Van kasmoni tot NewB

cooperatieven
Facebooktwittergoogle_plusmail

Coöperaties in het mondiale ‘orkest van onderaf’

If democracy is good for politics, why is it not equally good for economics?
(John Restakis) i

Als de koopwaar de celvorm is van het kapitalisme, dan is het gemeengoed de celvorm van een maatschappij voorbij het kapitaal.
Nick Dyer-Witheford ii  

Kasmoni

Oma Viola was mijn Creoolse buurvouw toen ik nog in Paramaribo woonde. Een vrouw van bijna een eeuw oud, moeilijk te been, maar helder van geest. Als ze over kasmoni sprak, lichtten haar ogen op. ‘Dertig jaar lang heb ik de kas bijgehouden,’ zei ze me, niet weinig trots. De spilfiguur van een kasmoni-groepje, houdt de moni in de kas. Oma Viola regelde het verkeer van in- en uitgaande spaarcentjes. ‘Alleen gewone vrouwen onder elkaar. Mannen zijn immers niet te betrouwen,’ lachte ze. ‘Op het einde van de maand kwamen ze bij mij thuis met enkele Surinaamse gulden. Ik schreef alle namen en bedragen netjes op in een schrift. Iedereen kreeg om beurten de pot. Kasmoni was ons gezamenlijk spaarvarkentje. Interest? Dat kenden we niet.’

‘In vele delen van de niet-westerse wereld is zo’n informeel roterend spaarsysteem te vinden,’ zegt Aspha Bijnaar. ‘Vooral dan in gebieden met een zwakke staat en amper een financiële en sociale infrastructuur.’ iii Deze Nederlandse sociologe van Surinaamse origine is gepromoveerd op kasmoni. Bijnaar leefde voor haar onderzoek een aantal jaren in de Bijlmer, onder Surinamers dus. Kasmoni ontstond in Suriname bij de Afrikaanse slaven, maar de strijd om lotsverbetering is van alle plaatsen en tijden.

Solidariteit en wederkerigheid maken mensen sterker, weerbaarder ook. Deze principes zijn zo oud als de straat en moeten niet telkens opnieuw uitgevonden worden. Integendeel, in nogal wat gevallen kunnen voorbeelden uit het Zuiden een spiegel zijn voor het Noorden. Daar is de bewaarplaats van sociale mechanismen, die bij ons onder een moordende economische ratrace ondergesneeuwd zijn geraakt.

Révolutions tranquilles

Kasmoni is slechts één voorbeeld van un million de révolutions tranquilles waarover Bénédicte Manier het in haar gelijknamige boek heeft. iv De Franse journaliste trok de wereld rond en richtte haar aandacht op de acties van duizenden onbekenden, die alleen of in informele groepen en zonder veel tamtam, hun landbouw, hun consumptie, hun werk of hun wonen in eigen handen nemen. Zij dook de slums van Mumbai in, bezocht vrouwencoöperaties die arganolie produceren in de sub-Sahel, trok naar de fábricas recuperadas in Buenos Aires, naar een barefoot college in Rajasthan, naar de banco Bem in de Palmeiraswijk van Fortaleza, naar de seed banks van vrouwen in Pastaput, de watercomités van Cochabamba, de agronomen op blote voeten van Burkina Faso, de transitie in het Indische stadje Kuthambakkam en naar nog veel meer plekken in het Zuiden die niet op een wereldkaart te vinden zijn.
Met evenveel energie doorkruiste ze het Noorden van de planeet  op zoek naar boeiende initiatieven van onderuit en die vond ze zowel in een heroplevend – eens verpauperd – Detroit (It’s your city, dig it!), bij het Community Land Trust van het Amerikaanse Burlington of bij de Health Partners van Minneapolis, het Terre de Liens en de zadenbank Kokopelli op het eigen Franse platteland met vangarmen naar de hele wereld, het Baskische Mondragón en het Andalusische dorp Marinaleda, vélocip’aide en cyclofficines in het Île-de-France, repair cafés, couchsurfing (gratis uitwisselen van slaapplaatsen), het wooffing systeem op biologische boerderijen (gratis verblijf tegen enkele uren meewerken), the common good city farmers in Washington en San Franciso, de peer-to-peer-economy, de community supported agriculture (CSA), het gebruik van alternatieve munten als time dollars, liberty dollars, Detroit cheers in de Verenigde Staten, als Regiogeld in Duitsland, de banco de tiempo in Barcelona, het netwerk van Geneeskunde voor het Volk van Kris Merckx en Michel Leyers in België, de Torekes in de Gentse Rabotwijk en ga zo maar door tot dat je aan un million de révolutions tranquilles komt, die zowel in het Noorden als het Zuiden vanuit dezelfde mechanismen ontstaan en alleen lokaal een eigen creatieve invulling krijgen.

Dat zijn allemaal bewegingen van onderuit. Zoals ook in het boek van de Belgische antropoloog Rik Pinxten gaat het over ‘kleine revoluties’, die vaak onder de persradar blijven hangen. v Onderaan gebeurt er heel wat en is er nog veel plaats, schrijft en hij heeft gelijk. Met Pinxten constateer ik dat er een fameuze opbloei is van breed verspreide, vaak spontane en zeer diverse bottom-up-initiatieven die zich mee in een nieuw maatschappelijk middenveld  installeren.

Voor mijn boek De nieuwe coöperatie tussen realiteit en utopie ging ik op zoek naar het coöperatieve verhaal, zowel in het Noorden als in het Zuiden, maar tijdens die excursies is het me duidelijk geworden dat er een beweging op gang komt die ruimer is dan de coöperatieve. vi

Rik Pinxten houdt in zijn boek een pleidooi om ook het belang van micro-ontwikkelingen te erkennen en hij gebruikt daarvoor het beeld van de weg van het water. Water, zo schrijft hij, druppelt langzaam, geduldig en aanhoudend op de harde rots om zo de vorm van de rots te veranderen. Elke waterdruppel is ongelooflijk krachtig en vele aanhoudende waterdruppels kunnen de aarde veranderen. Een revolutie is in de eerste plaats een proces in het bewustzijn van mensen.

Die kleine revoluties zijn fijne draadjes die passen in de pogingen, vaak met vallen en opstaan, om te komen tot een sociaalecologische samenleving. Deze vooralsnog zeer heterogene transitiebeweging is een stilaan aangroeiend orkest van ‘Noorderlingen’ en ‘Zuiderlingen’ waarin zeer diverse instrumenten van zware bombardons tot minuscule piccolootjes aanwezig zijn.

Als een hommel

Coöperaties behoren tot de zwaardere instrumenten in het mondiale ‘orkest van onderaf’. Zij kunnen een behoorlijk partijtje meeblazen en daardoor andere tonen laten horen dan de dominante mantra’s van de hyper vrijemarkteconomie. Een coöperatie is een zeer hybride ondernemingsvorm. Wat doe je immers met een economische constructie, die een intermediaire maatschappelijke ruimte probeert in te nemen en die zich op het kruispunt van verschillende relaties bevindt: tussen staat en burgers, tussen de lokale gemeenschap en de nationale staat, tussen het economische en het sociale? Coöperaties bewegen zich niet buiten, maar in de marge van de vrijemarkteconomie. Ze zijn een verrassende combinatie van concreet utopisch denken en het noodzakelijke dagelijkse realisme om een onderneming te laten overleven die niet alleen winstmaximalisatie vooropstelt. Een versmelting dus van utopie en realisme, van radicalisme en pragmatisme. Misschien zit in dat moeilijk classificeerbare wel de grote waarde van het coöperatieve verhaal. Een ding is zeker: er is in bepaalde vormen van coöperatief ondernemen een concreet utopische onderstroom aanwezig die moet gekoesterd worden, maar waarmee men ook voorzichtig moet omspringen. De Belgische filosoof Hubert Dethier drukt dat spanningsveld mooi uit: ‘We moeten ervoor zorgen dat de steen van Sisyphus aan de top van de berg net dat punt van broos evenwicht bereikt, waarop hij niet terug naar beneden rolt.’ vii

De Italiaanse onderzoekers Stefano en Vera Zamagni maken een eerder ongewone vergelijking om het optreden van een coöperatie te beschrijven. Zij vertrekken van de moeizame vliegoefeningen van een hommel. viiiVolgens de wetten van de newtoniaanse fysica zou de hommel niet kunnen vliegen, want haar vleugelwijdte zou niet voldoende zijn om haar gewicht te kunnen dragen. En toch vliegen ze, de hommels.

Volgens de klassieke economische theorieën zou een coöperatie in de long run niet kunnen functioneren omdat haar niet-economische doelstellingen een struikelblok vormen voor het realiseren van haar economische doelstellingen. En toch ‘vliegen’ ze rustig verder met hun te korte vleugelwijdte, als het tenminste om coöperaties gaat die de balans gevonden hebben tussen business as usual en hun sociale en ethische corebusiness. Dan is het nieuwe evenwicht tussen vleugelwijdte en lichaamsgewicht gevonden. Daarom moet ook het management van een coöperatie de geest van het coöperatieve ondernemen reflecteren en versterken. Er mag geen onderscheid gemaakt worden tussen business en coöperatie. Managers van een coöperatie dienen coöperatieve waarden te integreren in hun businesspraktijken. Zonder die integratie kan een coöperatie economisch succesvol zijn, maar tegelijk coöperatief een volledige mislukking. Als de hommel echter te zwaar wordt, kunnen zijn vleugels hem niet meer dragen en dan volgt de val, zoals in het bankenverhaal. De steen van Sisyphus rolde toen met veel gedruis naar beneden en sleurde vele kleine aandeelhouders mee.

Een nieuw bankenverhaal

Dat gebeurde ook met een aantal coöperatieve banken. Het begon nochtans allemaal zo mooi, in de negentiende eeuw al. De pioniers van de financiële coöperaties zijn van Duitse origine: Franz Hermann Schultze-Delitzsch en zeker Friedrich Wilhelm Raiffeisen van wie de naam bij velen nog wel een belletje zal doen rinkelen. In 1864 al stichtte Raiffeisen de eerste coöperatieve bank. Ook in Nederland en België werden met succes coöperatieve Raiffeisenbanken en volksbanken opgericht. De Belgische Cera bank – opgegaan in KBC – heette ooit voluit Centrale Raiffeisenkas en in Nederland is Coöperatieve Centrale Raiffeisen-Boerenleenbank B.A. de volledige naam van Rabobank, die in 1972 ontstond na een samengaan van haar katholieke en protestantse vleugels.
De succesvolle vlucht van deze ‘hommels’ werd op een dramatische manier gestopt omdat ze zich lieten meeslepen in een casinokapitalisme dat geleid heeft tot de recente bankencrisis. Het moeizaam verworven evenwicht tussen business as usual en de sociale en ethische corebusiness van deze coöperatieve banken was volledig verbroken. ‘Ze lieten zich meeslepen in een suïcidale logica die nog enkel aan maximale financiële winst dacht, dezelfde logica die de ondergang veroorzaakte van Lehman Brothers, Fortis, Dexia en andere banken.’ Dat schrijft de Belgische journalist Dirk Barrez in zijn boek “Coöperaties, Hoe heroveren we de economie?” ix
Coöperatieve banken in België? Voorlopig einde verhaal dus. Rabobank is een van de weinige die, en ook niet zonder moeite, de meubels wist te redden. In België krijgt de belastingbetaler de rekening gepresenteerd van al dat graaien naar gemakkelijk geld. Voor gedupeerde kleine aandeelhouders zijn coöperaties een nachtmerrie geworden.

‘Natuurlijk, wat sommige coöperatieve banken hebben uitgespookt, valt op geen enkele wijze goed te praten en was een aanfluiting van wat maatschappelijk ondernemen moet zijn,’ stelt Barrez. ‘Maar dat is allerminst een argument om geen economische initiatieven meer te nemen vanuit de samenleving. Want dan zijn we volledig overgeleverd aan economische concerns, die nog veel erger tekeer gaan, en ook aan overheden die al vele jaren verzuimen om hun economische verantwoordelijkheid op te nemen. Waarom zouden wij het enige land in een wijde omgeving blijven dat geen eigen coöperatieve bank (meer) heeft die het toevertrouwde spaargeld veilig beheert en het aanwendt voor de echte economie die we nodig hebben?’ x

Dirk Barrez bleef niet bij de pakken zitten. Samen met enkele kompanen lanceerde hij NewB, een coöperatie om te kunnen uitgroeien tot een nieuwe coöperatieve bank in België. Het enthousiasme was groot. In no time werden ongeveer 44.000 mensen en meer dan 100 organisaties coöperant. In 2015 hoopt NewB de licentie tot bankieren te verwerven. ‘Uiteindelijk kan geen enkele macht de kracht en de wil van een georganiseerde samenleving weerstaan. Wie verandering beoogt, moet dus vooral de samenleving of de mensen “uitdagen”, niet zozeer de machtsstructuren of machthebbers.’ Barrez zegt en schrijft het al lang en handelt er ook naar. Een nieuwe bank maken is niet gemakkelijk, maar nog moeilijker is het om een echt democratische, coöperatieve bank te initiëren. Het is een van de grote uitdagingen van grote coöperaties om het democratisch gehalte van de besluitvorming onderweg niet kwijt te spelen. We zitten echter in het volkomen verkeerde verhaal als een nieuwe managerslaag met ceo-allures, die top-down en centralistisch blijft beslissen, zich in het bestuur van megacoöperaties komt nestelen. Groeien is goed, maar doe het dan democratisch en vermijd besluitvorming in gesloten cenakels van ‘deskundigen’. Daar is immers de bankencrisis begonnen. Dirk Barrez spreekt terecht over de kracht van participatie. NewB probeert haar aandeelhouders niet alleen met geld, maar ook met hun ideeën, inspiratie, voorstellen, oplossingen, projecten en expertise bij de bank-in-aanmaak te betrekken. Gedecentraliseerde algemene vergaderingen, lokale en themagroepen en een slim gebruik maken van de nieuwe sociale media via een digitaal forum en sociale platformen voor de coöperant kunnen hiertoe bijdragen. Coöperatief bankieren is tevens een mega oefening in democratisch functioneren. NewB gaat die uitdaging aan en die ontwikkelingen worden ook in Nederland aandachtig gevolgd.

Humanizing the economy noemt de Canadese coöperatie-specialist John Restakis dat in zijn gelijknamig boek. xi Het gevoel om deel uit te maken van een democratisch proces en daar mee sturing aan te geven is zeer belangrijk. Dat geldt niet alleen in verbruikers- of consumentencoöperaties zoals coöperatieve banken, maar zeker in producentencoöperaties, waar de werknemers de coöperanten zijn en dus de bazen van hun eigen coöperatief bedrijf. Dat zeggen ook Stefano en Vera Zamagni, die stellen dat de coöperatieve ondernemingsvorm in tegenstelling tot een gewoon privébedrijf het voordeel heeft dat de werkvloer ook een middel tot zelfrealisatie kan zijn in plaats van alleen maar een productiefactor. xii In een coöperatie worden niet alleen goederen geproduceerd, maar wordt er ook gewerkt aan de persoonlijkheid van de arbeidende mens. Daar wordt nooit melding van gemaakt in de nochtans veelvuldige economische vergelijkende studies tussen coöperatieve en kapitalistische ondernemingen. Volgens de Zamagni’s zijn er twee belangrijke motieven voor economische actie. De ene is teleologisch: je doet iets om uit een vorm van hebzucht in de gegeven omstandigheden het beste resultaat te boeken. Het andere motief is niet-instrumenteel: je handelt om intrinsieke redenen en dat kan zijn omdat het verband houdt met een streven naar gelijkwaardigheid, wederzijds vertrouwen, respect en andere motieven die niets met geld te maken hebben.

Vraag het ook maar eens aan de Argentijnse arbeiders uit Buenos Aires en omgeving die hun failliete bedrijven hebben overgenomen in eigen beheer. Om in een bedrijf zonder bazen te kunnen functioneren is een heel andere instelling nodig dan in een klassiek bedrijf. De story van de recuperadas gaat niet alleen over overname – dat is geen mechanisch en eenmalig gebeuren – maar levert ook heel wat inzichten op in het veranderingsproces dat zich ontwikkelt in de hoofden van gewone werknemers, die door de nijpende economische omstandigheden verplicht worden een psychologische metamorfose te ondergaan. Een coöperatie beginnen betekent ook dat je een bedrijf moet kunnen runnen en in de markt houden. Daar komen nogal wat vaardigheden en kennis bij kijken die je van een gewone uitvoerende werknemer niet zo onmiddellijk zou verwachten. Wie gaat zich bezig houden – en hoe doe je dat? – met de verkoop, de financiën, de administratie, de productie, de verzending, de planning, de veiligheid en de hygiëne binnen het bedrijf? Coöperant worden doe je niet zomaar en zeker niet alleen maar door een ideologische ingeving. Het is niet omdat je een ‘bedrijf zonder bazen’ wilt worden dat alles ineens van een leien dakje loopt.

Humanizing the economy betekent ook dat er op de werkvloer een democratische ruimte nodig is om je als mens verder te kunnen ontplooien dan alleen maar als zuivere homo economicus. Het benadrukken van het plus est en vous tijdens coöperatieve activiteiten kan daarin helpen. In The Take, een documentaire van de Canadese schrijver-activiste Naomi Klein, komt een mooie passage voor waarin een arbeider van Forja San Martin, een gerecupereerd bedrijf van auto-onderdelen, zegt: ‘Coöperatief werken is onze manier om een nieuwe wereld te maken. Dat is wat we hier vandaag aan het doen zijn.’  

Reinventar la vida por el trabajo, noemt de Uruguyaanse analist Raúl Zibechi dat.xiii Al werkende opnieuw het leven heruitvinden.

De kracht van de grote getallen

Een coöperatieve bank is een zeer belangrijk instrument om de slagkracht van de coöperatieve beweging te vergroten. Dat blijkt ook uit internationale voorbeelden waarvan de Caja Laboral van het Baskische Mondragón en de Canadese caisses-Desjardins zeker tot de meest bekende behoren. Op iets meer dan een eeuw tijd is de Desjardins-beweging een grote speler geworden, voornamelijk dan in Québec. De beweging beschikt nu over een uitgebreid netwerk van coöperaties in vrijwel alle sectoren. De Mouvement -Desjardins is niet alleen een economische reus in eigen land, maar ook tot ver over de grenzen, en zelfs in het Zuiden waar zij coöperaties helpt oprichten.

Samen met de Engelstalige Canadian Cooperative Association, opgericht in 1909, verenigen zij ongeveer de helft van de totale Canadese bevolking, waardoor Canada een van de meest coöperatieve landen ter wereld is. Op dit ogenblik zijn er in Québec meer dan 3300 coöperaties en mutualiteiten en ongeveer 9000 in heel Canada. Ze zijn aanwezig in vrijwel alle sectoren van de economie. 5,6 miljoen leden telt Desjardins. Meer dan 90.000 banen zijn direct verbonden met coöperaties, wat maakt dat Desjardins de grootste privéwerkgever is in Québec en de vijfde grootste in heel Canada. Bovendien is de groei van arbeidsplaatsen in coöperaties groter dan in de rest van de economie: 85 procent tussen 1995 en 2009 tegenover slechts 23 procent in de rest van de economie. Coöperaties hebben er ook beter weerstand kunnen bieden aan de crisis van 2008. De doorsnee coöperatie vertoont een levensduur die dubbel zo lang is als die van een gewone privé-onderneming, respectievelijk 62 procent na 5 jaar en 44 procent na 10 jaar voor coöperatieve ondernemingen en slechts 35 procent na 5 jaar en 19,5 procent na 10 jaar voor de privé.xiv

Ook Zwitserland verrast door zijn sterke coöperatieve beweging. Twee megacoöperaties, Migros en Coop, beheersen er het coöperatieve landschap. Dirk Barrez trok ernaartoe: ‘Met net geen acht miljoen zijn ze, de Zwitsers, en dat is duidelijk een pak minder inwoners dan België of Nederland tellen. Van die Zwitsers zijn er begin 2012 zo maar eventjes 2.895.062 lid van Coop, en ook Migros telt 2.091.188 leden. Zowel Coop en Migros zijn actief in wat traditioneel ‘food’ en ‘non-food’ heet. Maar hun absolute sterkte ligt bij het eerste: hun eten en drinken kopen de Zwitsers voor maar liefst 70 procent bij deze twee coöperatieve winkelketens; dat is onvoorstelbaar veel! Migros haalde in 2011 een omzet van bijna 25 miljard Zwitserse frank, 24,815 miljard frank om juist te zijn, waarvan 18,535 miljard in de detailhandel. Coop deed in 2011 nog beter en stak Migros voorbij door de overname van de groothandel Transgourmet en de verwerking ervan in de boekhouding. Resultaat: een zakencijfer van maar liefst 27,727 miljard Zwitserse frank, waarvan 18,444 miljard in de winkels voor de gewone consument. Vergelijk dat met bijvoorbeeld Colruyt – toch de grootste supermarktketen van België – dat in zijn jongste werkjaar in vergelijking met zijn Zwitserse collega’s een bijna 3 maal kleinere omzet haalde van 7,848 miljard euro waarvan 5,997 miljard in de detailhandel.’ xv

In al deze voorbeelden spreken de grote getallen duidelijke taal. Er gaat kracht van uit.
De coöperatieve beweging in de wereld, ondergebracht in de International Co-operative Alliance (ICA), is de grootste ngo ter wereld en vertegenwoordigt ongeveer 1 miljard mensen bestaande uit 249 ledenorganisaties uit 94 landen in landbouw, bankwereld, visserij, gezondheidszorg, woningbouw, industrie, verzekering, toerisme en consumentenorganisaties. De top driehonderd coöperaties in de wereld zijn samen goed voor een omzet die gelijk staat aan het bruto binnenlands product van Canada. Samen zorgen zij voor een omzet van tweeduizend miljard dollar waarvan meer dan de helft in het bank- en verzekeringswezen. De allergrootste is een coöperatieve Japanse verzekeraar, Zenkyoren, met een omzet van zeventig miljard dollar. De Verenigde Naties schatten dat het leven van ongeveer drie miljard mensen minder onzeker wordt via coöperatief ondernemen in de ruimste betekenis.xvi

(http://2012.coop/en/ica/co-operative-facts-figures)

Mutualiseren van de commons

De commons of het ‘gemeengoed’ gaat over sommige vormen van rijkdom die aan niemand en dus aan iedereen toebehoren. Delen onder elkaar, dat is de boodschap. Anneleen Kenis en Matthias Lievens geven in De mythe van de groene economie een zeer brede omschrijving van het begrip: ‘Het zijn al die dingen die we samen creëren of erven van vorige generaties. Het gaat om giften van de natuur zoals de lucht, de zee, grondstoffen, zuiver water, maar ook maatschappelijke creaties zoals publieke ruimtes, bibliotheken, wetenschappelijk onderzoek, creatieve werken, kunst, kennis of waarden. We zijn ons er niet altijd van bewust hoe belangrijk ze wel zijn, maar zonder de commons zou de maatschappij gewoon niet kunnen functioneren. Van stranden en bossen tot het internet, van filosofische inzichten tot Wikipedia en zelfs de taal: het zijn allemaal vormen van gemeengoed.’xvii Ricardo Petrella spreekt en schrijft ook al jaren over het belang van het herstellen van le bien commun, de nobility of the collective. De Italiaans-Belgische denker en activist vertrekt daarvoor voornamelijk van water als gemeenschappelijk goed.

Het mutualiseren van de commons is de grondtoon die je kunt opvangen in het Noorden en het Zuiden: zowel bij inheemse volken en arme boeren die hun grondenrechten en vrije toegang tot water opeisen, kasmoni-groepen, arbeiders van de fábricas recuperadas in Buenos Aires, als bij coöperanten allerhande, stadstuiniers, window farmers, coachsurfers, hackers, co-housing’ers, zaden- en tijdbankierders, LETS’ers en beoefenaars van andere vormen van social sharing.

Het gaat in alle gevallen om zeer oude begrippen die in een nieuw, vaak zeer hip kleedje worden gestoken. Het ‘mutualiseren’ is een woord uit de 19de eeuw dat in deze tijd aan herwaardering toe is. Het gaat immers om het ‘onder elkaar verdelen’, om het naar boven halen van onze gemeenschappelijkheid. De wijsheid van de oma Viola’s en andere nobele onbekenden uit het Zuiden blijft ook in deze tijden van neoliberalisme gelukkig bovendrijven. ‘Mutualiteit’ en ‘reciprociteit’ zijn voor hen geen moeilijke woorden, maar vanzelfsprekendheden.

In Italië mutualiseert men niet alleen kennis, maar ook tijd. Luister maar naar het recept voor een tijdsbank zoals de Italiaanse journaliste Geraldina Colotti het optekende van initiatiefneemster Roi D’Amico: ‘Meng in een bank een kilogram van uitwisselingen met driehonderd gram van reciprociteit en socialisatie. Voeg er een kopje vriendschap bij, twee eierdooiers vertrouwen en verrijk nog met een lepeltje vreugde. Het geheel goed mengen met een snuifje gekte, magie en mysterie. Besprenkel met een beetje kleurstof. Vervolgens opwarmen in de oven en bestrooien met sympathie. Versieren met cultuur en kunst en zachtjes opdienen.’xviii

p2p

Het mutualiseren van de kennis, dat is ook het onderwerp waar de Belgische cyberfilosoof Michel Bauwens al jaren mee bezig is. Je zou hem een uitstekende overbrenger van oude wijn in nieuwe zakken kunnen noemen en dat is dan niet denigrerend bedoeld, integendeel. Commoning wordt het tegenwoordig wat modieus genoemd. Bauwens houdt de nieuwe technologieën tegen het licht en voedt ze met ondergesneeuwde waarden als solidariteit en reciprociteit. Dat is zijn filosofisch uitgangspunt.

Bauwens is de spreekbuis van de peer-to-peer-beweging (p2p).‘Peer-to-peer heeft betrekking op de capaciteit van mensen om als gelijken samen waarden te creëren zonder daarvoor toestemming te moeten vragen,’ schrijft hij in zijn boek “De wereld redden”. xix

In de computerwereld wordt een netwerk van computers die zich op hetzelfde hiërarchische niveau bevinden een peer-to-peer-netwerk genoemd. Peer-to-peer, letterlijk ‘van gelijke tot gelijke’, kortweg p2p, wordt steeds meer, ook buiten de computerwereld, gebruikt om fenomenen te beschrijven waarbij mensen elkaar horizontaal benaderen. Horizontaal betekent hier: op voet van gelijkheid en zonder (of met minimale) tussenkomst van bijvoorbeeld een bedrijf of de overheid. Deze verschuiving van bezit van kennis naar het delen ervan, veroorzaakt via het internet, zie je ook in de Open Access-beweging en veroorzaakt stormen van protest zowel binnen de academische wereld als binnen de bedrijfswereld, die via copyright en zeer hoge prijzen kennis als common good te gelde en dus voor velen onbereikbaar maakt.

Michel Bauwens stelt dat heel wat sociale praktijken als samen innoveren en het gedeeld gebruik van producten al lang bestonden, maar dat ze niet konden ‘schalen’ (scaling). Door het internet zijn de communicatie- en transactiekosten van het samen doen drastisch naar beneden gedrukt en krijg je opeens samenwerking op grote schaal. Hij noemt dat het ‘mondiaal schalen van kleine-groepsdynamieken’ (global scaling of small group dynamics). Dit principe lag aan de basis van bijvoorbeeld Wikipedia en het open source besturingssysteem Linux. De teams van Wikipedia en Linux zijn klein: van een tot vijf personen. En toch slagen die mensen erin om zeer complexe producten op te bouwen die na een paar jaar beter blijken te functioneren dan de alternatieven uit de bedrijfswereld. Geen enkel bedrijf, hoe groot het ook is en hoeveel mensen het ook kan rekruteren, is op termijn sterker dan een mondiaal netwerk van mensen die samenwerken.

FLOK in Ecuador

Michel Bauwens woont in het Thaise Chiang Mai, maar is virtueel in de hele wereld aanwezig. Hij kijkt aandachtig naar ontwikkelingen in het Zuiden en op dit ogenblik vooral naar Zuid-Amerika, dat na twintig jaar economische catastrofe in de jaren tachtig en negentig van vorige eeuw, massaal het neoliberale model heeft verworpen. In Ecuador bijvoorbeeld, waar hij op dit ogenblik adviseur is van president Rafael Correa is het budget van de overheid die vooral sociale doeleinden nastreeft, met een factor vier vergroot. Michel Bauwens: ‘Ecuador heeft momenteel een heel interessant transitieproject, het FLOK Society project, dat een sociale kenniseconomie nastreeft. FLOK staat voor free, libre, open knowledge society en is gebaseerd op de inhoud van een enthousiasmerende speech van president Correa waarin hij de Ecuadoraanse jongeren oproept om te werken en strijden voor een open commons georiënteerde maatschappij. Het gaat erom om op elk sociaal gebied gedeelde kennis te ontwikkelen en aan te bieden, die door iedere burger, bedrijf of overheidsinstantie, kan gebruikt worden om verder te innoveren. Voorlopig echter is Ecuador de enige natiestaat die op nationaal niveau substantieel onderzoek financiert rond de transitie naar een nieuw sociaal en economisch model.

De Rochdale-pioniers

Is coöperatief ondernemen nu het alfa en omega om tot maatschappijverandering te komen of/en een wondermiddel om de crisis te bestrijden? Nee, natuurlijk niet. Laten wij ons hoeden voor een kritiekloze en al te rooskleurige benadering.

Het fenomeen ‘coöperatie’ is wegens zijn hybride karakter ideologisch altijd al een glibberig terrein geweest: te ‘socialistisch’ voor de ene, te ‘liberaal’ voor de andere.
Vanaf het optreden van de pioniers van Rochdale in 1844, nog steeds de basis van het huidige coöperatieve verhaal, deed er zich op het vlak van de coöperatieve praktijk een paradigmaverschuiving voor. De stichtende leden, 28 Engelse wevers uit de buurt van het textielcentrum Manchester, voegden de nodige dosis pragmatisme toe aan de theoretische uitgangspunten van socialisten à la Robert Owen. Een realistische step by step-benadering maakte de coöperatiedroom tot een menselijker verhaal. De pioniers van Rochdale waren geen utopisten, maar dragers en verspreiders van een concrete utopie. Zij richtten zich op het bestaande, maar verloren ook het ‘nog niet bestaande’ niet uit het oog. De achterliggende ideeën tot maatschappijverandering van Owen werden niet gedropt – lees hun statuten erop na – maar de dagelijkse strijd om concurrentieel te blijven in een economisch vijandige omgeving evenmin. Het balanceren in dat spanningsveld tussen no-nonsense en bezieling is ongetwijfeld hun grote verdienste, en dat is nog steeds de grote kracht van coöperatief ondernemen.

13 van de 28 Rochdale-pioniers (http://www.rochdalepioneersmuseum.coop/about-us/about-the-pioneers)

Een ideologisch strijdpunt

Dat vond echter niet iedereen, ook niet in de stilaan opkomende arbeidersbeweging.
Coöperaties vormden in de tweede helft van de negentiende eeuw een taai strijdpunt tussen anarchisten en marxisten. Voor Proudhon begon de sociale revolutie met de strijd in coöperaties en werkplaatsen. ‘De sociale revolutie,’ zo schreef hij, ‘wordt ernstig in gevaar gebracht door de politieke revolutie.’ De Franse anarchist geloofde dat de sociale strijd zonder geweld gestreden kon worden, dat de maatschappij veranderd kon worden met de rede en het stellen van voorbeelden. Proudhon en zijn volgelingen meenden dat de arbeidersbeweging zich helemaal niet hoefde te profileren in de politieke strijd. Zij zagen de redding van de arbeiders in een federatie van communes, mutualisme en coöperaties.

Karl Marx was het daar helemaal niet mee eens. Het is trouwens Marx himself die de term ‘utopisch socialisme’ eerder als een scheldnaam lanceerde. Marx en Engels zagen geen heil in het uitwerken van blauwdrukken voor een socialistische maatschappij. Zij beschouwden dat als nutteloze intellectuele speculaties. Vandaar dat zij figuren als een Proudhon eerder als dromers en zwetsers beschouwden. In hun ogen trachtten de utopisten zich met een sprong in hun verbeelding buiten de tijd te plaatsen. Zij hadden volgens hen geen notie van de krachten en processen die de historische ontwikkeling bestuurden. Daartegenover plaatsten zij hun ‘wetenschappelijk socialisme’ dat een ‘juiste’ verklaring van de geschiedenis was, en dan met name van de klassenstrijd. De plannen van de utopische socialisten waren bijgevolg gedoemd om te mislukken en bovendien gevaarlijk. Voor Marx stond het veroveren van de politieke macht in de staat voorop. Niet zo voor Proudhon en volgelingen. Beide groepen streefden het einde van het kapitalisme na, maar op een totaal verschillende manier. Bij het tot stand komen van de Eerste Internationale in 1864 vormden de productiecoöperaties – niet de consumptiecoöperaties omdat Marx alleen oog had voor de productieverhoudingen – een belangrijk strijdpunt tussen de aanhangers van het ‘wetenschappelijk’ en ‘utopisch’ socialisme. De coöperatie werd de inzet van een felle ideologische strijd tussen wereldverbeteraars. Was en blijft de coöperatie een instrument om de maatschappelijke ordening te veranderen, om het bestaande beter en soepeler te kunnen bestendigen of … gaat het hier om een derde weg zoals je nu meer en meer stemmen hoort opgaan, zoals die van de Luikse hoogleraar Jacques Defourny? xxEn wat moet dan de rol van de staat zijn? Dat blijven prangende vragen.

Kijken naar het Zuiden

Transitie naar een sociaalecologische samenleving kan natuurlijk niet enkel steunen op coöperaties en allerhande bewegingen van onderuit. Ook de staat moet een belangrijke rol  spelen, niet als een terugwijkende maar als een sturende, herverdelende  en ondersteunende overheid, zoals in het Ecuador van Rafel Correa of het Bolivia van Evo Morales op dit ogenblik, landen waar men streeft naar een ‘socialisme van de 21ste  eeuw’. Niet iedereen bezit immers de veerkracht om anders te gaan werken. In de duale maatschappij die door de crisis almaar groter wordt, groeit een zeer grote groep van werklozen, de nieuwe verworpenen der aarde, die geen veerkracht, maar vooral veel zwaartekracht in het lichaam voelen. Het is maar zeer de vraag of zij bereid zijn om in die transitiebeweging hun partijtje mee te blazen. Jurgen Habermas waarschuwde onlangs nog in een boeiend essay ‘Voorbij de horizon, de toekomst van de Europese democratie’ voor die almaar groter wordende maatschappelijke dualisering.xxi

Om die trend te counteren is meer staat nodig en dan zeker niet van de neoliberale snit die, om de economie structureel aan te passen, lijdzaam de hardvochtige recepten van Milton Friedman en zijn Chicago boys toedienen, maar precies daardoor een sociaal bloedbad creëren. Het is president Rafaël Correa himself die in de Parijse Sorbonne onder de titel ‘Door schulden geplaagd Europa herhaalt onze fouten’ zijn Europese collega’s waarschuwde om niet in dezelfde val te  trappen. xxii    
Goed kijken naar het Zuiden is dus meer dan ooit de boodschap. Ook om al die kleine waterdruppels waarover Rik Pinxten het heeft te kunnen capteren en natuurlijk ook om de coöperatieve kracht van de grote getallen waarop Dirk Barrez terecht de nadruk legt te kunnen voelen: van het Baskische Mondragón, de Zwitserse coöperaties, de Canadese Desjardins-beweging, de wereldwijde ICA en andere nationale en internationale netwerken. Zij kunnen samen de lange weg naar die sociaalecologische samenleving van de toekomst helpen verkorten. Al die initiatieven, grote en kleine, zoeken een plaats op die derde weg die zich in een breder en sterker wordend maatschappelijk middenveld situeert.

(Arbeider in een Mondragón coöperatie)

(Dit artikel verscheen eerder op www.apache.be. Een sterk ingekorte versie van dit artikel verscheen in: Menno Bosma en Else de Jonge (red), De coöperatie in beweging, als een deel van ‘Publiek Geheim’, een boekenserie van frissewind.nl, 2014, ISBN 9789080790902 )

 

Noten

i Restakis, J. (2010). Humanizing the Economy. Co-operatives in the Age of Capital. Gabriola Island: New Society Publishers.

ii Nick Dyer-Witheford, ‘Commonism’, http://turbulence.org.uk/tubulence-i/commonism, geciteerd in: Kenis, A. & Lievens, M. (2012). De mythe van de groene economie. Valstrik, verzet, alternatieven. Berchem: EPO, 2012, p. 215

iii Kees de Vree – www.trouw.nl 23/02/2008µ

iv Bénédicte Manier (2012), Un million de révolutions tranquilles. Comment les citoyens changent le monde. Parijs: LLL.

v Pinxten, R. (2013). Kleine revoluties. Berchem: EPO

vi Lotens,W. (2013), De nieuwe coöperatie tussen realiteit en utopie. Leuven: LannooCampus.

vii Het marxisme helpt de bankier het kapitalisme te begrijpen. In: Aktief Masereelfonds, 2014, nr. 1-5, p. 4

viii Zamagni, S. & Zamagni, V. (2010). Cooperative enterprise. Facing the Challenge of Globalization, Northampton: Edward Elgar

ix Barrez, D. (2014) Coöperaties. Hoe heroveren we de economie? Leuven: www.pala.be

x Lotens, W. op. cit. p. 122

xi Restakis, J. (2010). Humanizing the Economy. Co-operatives in the Age of Capital. Gabriola Island: New Society Publishers.

xii Zamagni, S. & Zamagni, V. (2010). Cooperative enterprise. Facing the Challenge of Globalization, Northampton: Edward Elgar

xiii Raúl Zibechi, Una década de fábricas recuperadas: Reinventar la vida desde el trabajo, Upside down, 3 november 2010. Zibechi werkt voor het linkse tijdschrift La Brecha in Montevideo en is docent en onderzoeker over sociale bewegingen aan de Multiversidad Franciscana de América Latina(ziewww.cipamericas.org/es)

xiv Volgens Bernard Brun, directeur Relations Gouvernementales van de Mouvement Desjardins, op een studiedag van de SP.A-PS in 2012 in Brussel.

xv Lotens, W. op. cit. p. 128

xvi In de Verenigde Staten zijn er 305 miljoen leden en 30.000 coöperaties, Dan volgen China met 160 miljoen coöperanten en India met 97 miljoen. Japan volgt met 75 miljoen coöperanten en Frankrijk is het eerste Europese land met 32 miljoen coöperanten. Iran telt 25 miljoen en Canada 18 miljoen coöperanten. Dan volgen het Verenigd Koninkrijk met 11,5 miljoen en Bangladesh met 11 miljoen coöperanten. 

xvii Kenis, A. & Lievens, M. (2012). De mythe van de groene economie. Valstrik, verzet, alternatieven. Berchem: EPO, p. 216

xviii Colotti, G. In: Le Monde Diplomatique van oktober 2012, dossier: ‘La gratuité, un projet de société’

xix Bauwens, M. (2013). De wereld redden. Antwerpen: Houtekiet

xx Defourny, J., e.a. (red.) (1999). Sociale economie in Noord en Zuid. Leuven/Apeldoorn: Garant.

xxi De Groene Amsterdammer van 31 oktober 2013.

xxii www. paris-sorbonne.fr

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Borgerhoutenaar Walter Lotens (°1942) noemt zich een glokale burger. Deze gepensioneerde leraar, mede-oprichter van de Actiegroep Kritisch Onderwijs (AKO), moraalwetenschapper, publicist en Latijns-Amerikawatcher schreef voor LA Chispa, een Nederlandstalig magazine over Latijns-Amerika en de Cariben, het Belgische De Reiskrant en voor de Surinaamse krant “De Ware Tijd” en nu voornamelijk voor de webzine voor internationale politiek uitpers.be, waarin hij niet alleen uitvoerig aandacht besteed aan Latijns-Amerika, maar ook aan het Antwerpse mobiliteitsdossier.