De ‘lulaficatie’ van Latijns-Amerikaans links

Lula Braz
Facebooktwittergoogle_plusmail

Sinds het einde van de jaren negentig bevindt Latijns-Amerika zich in een transitiefase, die bij gebrek aan een meer nauwkeurige omschrijving gedefinieerd wordt als ‘postneoliberalisme’ en die de Ecuadoraanse president Rafael Correa een ‘verandering van tijdsgewricht’ heeft genoemd. Het gaat zonder twijfel over een veelheid aan ervaringen die moeilijk te herleiden vallen tot de brede definitie

van de twee linkse richtingen waarover Álvaro Vargas Llosa het heeft. i Deze opdeling in ‘vegetarisch’ linkse stromingen (Chili, Brazilië en Uruguay) en ‘carnivore’ linkse (Venezuela, Bolivia en Ecuador) doet nogal manicheïstisch aan en loopt daardoor het risico de convergenties tussen beide uitersten niet in beeld te krijgen. Een gelijkaardige benadering doet zich voor bij radicaal links dat vanuit een zelfde analyse vertrekt, maar die de revolutionaire regeringen positief beoordeelt en negatieve punten geeft aan de reformistische

Onlangs verscheen er in de New York Times een lovend artikel over het macro-economisch beleid van Evo Morales dat als ‘voorzichtig’ werd bestempeld ii, ook La Nación, het dagblad van de Argentijnse oligarchie, titelde ‘Bolivia geeft de toon aan’iii en het programma Money van CNN schonk een gouden medaille aan Bolivia dat fel verbeterd is sinds 2005iv. Dat zijn drie voorbeelden van uitspraken die niet passen in het straatje van voor- of tegenstanders van het huidige Bolivia. Hetzelfde zien we gebeuren in het veranderingsproces van Ecuador waar grondige maatschappelijke wijzigingen samengaan met een gedollariseerd nationalisme.

Bij het analyseren van de ervaringen van links mogen we niet over het hoofd zien dat het over regeringen gaat die als post-neoliberaal moeten worden bestempeld, omdat ze niet alleen de gevolgen van de ‘lange nacht’ van de Washington consensus zoeken op te heffen, maar ze willen ook de rol van de staat in ere herstellen in die landen die zwaar getroffen werden door structurele maatregelen en door het geglobaliseerd en geïndividualiseerd op consumptie afgestemd kapitalisme dat door de Italiaan Raffaele Simone v‘het lieftallige monster’ werd genoemd, zonder echter te hervallen in het oude etatisme waarvan de crisis tot privatiseringsoperaties heeft geleid.

In landen zoals Bolivia en Ecuador hebben de volksregeringen van de economische groei en stabiliteit een prioriteit gemaakt. Daarom is de stijging van het bnp onder Evo Morales, zoals trouwens bevestigd wordt door The New York Times en het Internationaal Monetair Fonds (IMF), een der belangrijkste ter wereld. vi In Venezuela daarentegen heeft de regering van Nicolás Maduro een economische beleid dat enerzijds herverdelend gericht is, maar anderzijds verspillend is en ontwrichtend werkt.

 

Het einde van het socialisme van de 21ste eeuw

Na meer dan een decennium van linkse oriëntering (vijftien jaar in Venezuela en acht jaar in Bolivia en Ecuador) is ‘de heroïsche etappe’ afgesloten: er is sprake van een stagnatie van de antiliberale integratie – bijvoorbeeld in het geval van Unasur (Unie van Zuid-Amerikaanse naties)vii– en de linkse strekkingen hebben het monopolie als vaandeldragers van de verandering verloren. Een nieuw rechts dat een mengeling is van populisme en ‘cultureel liberalisme’ met een sociaal gelaat, daagt nu het linkse blok uit op regionaal gebied (bijvoorbeeld door een symbolische installatie van een Alianza del Pacífico) maar ook op nationaal vlak:Sergio Massa en Mauricio Macri in Argentinië, Henrique Capriles in Venezuela en Mauricio Rodas, die het burgemeesterschap van Quito op Rafael Correa heeft veroverd.

Dat betekent natuurlijk niet dat in verscheidene landen links toch aan de macht zal kunnen blijven (Evo Morales, Dilma Rousseff en Tabaré Vázquez maken een flinke kans om opnieuw verkozen te worden en Michelle Bachelet won de verkiezingen in december van vorig jaar met ruime voorsprong). De overgang naar een vorm van ‘socialisme van de 21ste eeuw’ bleek toch meer verbonden met het hyper actief voluntarisme van een Hugo Chávez en nu biedt de Venezolaanse crisis vrij spel aan een Brazilië, dat opteert voor een kapitalistisch economisch groeimodel dat nauw verbonden is met de eigen grote bedrijven. Brazilië speelt zowel de rol van ‘regionale aanjager’ als die van grote mogendheid met haar eigen belangen in de wereld. Dat is merkbaar onder andere in de toegenomen invloed op Cuba, zowel economisch als politiek, die onder Lula is begonnen. Fidel Castro had een zeer nauwe politieke en emotionele band met Chávez, maar het is niet verwonderlijk dat de koelere Cubaanse militairen, die de strategische sectoren van de economie controleren, en ook de technocratische elite onder Raúl Castro meer affiniteit hebben met de Brazilianen, hoewel ze op dit ogenblik natuurlijk afhankelijk blijven van de Venezolaanse olie. Het Spaanse dagblad El País bijvoorbeeld berichtte dat Lula op een van zijn reizen naar Cuba Blairo Maggi, ex-gouverneur van Matto Grosso en de zogeheten ‘koning van de soja’, had meegenomen om de Cubanen technische kennis bij te brengen.viii De ex-syndicalist gaf – niet zonder enige vorm van paternalisme – als raad aan Maduro dat hij minder energie moest stoppen in het politieke debat en meer aandacht moest besteden aan besturen en aan het vormen van een coalitieregering met een minimumprogamma om de politieke spanning te doen afnemen. ix

 

Politiek van economische ontwikkeling

In alle landen proberen de linkse regeringen extractivisme en sociale politiek met elkaar te combineren. Daarover bestaat een consensus. Die politiek heeft op verschillende plaatsen tot heftige milieuconflicten geleid (in Argentinië, Peru, Ecuador, Brazilië en Bolivia), gekoppeld aan de stijgende invloed van China, nieuwe wegeninfrastructuur en ontginningen in beschermde gebieden ( zoals het geval van de TIPNIS in Bolivia en Yasuni in Ecuador) en de problemen van het extractivisme en de regionale integratie. x In het geval van Argentinië, Brazilië en Paraguay komt daar nog het debat rond de ‘soja-isering’ bij, die precies door de druk van de vraag uit Azië, al jaren de landbouwproductie en het leven op het land dreigt te verstoren.

Deze politiek van economische ontwikkeling vindt niet alleen plaats in de grote regionale economieën. Met tranen in de ogen opende Rafael Correa ‘Yachay, de stad van de kennis’. xi Opgezet met behulp van Zuid-Korea, wil deze ‘stad’ talenten leveren voor de economie in samenwerking met verscheidene bedrijven en buitenlandse onderzoekscentra. Evo Morales, met dezelfde emotie – en met naast hem vicepresident Álvaro García Linera die ook amper zijn tranen kon bedwingen – volgde vanuit China de lancering van de eerste Boliviaanse satelliet Túpac Katari (TKSAT-1) waarin de staat 300 miljoen dollar investeerde. In een recent interview noemde Morales drie keer Zuid-Korea dat met belangstelling naar Bolivia (o.a. naar de lithiumvoorraden n.v.d.r.) en Ecuador kijkt.

Tegenover deze politiek van economische ontwikkeling zijn enkele alternatieve zienswijzen met een beperkte politieke impact ontstaan. Een deel refereert aan de sociale en milieuconflicten en bekritiseert de Consenso de los Commodities xiidie de Washington Consensus van de jaren negentig is komen vervangen. Een ander deel focust voornamelijk op het buen vivir (het goede leven), verbonden met het inheemse wereldbeeld, maar dat door haar te sterk filosofisch karakter sociale ondersteuning mist zeker in vergelijking met de economische samenwerking tussen Brazilië en Bolivia. De vraag blijft echter of deze landen met progressieve regeringen hun afhankelijkheidspositie als grondstoffenleverancier zullen kunnen afleggen.

 

Progressief of populistisch?

Op ethisch gebied worden de nieuwe regeringen geconfronteerd met een ander spanningsveld: vaak zijn ze meer populistisch (en antiliberaal) dan progressief. In Argentinië wil het kirchnerismexiii niet weten van abortus, maar het land is dan weer koploper in de verdediging van de rechten op seksuele diversiteit, terwijl in de rest van de regio de linkse regeringen weinig geneigd zijn om de burgerrechten ook naar seksuele diversiteit uit te breiden. Rafael Correa is hiervan een voorbeeld. Hoewel in december 2013 door de overheid contacten werden gelegd met homo- en lesbiennegroepen vergaloppeerde Rafael Correa zich even later door te spreken over ‘excessen van de ideologie van het geslacht’. ‘Misschien,’ zei Correa, ‘zijn er wel enkele fundamentalisten die absurde voorstellen doen. Er kan geen sprake zijn van gelijke rechten, zonder gelijkheid in alle aspecten, namelijk dat mannen op vrouwen lijken en vrouwen op mannen. Ya basta!’ xivTrouw aan het katholicisme dreigde hij met ontslag indien er binnen zijn partij nog verder over abortus waarvan sommige leden vinden dat het uit het strafrecht moet, zou worden gediscussieerd. Vanaf einde 2012 promootte de staat de pil via de publieke ziekenhuizen om te laten zien dat het niet alleen bij verklaringen van politieke leiders bleef.

In Bolivia legde Evo Morales ministers het zwijgen op die het debat over zwangerschapsonderbreking wilden openen. Recenter nog keurde het parlement een codex over het kind goed die onderstreept dat het leven met de conceptie begint. Uitsluitend in gevallen van verkrachting zou men aan het gerecht toelating mogen vragen tot zwangerschapsonderbreking. Deze codex belet volledig de bespreekbaarheid van het thema. En wat het thema van de seksuele diversiteit betreft, hoewel er een eenheid tot’ontpatriarchisering’ werd opgericht, afhangend van het viceministerie van dekolonisatie, blijkt de vooruitgang zeer pover. ‘Bolivia is diverser dan verteld wordt’ en dat betekent dat de diversiteit niet eindigt met het etnisch-culturele.’ Dat is een uitspraak die in een gay betoging werd gebruikt. Maar de familiale codex waaraan wijzigingen worden aangebracht is alleen opgesteld voor gehuwde koppels inclusief feitelijke verbintenissen tussen een man en een vrouw. In het geval van Ecuador dan weer ondersteunt de nieuwe grondwet burgerlijke verbintenissen: artikel 68 erkent ‘de duurzame en monogame relatie tussen twee personen’ zonder het geslacht ervan te specifiëren.xv

In Argentinië daarentegen is de wet op de gelijkwaardigheid van het echtpaar en op de geslachtsidentiteit, die toelaat om op de identiteitskaart geslachtsverandering aan te geven, een van de meest geavanceerde op het vlak van erkenning van homorechten. Het is opmerkelijk dat deze beslissing werd aangewend in spotjes voor de verkiezingscampagne en die hebben geen stemmen gekost aan de regering. Ook in Uruguay en Brazilië wordt die gelijkwaardigheid tussen huwelijkspartners erkend. Dat alles vertaalt zich echter niet in en grotere sociale mobilisatiekracht: in vele landen is de oproep van katholieke en evangelische groeperingen veel groter dan LGBTI-organisaties (het thema van de evangelische expansie in middens van het volk wordt nog steeds weinig benaderd door links). Vaak zijn LGBTI-organisaties verdeeld wat uiteindelijk in het voordeel speelt van de conservatieve krachten binnen de regeringen.xvi

 

Heden en toekomst

Met vallen en opstaan verandert Latijns-Amerika in verschillende opzichten en daarin heeft de linkerzijde zeker haar aandeel. Vandaag lijkt het erop dat doordat Venezuela in crisis is en er geen regionale leider meer is de zogenaamde ‘twee linksen’ samenvloeien in een geheel met een meer uitgesproken ‘lulistische’ benadering. Het post-neoliberalisme tracht een minder antisysteemweg op te gaan, met min of meer overeenstemming betreffende de structurele hervormingen die iedere regering heeft doorgevoerd: Ecuador en Uruguay bijvoorbeeld hebben belastingsmaatregelen doorgevoerd die afwezig bleven in Argentinië. De afspraken van Evo Morales met de burgerij van Santa Cruz passen in die tendens. Die ‘lulistische’ zwenking herleidt echter de postkapitalistische economische experimenten tot een marginale bezigheid.

Het feit dat de nieuwe rechterzijde geen openlijke plannen heeft tot reprivatiseren en soms zelfs wedijvert met de progressieve regeringen in voorstellen tot inclusie, creëert een tijdgeest met nieuwe schema’s en nieuwe moeilijkheden. Voor de nationaal-populistische linkerzijde is de mogelijkheid van een electorale nederlaag nog niet aan de orde. Het probleem voor de partijen die zich beschouwen als de vertolkers van de verzuchtingen van het volk is dat ze niet kunnen verliezen en er zelfs niet aan denken de macht tijdelijk af te staan zonder die terugval als een contrarevolutie te beschouwen. In die optiek is om het even welke institutionele maatregel om tot een machtswissel te komen minder ingegeven uit de noodwendigheden van het volk of van de revolutie. De actuele revoluties (‘van de burger’ in Ecuador, ‘Bolivariaans’ zoals in Venezuela of ‘democratisch en cultureel’ zoals in Bolivia) zijn tot stand gekomen door verkiezingsoverwinningen, waaraan de kiezers hun steun kunnen terugtrekken. Daardoor wordt links verplicht om voortdurend herverkozen te worden. Na de misstap in de vorige gemeenteraadsverkiezingen toonde Rafael Correa zich bereid om niet voor presidentiële herverkiezing te gaan, hoewel een deel van zijn partij Alianza País zich daartegen verzette. (Correa werd voor een derde maal herkozen, n.v.d.r.)

In het geval van de meer reformistische regeringen tracht men, ondanks de niet opeenvolgende verkiezingsoververwinningen toch de continuïteit te verzekeren: Bachelet in Chili kwam terug aan de macht, Tabaré Vazquez van Uruguay hoopt op zijn terugkeer en Lula functioneert als reserve bij een eventuele misstap van Dilma Rousseff en eventueel zelfs als mogelijke kandidaat in de toekomst. Dat alles illustreert dat er in het linkse kamp geen duidelijk proces van herverkiezing van elites aan de gang is en dat de macht van de leiders enorm is. Anders gezegd: meer lulisme dan petisme (de PT is de partij van Lula en Dilma, n.v.d.r.)

In alle gevallen wordt de linkerzijde uitgedaagd om nieuwe agenda’s tot grondige veranderingen te bedenken: de verwijzing naar ‘de lange neoliberale nacht’ blijkt steeds minder weerklank te vinden bij de jonge generatie die die periode niet hebben meegemaakt en de ouderen beginnen ze te vergeten en zich meer te richten op de nieuwe problemen die zich nu aandienen. Het is voornamelijk Brazilië dat deze spanning ervaart tussen een stagnerende, staatsgerichte PT en een nieuwe generatie met nieuwe eisen met betrekking tot de publieke ruimte, het onderwijs, het milieu, het transport en de kosten van de wereldbeker en dat alles te midden van een sputterende economie. In Bolivia zullen inheemsen een steeds belangrijker rol gaan vervullen in het economisch leven. Een aantal onder hen zijn immers niet langer de uitgeslotenen. Door hun etnisch kapitaal wordt hun huid als het ware wit gewassen. Het geval van Uruguay vergt een zorgvuldige analyse omdat het land een merkwaardige combinatie is van gedurfde en verregaande maatregelen zoals de legalisering van abortus en van marihuana, maar dat op economisch gebied met haar ‘vriendelijkheid’ ten aanzien van buitenlands kapitaal een eerder behoudende koers vaart.

 

Besluit

In tegenstelling tot de beginjaren waarin de linkse oppositie geconcentreerd was rond de afwijzing van het neoliberalisme ligt de toekomst van de linkerzijde nu in haar creativiteit en in haar openheid in de zoektocht naar nieuwe vormen om politiek te bedrijven, maar ook in het verwerven vaan meer bekwaamheid om stabiliteit en groei te kunnen behouden. Bovendien zal die linkerzijde de behendigheid moeten hebben om zich het vaandel van de verandering niet te laten ontfutselen door een postmoderne rechterzijde met een nieuw gezicht, een vernieuwd discours en jongere kandidaten, die hun campagnes zullen ontwikkelen in het spoor van de post-neoliberale scenario’s die eerder door links werden ontwikkeld.

 

*Pablo Stefanoni is een Argentijnse schrijver en politiek commentator die veel over Bolivia schrijft. (www.Cetri.bevan 27 de junio de 2014)(vertaling uit het Spaans: Walter Lotens)

 

Noten

i Peruaans-Spaanse auteur en politiek commentator over international zaken voornamelijk met betrekking tot Latijns-Amerika. Hij is de zoon van de Nobelwinnaar literatuur Mario Vargas Llosa.

ii William Neuman, “Turnabout in Bolivia as Economy Rises From Instability”, New York Times, 16/2/2014.

iii Rubén Guillemí, “Bolivia da la nota: ya es uno de los países más pujantes de la región”, La Nación, 13/4/2014

v José Fernández Vega, “El monstruo amable Nuevas visiones sobre la derecha y la izquierda”, Nueva Sociedad, Nº 244, marzo-abril de 2013.

vi De internationale reserves zijn meer dan 50 procent van het bnp.

vii Zie: Nicolás Comini y Alejandro Frenkel: “Una Unasur de baja intensidad. Modelos en pugna y desaceleración del proceso”, Nueva Sociedad, Nº 250, marzo-abril, 2014.

viii Juan Arias, “El sueño secreto de Lula con Cuba”, El País, 6/3/2014.

ix El Universal, Caracas, 8/4/2014.

x Eduardo Gudynas, “Izquierda y progresismo: Dos actitudes ante el mundo”, El Desacuerdo, La Paz, 17/4/2014.

xi Soraya Constante, “Ecuador inaugura su ‘Silicon Valley’”, El País, 6/4/2014

xii Het sociaal akkoord dat toelaat dat de extractieve zone wordt uitgebreid omdat het als essentieel voor de economische groei wordt beschouwd, de stabiliteit, de herverdeling en de strijd tegen de armoede. Maristella Svampa, «Consenso de los Commodities» y lenguajes de valoración en América Latina”, Nueva Sociedad, Nº 244, marzo-abril de 2013.

xiii Zoals het presidentschap van Ernesto Kirchner en nu zijn vrouw Cristina Fernándes-Kirchner

xiv Noticias eclesiales, 11/1/2014. http://www.eclesiales.org/noticia.php?id=002097

xv “Ministerio de Salud de Ecuador entregará la pastilla del día después de forma gratuita”, El Universo, Quito, 26/3/2013

xvi “Doce parejas homosexuales legalizaron su unión de hecho en Ecuador”, Sentido G, 2/7/2010.