Defensie in het regeerakkoord

defensie boots
Facebooktwittergoogle_plusmail

Het regeerakkoord van de nieuwe rechtse regering Michel I doet veel stof opwaaien. Mikpunt van kritiek zijn de grote vermogens die grotendeels de dans van de besparingen ontspringen. En defensie? Qua budget blaast de regering warm en koud. Maar met de nadruk op de ‘centrale rol’ van de NAVO en de aanschaf van nieuwe gevechtsvliegtuigen zal het toch stevig moeten omhoog gaan. De kernwapens blijven buiten schot.

 

Er worden in beide regeringen (Vlaanderen en België) zware besparingen opgelegd waarvan de factuur (2,6 miljard euro federaal) vooral bij de gezinnen terechtkomt: een daling van de koopkracht, indexsprong, verhoogde pensioenleeftijd. Maar onder de ‘noodzakelijke hervormingen’ gaat ook een ideologisch project schuil. Het terugdringen van de staat uit het economische leven, het afslanken van het aantal ambtenaren, het duurder maken van de publieke dienstverlening, gemeenschapsdienst voor langdurige werklozen, een daling van de bedrijfsvoorheffing voor ondernemingen zonder enige garantie op jobcreatie en slechts een beperkte bijdrage van de grote vermogens. De lijst is behoorlijk lang. Bij dat ideologisch project hoort ook de buitenlandse politiek en defensie. De structurele oorzaken van geweld worden genegeerd en bijgevolg is het vruchteloos zoeken naar het begrip conflictpreventie of het belang van een breed veiligheidsbeleid en de aanpak van sociaaleconomische oorzaken van geweld. Daartegenover staat een duidelijke keuze voor de NAVO met haar ‘robuuste’ buitenlandse interventies. Het spreekt vanzelf dat zo’n keuze behoorlijk wat geld gaat kosten en grote nieuwe militaire investeringen in interventiematerieel (zoals gevechtsvliegtuigen) zal vergen, zoals ook in het regeerakkoord te lezen valt. Hoewel die onmogelijk gerealiseerd kunnen worden zonder een drastische stijging van het defensiebudget, verklaarde de nieuwe minister van Defensie Steven Vandeput in het parlement dat ook defensie ‘heel zwaar’ zal moeten inleveren. Tekst van het regeerakkoord en uitspraken van de minister Vandeput zijn met elkaar in tegenspraak. Eerst een overzicht van wat er in het regeerakkoord staat. Daarna de vraagtekens bij de uitspraken van de minister van Defensie.

 

‘Centrale rol’ van de NAVO

Het regeerakkoord is heel uitvoerig over de ‘centrale rol’ van de NAVO in onze veiligheids- en defensiepolitiek, zowel op vlak van afschrikking en verdediging als op vlak van inspanningen voor vrede en veiligheid elders in de wereld. België wil zich opstellen als een ‘solidaire’ en ‘geloofwaardige’ partner en wil er ook voor pleiten dat de NAVO blijft inspelen op nieuwe uitdagingen. Het regeerakkoord verwijst expliciet naar de conclusies van de afgelopen NAVO-top in Wales (4-5 september 2014). Daarin zijn de staats- en regeringsleiders (dus ook België) overeengekomen dat de dalende trend van de defensiebudgetten moet omgekeerd worden. Meer nog, dat de NAVO-landen voor wie dat nog niet het geval is, er binnen de tien jaar moeten naar streven het defensiebudget op te trekken tot 2% van het Bruto Binnenlands Product (BBP). Als dit engagement, dat overigens een herbevestiging is van een NAVO-afspraak uit 2006, door België wordt uitgevoerd dan betekent dit een verdubbeling van het defensiebudget. In het regeerakkoord doet de regering daar cryptisch over: “de regering zal aan het leger terug de middelen geven om haar taken naar behoren te vervullen”.

Opvallend is ook het pleidooi voor het verder uitbouwen van de “strategische relatie” van het Europese Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid (GBVB) en de NAVO hoewel er geen volledige overlap is tussen het lidmaatschap van beide landen. Dat is vooral problematisch voor landen die zich politiek en/of grondwettelijk ‘neutraal’ of ‘niet-gebonden’ opstellen (Oostenrijk, Ierland, Zweden, Finland).

De hoofdtaak van ons leger is niet de defensie van het grondgebied, maar “de deelname aan buitenlandse missies”. De regering lijkt daarbij vooral te kijken naar ‘robuuste’ gevechtsmissies en kondigt onder meer de stopzetting aan van de waardevolle Unifil-ontmijningsmissie in Libanon, hoewel volgens de Lebanon Mine Action Center – het officiële Libanese orgaan dat alle ontmijningsactiviteiten coördineert – nog steeds 30 procent van het getroffen gebied niet ontmijnd is. Ook zegt het regeerakkoord niets over de evaluatie van de effectiviteit van afgelopen missies. De militaire operaties in Afghanistan en Libië kunnen nochtans bezwaarlijk een succes worden genoemd op vlak van conflictresolutie. Het zou goed zijn moest de Belgische bijdrage door een onafhankelijke studie worden geëvalueerd, niet alleen op vlak van militaire successen, maar ook op vlak van politieke gevolgen. Ook is er in het regeerakkoord weinig of niets terug te vinden over de sociaaleconomische en ecologische oorzaken van gewelddadige conflicten, conflictpreventie, diplomatieke oplossingen of het belang en de primaire internationaal rechterlijk vastgelegde rol van de VN en de bepalingen van het VN-Handvest inzake vrede en veiligheid in de wereld.

Opvallend is het pleidooi van de regering voor een verbetering van het beheer van de VN-organisaties, “die een rigoureus budgettair beleid moeten volgen”. Een gelijkaardig pleidooi voor de NAVO ontbreekt.

 

Ontwapening = grote militaire investeringen

Ontwapening vormt een centrale bekommernis van het veiligheidsbeleid volgens het regeerakkoord. De prioritaire keuze voor buitenlandse missies heeft budgettaire repercussies onder meer op vlak van investeringen in nieuwe militair materieel waarvoor “belangrijke investeringsbudgetten moeten worden voorzien”. Daarvoor komt er een militaire programmawet voor de komende 10 jaar met mogelijks ‘alternatieve financieringswijzen’. De gevechtsvliegtuigen worden vervangen en er zal ook gekeken worden naar de vervanging van M-fregatten, mijnenjagers, drones en het materieel voor de landmacht. De regering plakt nog geen cijfers op deze investeringen, maar er zijn vele miljarden euro’s mee gemoeid. Die kunnen alleen maar gedragen worden mits een substantiële directe of indirecte verhoging van het defensiebudget hoewel de regering algemene besparingen aankondigt. Een post als ontwikkelingssamenwerking kan nochtans een substantiële bijdrage leveren aan de internationale veiligheid door in te werken op de sociaaleconomische oorzaken van de vele ontwikkelingsconflicten. Het engagement om defensie voldoende (en wellicht meer) middelen te geven in NAVO en Europees verband contrasteert met de vraag naar het pleidooi voor een rigoureus budgettair beleid voor de ‘VN en andere mondiale organisaties’

De regering wil voor de militaire investeringen ‘rekening houden met de industriële en economische dimensie’ . Ze kondigt in dat verband aan te onderzoeken of daarvoor gebruik kan gemaakt worden van art 346 dat concreet de mogelijkheid biedt om op vlak van handel en aanbestedingen de werking van de vrije markt te omzeilen en bovendien geen informatie te verstrekken als het gaat over veiligheidsbelangen. We vrezen dat dit de deur opent voor militaire bestellingen die op maat zijn geschreven van de belangen van bepaalde wapenbedrijven.

 

(kern)ontwapening geen prioriteit

De regering zegt in het akkoord dat ontwapening en non-proliferatie een ‘centrale bekommernis’ vormen. Maar ze wijst er meteen op dat moet gekozen worden voor een ‘realistische en pragmatische’ aanpak en plaatst het non-proliferatieverdrag (NPT) en het strategisch concept van de NAVO op gelijke voet. Dit is een gevaarlijke evolutie die de nieuwe regering in de praktijk alle argumenten geeft om geen werk meer te maken van kernontwapening. In plaats van onomwonden werk te maken van onze plicht tot ontwapening zoals het NPT van België verlangt, kiezen we nu voor een NAVO-beleid dat zich laat leiden door een strategisch concept dat kiest voor het strategische behoud van kernwapens zolang er kernwapens bestaan. De twee documenten op gelijke voet zetten die met elkaar in tegenspraak zijn, een minimumaanpak formuleren (een betere controle op eerder dan een verbod op wapensystemen met willekeurig bereik) en het woordgebruik van pragmatisme en realisme staan in schril contrast met het voluntaristisch veiligheidsbeleid waarvoor gepleit wordt.

De regering zegt voorts te willen ijveren voor ontwapeningsinitiatieven rond clustermunitie, wapens met verarmd uranium en andere wapensystemen. Ze pleit ook voor een verbeterde controle op kleine en lichte wapens. Maar het akkoord laat ons in het ongewisse over hoe dat moet gebeuren en welke initiatieven ons land rond ontwapening denkt te nemen. Er is ook niets terug te vinden over de problematiek van de Belgische wapenuitvoer naar problematische landen zoals Saoedi-Arabië of Bahrein. Sinds 2003 is de bevoegdheid voor de controle op de wapenhandel weliswaar overgeheveld naar de gewesten, maar de geleverde wapens kunnen wel repercussies hebben op het buitenlands beleid.

 

En… het parlement?

De regering blijft kiezen voor het behoud van het huidige artikel 167 lid 1 van de Grondwet. Daardoor blijft de deelname aan buitenlandse missies een exclusieve bevoegdheid van de uitvoerende macht. De betrokkenheid van het parlement blijft in het regeerakkoord steken op het niveau van een verbeterde informatiedoorstroming en grotere transparantie. De regering had er kunnen voor opteren om het betrokken grondwetsartikel voor herziening vatbaar te verklaren zodat het parlement in de toekomst zijn toestemming moet geven voor elke buitenlandse missie.

In het parlement verliep het debat over het regeerakkoord woelig maar een opmerkelijke uitspraak van de minister van Defensie ontsnapte aan de aandacht. Hij zei dat Defensie zwaar zal moeten besparen. De begrotingstabellen zoals die op de website van de PS zijn ‘gelekt’ lijken de uitspraak te bevestigen. Volgens die cijfers zou defensie volgend jaar 219,8 miljoen euro moeten inleveren en 1,15 miljard tegen eind 2018. Als deze cijfers kloppen, dan is het regeerakkoord dat kiest voor zware militaire investeringen, een defensie met voldoende middelen en een centrale NAVO met de 2%-norm defensie-uitgaven (van het BBP) in felle tegenspraak met de cijfers en de uitspraak van de defensieminister. Even de engagementen uit het regeerakkoord voorrekenen. De factuur van gevechtsvliegtuigen alleen al kan – als het inderdaad over 40 exemplaren gaat, type F35 – oplopen tot 6 miljard euro zonder exploitatiekosten wat jaarlijks tot meer dan 250 miljoen euro kan oplopen. Tel daar meer dan 1 miljard bij voor de reeds bestelde transportvliegtuigen (A 400 M) die naar verluidt vanaf 2019 zullen geleverd worden. Samen met de andere investeringen in militair materieel kan dit het kostenplaatje gemakkelijk tot in de buurt van 10 miljard euro opdrijven. Over tien jaar gespreid betekent dat een grote extra van 1 miljard op de jaarlijkse begroting. Vanaf 2019?

De regering heeft dus werk voor de boeg om parlement en bevolking uit te leggen hoe de vork in de steel zit.

Ludo De Brabander studeerde pers- en communicatie aan de Universiteit Gent. Sinds 1995 werkt hij voor Vrede vzw, een linkse vredesorganisatie met kantoor in Gent. Tegenwoordig is hij er de woordvoerder. Hij is auteur van o.m. 'Als de NAVO de passie preekt' (EPO, 2009 - samen met Georges Spriet) en 'Oorlog zonder grenzen' (EPO, 2016). Hij is van bij de start (1999) redactielid van Uitpers