Internationale bemoeienissen verzieken de situatie in Irak en Syrië

islamitische staat
Facebooktwittergoogle_plusmail

De situatie in Irak en Syrië wordt met de dag complexer. Dat er maar geen einde aan het geweld komt heeft vooral te maken met de inmenging van internationale en regionale machten in de regio, die in beide landen hun dikwijls tegengestelde belangen uitvechten. Het internationale machtsspel heeft er ook voor gezorgd dat jihadische netwerken de laatste decennia als paddenstoelen uit de grond schoten.

Het ontstaan van de internationale gewelddadige jihad

De groei en mondialisering van salafistische jihadische netwerken is mee in de hand gewerkt door de steun die ze kregen in het kader van de rivaliteiten tussen groot- en regionale machten. Het begon met een geheim CIA-programma dat de codenaam ‘Operation Cyclone’ droeg. Onder invloed van zijn nationale veiligheidsadviseur Zbigniew Brzezinski gaf de Amerikaanse President Carter op 3 juli 1979 zijn goedkeuring aan financiële en militaire steun voor de Afghaanse Mujahedeen. Die waren de strijd aangegaan met het communistische regime in Kaboel dat gesteund werd door de Sovjetunie. Het programma kwam tot stand met de hulp van de Pakistaanse geheime dienst (ISI) en Saoedisch geld. Het was Koude Oorlog. Brzezinski zou later verklaren dat het de uiteindelijke bedoeling was om een Sovjetinvasie uit te lokken, wat een half jaar later ook daadwerkelijk gebeurde.

Er ging uiteindelijk naar schatting 20 miljard dollar naar de Mujahedeen onder wie fundamentalistische krijgsheren en oorlogsmisdadigers als Gulbudin Hekmatyar. De VS creërden hun eigen monster. Hekmatyar bijvoorbeeld zou na de aanslagen van 9/11 (2001) oproepen tot een Jihad tegen de VS. Naar eigen zeggen onderhield hij nauwe banden met Osama Bin Laden en diens Al Qaida. Een deel van de Mujahedeen zou opgaan in de Taliban die zo in het bezit kwamen van de door de VS geleverde wapens. Het einde van de Sovjetoorlog in Afghanistan (1989) zorgde voor een enorme aantrekkingspool van buitenlandse jihadisten. De internationale jihad was geboren. Tijdens de oorlog in Bosnië (1992 – 1995) organiseerden ze zich in een eigen eenheid waar ze aan de zijde vochten van de Bosniakken van Alija Izetbegovic. Internationale jihadi’s zouden daarop ook hun weg vinden naar de oorlog in Kosovo (van 1998 – 1999), om te vechten aan de zijde van het Kosovaarse Bevrijdingsleger, UCK en de oorlog in Libië (2011). Telkens zien we hetzelfde patroon waarbij regionale en internationale machten zoals de Verenigde Staten, Saoedi-Arabië, Turkije, Iran of Qatar met hun soms tegengestelde belangen lokale en internationale Mujahedee financieel en militair steunen. In het geval van de VS blijkt meer dan eens hoe er rechtstreekse banden bestaan tussen VS-instanties en Al-Qaida-strijders. In het geval van de Bosnische oorlog sprak Richard Holbrooke – die toen namens de VS het Dayton vredesakkoord onderhandelde – van een ‘pact met de duivel’.

Ayman al-Zawahiri, de Egyptische Al-Qaida-ideoloog en sinds de dood van Osama Bin Laden de nieuwe Al-Qaida leider, schreef kort na de aanslagen van 11 september 2001 een boek waarin hij de strategie van de mondiale jihad uit de doeken doet. Veel daarvan vinden we terug in de manier waarop groepen als IS en Jabhat al Nusra te werk gaan in Syrië en Irak: een legitimiteit voor het viseren van burgerdoelen, het gebruik van zelfmoordaanslagen en vooral het hanteren van moderne media om de mondiale Jihad in verschillende delen van de wereld te promoten onder leiding van een multi-etnisch en multilinguïstisch leiderschap. Dat model kreeg ook zijn toepassing in Syrië en Irak. En ook hier met de steun van internationale en regionale machten.

De Amerikaanse bezetting en de opkomst van het salafisme in Irak

De Amerikaanse bijdrage aan de groei van de internationale gewelddadige Jihad was niet alleen een gevolg van structurele steun aan radicale islamisten. Tijdens de Amerikaanse bezetting kreeg Irak een sektarisch politiek systeem opgedrongen. Washington gaf politieke en militaire steun aan een regime dat een discriminerende en repressieve politiek hanteerde tegenover de Soennitische minderheid. Paul Bremer III, die met de Voorlopige Autoriteit van de Coalitie (als departement van het Amerikaanse ministerie van Defensie) het bestuur van Irak overnam na de val van Saddam Hoessein (mei 2003 – juni 2004), zorgde voor de volledige ontmanteling of ‘deba’athisering’ van de Iraakse staat. Ze ontbond het Iraakse leger, zette een grootschalig privatiseringsprogramma op van de Iraakse economie en kende miljoenencontracten toe aan Amerikaanse reconstructiebedrijven. Bremer moedigde de sektarische politiek (Sjiieten, Soennieten en Koerden) aan om het verzet te ondermijnen. Hij zorgde daarmee voor een escalatie van het binnenlands geweld. Radicale salafisten die niet alleen aanslagen pleegden op de ‘coalitietroepen’ maar daarnaast ook burgers viseerden en streden tegen de door Sjiitische partijen gedomineerde regeringen vanaf 2005. Een van de meeste succesrijkste salafistische verzetsleiders, de Jordaan Abu Musab al Zarqawi, zou zich vanaf eind 2004 met zijn organisatie bekennen tot Al Qaida.

De regering in Bagdad voerde de repressie in het Soennitische deel van het land op. Vanuit het ministerie van Binnenlandse Zaken opereerden tussen 2006 en 2008 doodseskaders verbonden met de radicale Sjiitische Badr-militie. Sektarisme werd de basis van elke politieke organisatie. De regering al-Maliki (premier van mei 2006 tot augustus 2014) zette deze sektarische politiek consequent door. Eind 2012 kwam daartegen een golf van protest op gang, die zich niet beperkte tot de voornamelijk door Soennieten bevolkte al-Anbar-provincie. Er waren ook protestacties in andere delen van het land. Ze richtten zich tegen de corruptie en brutale repressie van het regime al-Maliki dat kon rekenen op de massale militaire steun van de VS en daarom als het tweede gezicht van de bezetting werd gezien. Hoewel de protestacties vreedzaam verliepen antwoordde het regime van al-Maliki zeer gewelddadig. Dat zorgde dan weer voor groeiende steun aan extremistische groeperingen onder de Soennieten. De ontmanteling van een protestkamp in de stad Ramadi eind 2013 zorgde er voor dat de spanningen in een regelrechte burgeroorlog uitmondden. Volgens Human Rights Watch vielen er in de maanden daarop vele honderden doden, vooral als gevolg van bombardementen op opstandige steden als Ramadi en Fallujah, werd er op grote schaal gefolterd en werden opposanten geëxecuteerd in de gevangenissen. Meer dan 300.000 inwoners sloegen op de vlucht. De aanvankelijk onderlinge twisten tussen Soennieten van verschillend politieke strekkingen en stamverwantschappen maakten plaats voor de gemeenschappelijke strijd tegen het gehate regime in Bagdad. Geleidelijk aan werd ISIS (nu: IS) de dominante gewapende kracht, niet in het minst omdat voormalige generaals van het verdwenen Ba’athregime zich aan haar zijde schaarden. De verovering van Mosul, de twee grootste stad van Irak, door ISIS versterkte het sektarisch karakter van het conflict. De Iraakse regering deed beroep op Sjiitische milities die als sinds midden 2013 verantwoordelijk zijn voor de uitdrijving en het doden van soennitische burgers in het zuiden van Irak. De vrees voor ISIS of vermeende samenwerking er mee heeft volgens bepaalde berichten ook gezorgd voor een politiek van etnische zuiveringen door Koerdische milities in het noorden van Irak.

Onder druk van de VS, maar ook van Iran werd al-Maliki uiteindelijk als premier vervangen door Haidar al-Abadi. Volgens president Obama zal Abadi systematisch de hand reiken naar alle mensen in Irak. Al-Abadi is inmiddels tegemoet gekomen aan een aantal van de soennitische ongenoegens. Hij slaagde er ook in om een akkoord te sluiten over de aanstelling van een nieuwe minister van Defensie (een soenni) en minister van Binnenlandse Zaken (een Sjiiet), twee gevoelige posten die onder de tweede regering van al-Maliki vacant bleven. Maar het blijft nog maar de vraag of het om meer gaat dan cosmetische veranderingen en of al-Abadi greep kan krijgen op de sektarische logica die de politiek in Irak in zijn greep heeft. Zijn belofte midden september om een einde te maken aan de regeringsbombardementen op plaatsen waar burgers resideren, blijkt weinig gehoor te krijgen. De nieuwe minister van Binnenlandse Zaken lijkt ook niet meer dat een schaamlapje te zijn, omdat de echte macht bij de Badr-partij en de ermee verbonden militie ligt. Het is bijvoorbeeld tekenend dat al-Maliki, die de controle uitoefent over de belangrijkste Sjiitische milities met een twijfelachtige reputatie, in de nieuwe regering blijft zetelen, nu als vice-premier is. Volgens zowel Amnesty International als Human Rights Watch maken de Sjiitische milities met luchtsteun van de ‘Coalition of the willing’ nog steeds geen onderscheid tussen IS-strijders en soennitische burgers. In de optiek van veel soennieten is de steun aan IS noodzakelijk voor hun eigen overleven.

De opmars van IS in Syrië

De aanwezigheid en groei van IS in Syrië houdt zowel verband met de bezetting en de sektarische politiek in Irak als met de opstand tegen het autoritaire regime in Damascus en de daaropvolgende groeiende interne Syrische verdeeldheid, eveneens op sektarische basis. Kort na het begin van de opstand tegen Assad, begon de Iraakse ISIS-leider Abu Bakr al-Baghdadi, die sinds 2010 ISIS (opvolger van Al Qaida in Irak) zou leiden, ook een gewapende militie in Syrië uit te bouwen die sinds januari 2012 als Jabhat al-Nusra door het leven zou gaan. Jabhat al-Nusra zou al gauw militaire successen boeken en als gevolg daarvan zijn aanhang zien groeien. Maar onenigheid tussen de lokale leider van Jabhat al-Nusra in Syrië en ISIS-leider al-Bagdadi in Irak, nadat deze laatste de samensmelting van beide organisaties aankondigde, leidde tot een afscheuring en voor ISIS ook tot een breuk met al Qaida. In Syrië begonnen beide groepen elkaar gewapend te bestrijden. Terwijl Jabhat al-Nusra vooral focuste op de val van Bashir al-Assad, lag het accent van ISIS op de uitbouw van een kalifaat dat trouwens in de zomer van 2014 door al-Bagdadi is uitgeroepen. ISIS kon rekenen op groeiend populariteit en al-Bagdadi zou een meester blijken in zowel het militaire als civiele bestuur van zijn organisatie. De militaire successen oefenden een aantrekkingskracht uit op heel wat milities die tot dan samenwerken in platformorganisaties zoals het Vrije Syrische Leger of het door Saudi-Arabië gesteunde Islamitische Front. Zij zouden zich met hun door de Golfstaten en Turkije geleverde wapens aan de zijde van ISIS (sinds deze zomer IS) scharen. ISIS verkreeg ook de controle over een deel van de olieproductie om met de opbrengsten van de gesmokkelde olie – o.a. via Turkije – de gewapende strijd te financieren.

De ‘Coalition of the willing’

De publieke executies van een aantal Amerikaanse en Britse staatsburgers en de verovering van de stad Mosul door IS, zorgden voor een activering en ook wel een kleine kentering van de Amerikaanse politiek vis à vis Syrië. Plots werd de strijd tegen IS in Irak en Syrië prioritair en was de val van Bashir al-Assad dat plotseling veel minder. De VS verzamelden een groep landen van uiteenlopend pluimage en met verschillende belangen in een internationaal samenwerkingsverband, de ‘Coalition of the willing’ met inbegrip van 5 Arabische landen. Maar behalve het gemeenschappelijke doel om te strijden tegen IS – en dat is zelfs twijfelachtig – heerst er vooral onenigheid. De Turkse premier Tayyip Erdogan – die slechts schoorvoetend tot de ‘coalitie’ toetrad – dringt al vele maanden aan op de installatie van een no-fly-zone waar dan het gros van de Syrische vluchtelingen kan worden ondergebracht, een streven dat ook door Frankrijk wordt gedeeld. Maar bovendien vreest Erdogan een versterking van de PKK en op lange termijn de oprichting van een Koerdische staat op het grondgebied van Irak, Syrië, Iran en zelfs Turkije. De PKK is de belangrijkste Turks-Koerdische Partij die al jarenlang een conflict met de regering in Ankara uitvecht en nauwe banden onderhoudt met de Syrische Democratische Unie Partij (DYP) en diens gewapende arm YPG (Volksdefensieleger). Turkije en Qatar vinden zich in de steun aan de Syrische moslimbroeders in de hoop dat dit hun beider machtsposities in de regio alleen maar kan versterken. Maar dat plaatst hen tegenover Saudi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) die een groeiende invloed van de moslimbroeders in de regio vrezen wat dan weer hun steun aan het regime van de Egyptische generaal al-Sisi verklaart. Deze laatste verdreef de moslimbroeders vorige zomer van de macht in Egypte. De verschillen in prioriteiten en belangen binnen de coalitie werden ook geïllustreerd in de diplomatieke spanningen tussen de VS en Turkije en de sterke aarzelingen van deze laatste om zijn rol in de ‘Coalitie’ op te nemen. Turkije heeft een open grenspolitiek gehanteerd voor gewapende strijders richting Syrië met als belangrijkste doel om de Syrische president president Assad van de macht te drijven, wat de echte belangrijkste prioriteit is van Ankara. Een no-fly-zone moet niet alleen zorgen voor de opvang van vluchtelingen in eigen land, maar moet ook dienen als ‘safe heaven’ voor de gewapende oppositie. De Verenigde Staten houden zich rond beide Turkse doelstellingen wat meer op de vlakte sinds de strijd tegen ISIS de prioriteit is geworden. Turkije bleek ook erg moeilijk te overtuigen om zijn grenzen open te stellen voor (Koerdische) strijders die de val van de Noord-Syrische Koerdische stad Kobani moesten helpen voorkomen. Erdogan plaatste de Koerdische YPG (volksdefensie leger) omwille van hun banden met de PKK publiekelijk op dezelfde hoogte als IS, als een even groot te bestrijden kwaad. De VS zagen zich daarop zelfs verplicht om de Koerdische verdediging van Kobani vanuit de lucht met wapens te bevoorraden, hoewel de stad zich vlak aan de grens met Turkije bevindt.

Het is bekend dat veel van de militaire steun die landen als Turkije, Saoedi-Arabië en Qatar aan de gewapende oppositie verleenden, rechtstreeks of onrechtstreeks bij radicale salafisten met inbegrip van IS is terecht gekomen. Het grootste deel van de olie-inkomsten van IS – er is sprake van meer dan een miljoen dollar per dag – verloopt via Turkije, wat op zijn zachtst gezegd een gevolg is van de lakse Turkse grenspolitiek.

Ludo De Brabander studeerde pers- en communicatie aan de Universiteit Gent. Sinds 1995 werkt hij voor Vrede vzw, een linkse vredesorganisatie met kantoor in Gent. Tegenwoordig is hij er de woordvoerder. Hij is auteur van o.m. 'Als de NAVO de passie preekt' (EPO, 2009 - samen met Georges Spriet) en 'Oorlog zonder grenzen' (EPO, 2016). Hij is van bij de start (1999) redactielid van Uitpers