Onverfranst, onverduitst?

Facebooktwittergoogle_plusmail

Het is u allicht niet ontgaan: honderd jaar geleden begon de Eerste Wereldoorlog – toen nog zonder telwoord vooraf. Herdenken is dus de boodschap, en dat geldt zeker ook voor het boekbedrijf. Historicus Lode Wils, decennia lang hoogleraar in Leuven en ondertussen al bijna twintig jaar emeritus, wil zich alvast niet onbetuigd laten, en pakt uit met een boek over ‘Flamenpolitik’, activisme en frontbeweging.

Dat boek is niet zomaar een heruitgave van het bijna gelijknamige werk dat hij al in 1974 publiceerde. Wils heeft wel degelijk zijn huiswerk gemaakt: de vele boeken en artikels die de voorbije veertig jaar aan deze uitgebreide thematiek werden gewijd heeft hij gelezen. En vooral: de vele polemieken waarin hij sindsdien was verwikkeld gaat hij ook hier niet uit de weg. Hij moet immers aantonen dat niet hij bevooroordeeld is in zijn geschiedschrijving, maar dat de anderen het verkeerd voor hebben.

Daarmee is het woord gevallen: bevooroordeeld. Dat Wils vlijtig en gedreven is, kan niemand ontkennen, en zijn indrukwekkende publicatielijst illustreert dat. Dat hij daarbij met gulle hand eigen, ouder werk recycleert kan men hem niet kwalijk nemen; ook andere academici doen dat. Wat hem wél kwalijk kan genomen worden is dat zijn zeer gekleurde en zeer persoonlijke opvattingen herhaaldelijk zwaarder doorwegen dan de zorg om een zo groot mogelijke objectiviteit. Dat is hem trouwens door collega’s academici al vaker onder de neus gewreven.

Als historicus van de Vlaamse Beweging en van de problematisch-geworden verhouding tussen Vlaanderen en België behandelt Wils natuurlijk wel erg delicate thema’s waarrond inderdaad heel wat mythevorming bestond en bestaat. Daarom valt des te meer te betreuren dat hij vele uren ernstig voorbereidend onderzoek uiteindelijk fataal de mist laat ingaan door de lezer een manifest ‘ver-kleurd’ verhaal op te dissen.

“Wils schrijft heel polemisch. Hij wijst daders aan en beschuldigt. … waardoor hij niet meer afstandelijk observator is maar ook medespeler wordt” schreef collega-hoogleraar Herman Van Goethem in 2008. Waarop Wils (in een boek in 2009, en opnieuw in deze jongste publicatie) repliceerde als de vermoorde onschuld. Albert I aan de schandpaal genageld ? Helemààl niet. “Naar eigen inzicht had ik alleen de grondwettelijke onschendbaarheid van het staatshoofd niet uitgebreid tot de geschiedschrijving, maar zijn optreden ontleed en verklaard zoals dat van de andere medespelers”. Dit citaat illustreert meteen ook hoe venijnig de vlijtige professor reageert wanneer iemand het waagt hem op zijn belangrijkste tekortkoming te wijzen.

Zeker: “meningen zijn vrij; feiten zijn heilig” is een uitermate loffelijke stelregel, om het even of het nu om journalistiek gaat of om geschiedschrijving. Wie naar een zo groot mogelijke objectiviteit streeft weet echter dat zelfs die regel niet volstaat. Je kan aan feiten meer of minder gewicht toekennen of ze zelfs gewoon negeren; je kan ze ook in uiteenlopende perspectieven plaatsen. Je kan, met andere woorden, met hetzelfde feitenmateriaal desgewenst totaal verschillende beelden oproepen.

Wanneer dat indiviuele perspectief voldoende duidelijk wordt gemaakt is er niets aan de hand: de lezer (m/v) weet dan waar hij aan toe is. Wanneer een welbepaalde visie echter je hele geschiedenisbeeld doordrenkt en dan ook nog apodictisch wordt voorgeschoteld als wetenschap … dan is er wél iets aan de hand. In zijn vele geschriften wordt Wils te vaak pleitbezorger in plaats van chroniqueur. Dat hij daardoor zélf serieuze schade toebrengt aan zijn wetenschappelijke reputatie zal hem een zorg wezen: hij wil overtuigen, hij wil een boodschap overbrengen.

Die boodschap luidt, ietwat vereenvoudigd: in de Vlaamse/Belgische geschiedenis van de voorbije anderhalve eeuw komt alle heil van de Vlaamse christendemocraten, alle onheil van de ‘linksen’ – waarbij Wils die term (meer dan een halve eeuw nà de laatste schoolstrijd, die hem kennelijk zwaar heeft getraumatiseerd) nog steeds hanteert voor ‘vrijzinnigen’, of ze nu liberaal of socialist zijn. Onlogisch is dat trouwens voor de hier behandelde periode zeker niet: want tot (minstens) het eind van wereldoorlog I noemde de katholieke partij zich ongegeneerd ‘la droite’.

Hoe die ‘rechterzijde’ met harde hand (en desnoods een tik van de kromstaf) decennia lang werd geregeerd door verstokte conservatieven, en pas na 1905 democratische en Vlaamse barstjes begon te vertonen, wordt uit de doeken gedaan in het werk van een ander historicus (zie bespreking Harry Van Velthoven). In dit boek is Wils daarentegen begaan met de vraag hoe en waarom de ‘barst in België’ het gevolg was/is van “Flamenpolitik, Activisme, Frontbeweging’.

Wils poneert meteen – en terecht – dat dit onderzoek ook een eeuw later nog relevant is: “Juist omwille van die blijvende betekenis voor de communautaire verhoudingen wordt het gebeuren van destijds nog altijd omstreden.” Zeker. En het is dus een goed idee te vertrekken van de fel betwiste vraag of het activisme

de “logische uitgroei” was van “het nationalisme dat steeds in de Vlaamse Beweging verscholen lag”, dan wel of het “als een vreemd gewas” op de Vlaamse Beweging werd ingeënt door de Duitse bezetter, die deze operatie “zorgvuldig had voorbereid”. De tweede stelling was die van Frans Van Cauwelaert, de eerste stamt van Hendrik Elias (de latere VNV-leider, die ook historicus was, maar qua vooringenomenheid Wils nog een eind achter zich laat). M.a.w.: “is het activisme voortgekomen uit het Duitse lokken ?” … of “zijn flaminganten spontaan bij de Duitsers gaan aankloppen ?” Of beide tegelijk ?

Over die vragen is al heel wat inkt gevloeid. En aangezien elke bona fide geschiedschrijving er zich bijzonder moet voor hoeden In een chronologische volgorde meteen een causale samenhang te zien, is het nodig zorgvuldig na te gaan hoe de drie componenten van de ondertitel in verhouding staan tot elkaar.

Zijn jarenlang onderzoek van talloze bronnen en studies brengt Wils tot volgende conclusies:

  • de Flamenpolitik was een Duitse aangelegenheid, die inderdaad reeds geruime tijd vóór 1914 was voorbereid, en het activisme alleen maar instrumentaliseerde; – het activisme werd mee op gang getrokken door figuren die voorheen slechts een geringe (of geen) rol speelden in de Vlaamse Beweging en trok naast idealisten ook opportunisten aan;
  • dat het activisme toch aantrekkingskracht uitoefende op nogal wat vlaamsgezinden valt te verklaren vanuit jarenlang opgehoopte frustratie over het systematische verzet van de Belgische elite tegen gelijkberechtiging van Vlamingen en hun taal;
  • in zijn meest consequente uitingen (de tweede Raad van Vlaanderen en de uitroeping van Vlaamse zelfstandigheid) kwam dat activisme gewoon neer op collaboratie;
  • dat de eisen en het anti-belgicisme van het activisme (al tijdens de wereldoorlog én nadien) werden overgenomen door de Frontbeweging – toch uitgerekend de mensen die vier jaar lang de Duitse overweldigers hadden bestreden) was vooral het gevolg van het manifest anti-Vlaamse beleid van het klassieke Belgische ‘establishment’ (eveneens tijdens en na de oorlog).

Die stellingen worden hoofdstuk na hoofdstuk uitvoerig onder de loep genomen, mét tal van elementen die ze van ver of nabij moeten onderbouwen. Zo vertelt Wils (als gedreven leraar) een boeiend – en bepaald niet vleiend – verhaal , dat ‘grosso modo’ ook klopt. Maar dan moet je er wel – vaker dan goed is voor ’s mans wetenschappelijke reputatie – de perfiede sneren bijnemen naar wie niét Wils’ verering deelt voor Van Cauwelaert of zijn al even pathologische afkeer van al wat vrijzinnig is (Albert I incluis), de vele intentieprocessen (die af en toe zo grof zijn dat ze zichzelf tegenspreken), de tussenzinnetjes die wel polemisch zijn maar hoegenaamd niet relevant, het aandikken van wat in zijn requisitoir past of het minimaliseren van andere feiten.

Wie via Wils voor het eerst leest over ‘Flamenpolitik, Activisme, Frontbeweging’ leert ongetwijfeld veel, maar krijgt een beeld dat niet zo volledig en correct is als het had kunnen zijn. Precies dààr ligt het probleem: achter dit boek gaat enorm veel eigen werk en lectuur van ander werk schuil; het had de tot dusver meest omvattende en kritische studie van de thematiek kùnnen worden. Quod non, helaas.

Helaas, ja. Want er zijn over het activisme, zijn oorzaken, ontwikkeling en gevolgen inderdaad al heel veel mythen gevormd – en doorprikt. Ook de meest vlaamsgezinde historicus zal – wanneer hij zijn vak ernstig neemt – de activisten niet meer afschilderen als helden, ja, martelaren. Het is met het activisme net als met het stalinisme (of met zovele bedenkelijke verschijnselen in de geschiedenis): verklaren (of à la limite zelfs begrijpen) is iets heel anders dan verontschuldigen. En aangezien je in België elke medaille meer dan één keer moet omdraaien sluit hier een merkwaardige bedenking bij aan: in een normaal land zouden de mannen die vier jaar lang in mensonwaardige omstandigheden tegen de Duitsers hadden gevochten allicht de felste tegenstanders zijn van landgenoten die met diezelfde Duitsers collaboreerden. Dat in België uitgerekend de Frontbeweging binnen de kortste keren zo ongeveer de geestelijke erfgenaam werd van het activisme is alleen te verklaren door de onwaarschijnlijke halsstarrigheid en onwil waarmee ‘België’ het Vlaamse streven naar gelijkberechtiging bleef dwarsbomen. Het doorprikken van mythen mag dan weer geen nieuwe mythe doen ontstaan. De traditionele flamingantische jammerklacht dat Vlaamse piotten “de dood werden ingejaagd door officieren die ze niet eens verstonden” is slechts een deel van de waarheid. De bittere waarheid is dat aan andere fronten nog veel méér jonge mannen meedogenloos en zinloos de dood werden ingejaagd, door officieren die wél hun taal spraken. Dààr kwam het zelfs meer dan eens tot muiterij; aan het Belgische front eigenlijk nooit. Meer zelfs: de enige Vlaamse frontsoldaat die uitdrukkelijk op massale desertie of muiterij aanstuurde werd door de leiders van de Frontbeweging zelfs met de dood bedreigd.

Maar het relativeren van de jammerklacht mag de feiten én de achtergrond niet verdoezelen. Alleen wie de recente geschiedschrijving echt niet kent – of van de geschiedenis bewùst een vaderlandslievend vertekend beeld wil ophangen – kan nog als ontluisterende demythologisering ‘onthullen’ dat de Vlamingen in werkelijkheid (iets) minder dan 80 % van de frontsoldaten uitmaakten. Dat is echt niet de kern van de zaak. En wie met dit soort ‘demythologisering’ anno 2014 belgicistische stellingnamen wil staven bewijst in feite een slechte dienst aan de zaak die hij – of zij… – wil dienen.

Maar Wils heeft zeker gelijk wanneer hij stelt dat het bedenkelijke ‘avontuur’ van toen ook nu nog een weerslag heeft op de verhouding tussen Vlamingen en Franstaligen in dit land. Of beter gezegd: op de wijze waarop ze geschiedenis ‘hanteren’. Zelf is hij in zijn slotparagraaf ook duidelijk over de reden waarom dat – althans volgens hem – zo is. Hier is een lang citaat op zijn plaats.

“Een oordeel over de gevolgen van het activisme hangt af van de opvatting die iemand heeft over het wezen van de Vlaamse beweging. Wie het anti-Belgische element in die beweging aanvaardt (en wie dat niet doet, behoort niet meer tot de beweging zoals die nu eenmaal sinds het activisme geëvolueerd is), maar het niet als de essentie ervan aanziet, die moet de gevolgen van het activisme rampzalig noemen. Wie het antibelgicisme als het wezen zelf van de Vlaamse beweging erkent, zoals de activisten het achteraf gesteld hebben, die moet het activisme huldigen als de stichting van de Vlaamse beweging; al de rest is dan vóórgeschiedenis”. De cursivering in bovenstaand slotwoord is van uw recensent; het citaat als geheel is een perfecte illustratie van Wils’ sjagrijnige vooringenomenheid én de funeste gevolgen daarvan voor de wetenschappelijke – en zelfs voor de simpelweg logische – kwaliteit van zijn werk. De gecursiveerde parenthese betekent immers logisch dat ook de door Wils zo mateloos vereerde Van Cauwelaert niet tot de Vlaamse beweging zou behoren. Daarmee zit Wils dan – allicht tot zijn ontzetting en onbedoeld – op dezelfde golflengte als de Vlaams-nationalisten tegen wie hij zo fel gekant is. Zó fel dat hij kennelijk ook uit het oog verliest wat hij toch vaak genoeg probeert aan te tonen: dat Vlaamse beweging en Vlaams-nationalisme niet per definitie hetzelfde hoeven te zijn.

Kortom: dit boek is in meer dan één opzicht leerrijk.

Onverfranst, onverduitst? Flamenpolitik, activisme, frontbeweging
Lode Wils
Pelckmans
2014
347
9789028972575