 1929 De Proletarische opstand van 1830 in België  publiceerde. Dit werk is baanbrekend geweest want het opende een politiek en sociologisch onderzoek naar de rol van de verschillende klassen in de Belgische revolutie weliswaar vanuit een marxistisch perspectief. Els Witte zal de oorzaken van de conflicten met het Nederlands bewind met de moderne middelen van het historisch onderzoek heel wat grondiger onderzoeken, maar Maurice Bologne krijgt van haar geen vermelding.

De orangistische staatsgrepen

Op bladzijde 304 geeft Els Witte een goede synthese van de orangistische contrarevolutionaire bewegingen: “Gedurende acht jaar, tussen midden 1831 en midden 1839, is de orangistische beweging in België volop bezig met de contrarevolutie. Ze staat al die tijd in dienst van de volhardingspolitiek en wil de restauratie van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden met geweld afdwingen. Pas wanneer media 1839 de Belgische afscheiding door de ondertekening van het Verdrag van de 24 Artikelen geformuleerd is, verlaat de meerderheid van de beweging deze oorlogspolitiek. Drie fasen kunnen we in dit proces onderscheiden. Na het mislukte ingrijpen in de revolutionaire gezagswissel van 1831 komt men zonder meer in een oorlogssituatie terecht. Het plan om Leopold op de Belgische troon te brengen en de door Willem I aanvaarde “Bases de séparation” in het voordeel van België aan te passen, wordt vooral door Groot-Brittannië en Frankrijk ondersteund en aanvankelijk niet door de drie andere conservatieve grootmachten (Rusland, Oostenrijk, Pruisen). De tiendaagse Veldtocht (augustus 1831) en de militaire ontzetting van de Antwerpse citadel door het Frame leger in december 1832 vormen essentiële onderdelen van deze oorlogsperiode. Het gaat immers om oorlogen tussen vijandelijke legers. Deze oorlogsperiode wordt einde 1833 gevolgd door een status quo, die Willem I echter met als een echte wapenstilstand interpreteert. Het Nederlandse leger blijft dan paraat. De orangistische tegenbeweging eveneens. Voor Leopold I en de meeste van zijn ministers gaat het wel om een wapenstilstand en zij schakelen nu alle middelen in om hun staat in wording te beschermen tegen interne orangistische bedreigingen. Heftige repressiegolven kenmerken deze statusperiode.”

Dit moet ons geenszins verwonderen omdat in deze woelige ontstaansperiode van België de orangisten niet minder dan drie staatsgrepen zullen proberen waarin de Generaals Van-dersmissen en Daine een belangrijke rol hebben gespeeld. De aanvaarding van het verdrag door Willem I in maart 1838 schept in België een prerevolutionair klimaat, dat heel wat orangisten al te graag willen exploiteren. Bijna heel het jaar 1839 domineren in de beweging opnieuw contrarevolutionaire aspiraties, met een uitloper in 1841, toen een laatste poging tot staatsgreep plaats vond. Het aanknopen van diplomatieke betrekkingen eind 1839, maar ook de verzoeningspolitiek van Leopold I met de orangisten enerzijds en de koning Willem II anderzijds maken dat de contrarevolutionaire krachten werden gemarginaliseerd. Maar een van de belangrijkste redenen waarom de Belgische staat levensvatbaar werd is dat de twijfel in buitenlandse financiële kringen is weggenomen doordat België dankzij bemiddeling van Leopold met de Rotschilds de lening kan afsluiten waardoor het land van de bankroet werd gered (blz.255).

Verassende ontdekkingen!

Wanneer men het boek van Els Wittte nader analyseert komt men tot een paar verrassende vaststellingen. Zo leest men op blz. 501 dat na 1847 nog 20% van de kamerleden oranist waren. Anseele zelf vond 1830 een misdaad (blz. 516) en tot spijt van de taalflaminganten was voor de organisten cultuur Franstalig (blz. 522)! Wij vernemen ook dat Surlet de Chokier, de voorlopige regent van België in 1831 tegen zijn zin stemde voor de uitsluiting van de Nassau’s van de Belgische troon (blz.193). Onder de orangisten telden we heel veel Walen en velen behoorden tot de industriële elite zoals John Cockerill uit Luik, Adolph Sax uit Dinant, maar ook in vrijdenkerskringen is de orangistische aanhang groot. Zo zal de vrijmetselaarsloge La Parfaite Intelligence et l’Etoile Réunis zich in 1831 tegen het Belgische Grote Oosten keren. In het Luikse zullen de orangisten zelfs hun eigen federatie oprichten (blz. 264).

Els Witte merkt ook fijntjes op dat de electorale uitslagen niet altijd correcte barometers zijn omdat vele orangisten weigerden aan de volgens hen ongrondwettelijke verkiezingen deel te nemen. Wij lezen ook (op blz.280) dat de concierge van Leopold I een orangistische spion was. Doordat hun economische belangen bedreigd werden is het niet verwonderlijk dat de economische elite een wezenlijk onderdeel vormde van de orangistische beweging. Niet alle priesters waren anti-Hollands. Zo zal Priester G. Moens vanaf begin 1831 voor Nederland spioneren en zal hij eind 1833 zelfs met een katholiek orangistisch blad Le Rappel beginnen. Uiteindelijk zullen de orangisten mislukken omdat Willem I een slechte crisismanager was (tijdens de onlusten bleef hij in Nederland) en door de onenigheid met zijn zoon. Willem II zocht nog in 1839 toenadering tot Frankrijk om Pariig zover te krijgen dat de Waalse provincies naar Frankrijk zouden gaan en Nederland de Vlaamse provincies toegewezen krijgt. Ook Van Praet, Leopolds secretaris, achtte een dergelijke verdeling nog mogelijk (blz. 438).

De Belgische ontstaansgeschiedenis herschrijven

Met de publicaties van Gita Deneckere met o.a. Leopold I, De eerste koning van Europa en Het verloren koninkrijk van Els Witte beschikt men nu over degelijke historische werken om de ontstaansgeschiedenis van België met andere ogen te zien. Dat moet nu toch gefundenes Fressen zijn voor een historicus om in een vlot en boeiend verhaal de ontstaansgeschiedenis van ons land in nieuwe felle en verfrissende schijnwerpers te plaatsen.

Het verloren koninkrijk het harde verzet van de Belgische orangisten tegen de revolutie 1828-1850
Els Witte
De Bezige Bij
2014
496
9789085425502