De neergang van de traditionele partijen

anti-EU
Facebooktwittergoogle_plusmail

Met enige afwijkingen werden de opiniepeilingen bevestigd door de stembusuitslag. Centrum-rechts en centrum-links blijven de twee dominante partijen in de Europese Unie en haar parlement. Hoewel ze beiden verliezen. Meer dan de helft van de kiesgerechtigden is niet komen opdagen. Kennelijk liggen vele burgers helemaal niet wakker van hun participatie in de Europese constructie.

 

EU-kritisch

Alle waarnemers zijn het er ook over eens dat het EU-kritische kamp enorm vooruit is gegaan. In het Parlement zal dit op zich wel een bepaalde invloed hebben, maar die in de praktijk toch beperkt zal blijven. Daarvoor is de dominantie van de twee traditionele groepen EVP  (Europese Volkspartij) – S&D (Socialisten en Democraten) nog veel te groot. De EVP verliest wel meer dan 50 zetels. Hoe verteren de Socialisten & Democraten hun toch wel teleurstellend verkiezingsresultaat? Ze totaliseren 31 zetels minder dan de EVP en verloren er 4 in vergelijking met de vorige verkiezingen. Blijven ze, zoals menig links commentator hen taxeert, de managers van een (centrum-)rechts neoliberaal beleid, in een soort samendans met de christendemocraten waarbij de voornaamste topbenoemingen worden verdeeld? Niet iedereen denkt dat dit de nog te volgen weg is. Maar deze kritiek deemsterde weg tegen het ogenblik van de stemming in het parlement voor voorzitters, ondervoorzitters, werkgroepen etc.

Deze verkiezingen brengen zeker nieuwe krachtsverhoudingen tussen de andere fracties in het Europees Parlement. Naargelang het soortelijk gewicht dat een parlementaire groep kan verwerven, dienen er zich mogelijkheden aan om (een van de) twee groten te versterken in ruil voor meer zeggenschap en enkele benoemingen. Er werd actief onderhandeld om de fracties te versterken. De EVP zocht een heel overtuigd statement dat de EP-verkozenen de christendemocraat Juncker willen om voorzitter van de Commissie te worden en smeedde dus akkoorden met de Socialisten & Democraten en tevens met de Liberalen van Guy Verhofstadt, hoewel deze slechts de 4de fractie is. Inderdaad zijn ALDE-groep telt minder parlementsleden dan de de Conservatieven. Deze laatsten zijn er in geslaagd om enerzijds de 4 verkozenen van de NVA van Verhofstadt af te snoepen. Kennelijk kon de NVA zich niet langer in de Groene Fractie /Europese Vrije Alliantie herkennen. Anderzijds konden de Conservatieven ook de Ware Finnen en de Deense Volkspartij binnenhalen ten nadele van de groep waar Farages UKIP de plak zwaait. Kennelijk ziet men in die kringen weinig graten in het feit dat de verkozen Deen Morten Messerschmidt en zijn Finse collega Jussie Halla-aho veroordeeld zijn geworden voor aanzet tot etnische spanningen. De Italiaanse verkozenen van de 5-sterrenbeweging zijn gaan aansluiten bij de EFD van Farage, die voldoende kleine partijtjes uit andere landen wist binnen te halen. Dat is (voorlopig?) niet het geval voor het Franse FN.  Le Pen en Wilders vormen dus geen fractie in het Europees Parlement omdat ze bij te weinig andere landen steun vonden.

Europese Raad

Dit nieuwe politieke gegeven van een versterkt ‘natie-versus-Unie’ perspectief zal echter vooral zijn gevolgen hebben binnen de Europese Raad van regeringsleiders. Daar zullen regeringsleiders wiens partij niet zo goed scoorde tijdens deze EP-verkiezingen wellicht maximaal proberen om zich een houding aan te meten van stoer verzet tegen de Brusselse machinerie. Of dit zal leiden tot een herverdelende, socialere koers en minder besparingen is maar de vraag. Het neoliberalisme van de Unie is zo pregnant aanwezig omdat de regeringen van de lidstaten dit zo willen.

De kritiek van de rechtse partijen in zovele lidstaten heeft inderdaad niet echt te maken met de neoliberale lijn in de Unie, maar focust vooral op het afwijzen van de globalisering, meer concreet gefocust op het dossier van de migratie. Men zet zich in de allereerste plaats sterk af tegen het vrij verkeer van personen (en dus arbeid) in de Unie: mensen die werken aan de (lage) arbeidsvoorwaarden van de lidstaat waar ze vandaan komen, in andere lidstaten met betere werk- en loonomstandigheden. De boosheid wordt niet gericht op het investeringsbeleid dat arbeidsplaatsen schrapt, noch op de ‘eigen’ ondernemers die deze onderbetaalde arbeiders inhuren, maar tegen die arbeiders zelf.  Klassenanalyse verdwijnt verder uit het gezichtsveld. Desolidarisering zit in de lift. Deze concrete vertaling van de globalisering leidde ertoe dat dat rechtse partijen – zeker FN in Frankrijk en UKIP in Engeland –  zeggen op te komen om bepaalde nationale verworvenheden te vrijwaren in een sfeer van “met onze eigen kapitalisten is het beter werken”. Deze rechtse partijen delen met het internationaal kapitalisme de wil om de overheid en haar sociale verantwoordelijkheid verder terug te dringen, het concurrentievermogen van de ondernemingen te verbeteren, maar zeggen de verdediging van de lokale werknemers op te willen nemen door de ‘buitenlandse werknemers’ niet langer toe te laten tot hun nationaal grondgebied. Een antwoord op de neoliberale globalisering zoekt men bij een soort protectionistische nationalistische reflex, tegen vreemde inmenging, lees in de eerste plaats vreemde, goedkope arbeidskrachten. Slechts weinigen stellen zich de vraag welke elementen – (te)hoge dividenden tegenover herinvesteringen bijvoorbeeld – allemaal medeoorzaak kunnen zijn van slechte economische (concurrentie-)situatie van bepaalde landen.  

traditionele partijen

De uitslag van deze verkiezingen geeft duidelijk aan dat de traditionele partijen in verschillende EU-lidstaten, waarschijnlijk definitief, hun dominante plaats hebben verloren. Het meest gekend tweepartijensysteem in Europa, met name dat van het Verenigd Koninkrijk, is meer dan ferm dooreengeschud. De Labour partij en de Conservatieven halen samen geen 50% meer. De liberaal-democratische coalitiepartner komt niet boven de 7% uit. Ook in Spanje behalen de sociaaldemocraten van de PSOE en de Partido Popular samen niet de helft van de stemmen. Dat geldt ook voor Griekenland waar de sociaaldemocratische PASOK volledig weggedeemsterd is, samen met Neo Demokratia blijven ze onder een derde van de stemmen. In Frankrijk vertegenwoordigen UMP en Parti Socialiste nog geen 35% van de stemmen meer. In Duitsland daarentegen houden de twee grote families beter stand: CDU-CSU en SPD totaliseren tezamen nog altijd bijna 63%.

Die traditionele partijen zijn zowat de verpersoonlijking van de neoliberale, vooral transnationale dwangmatigheid die vrij spel geeft aan het internationaal kapitaal en aan instroom van goedkope arbeidskrachten, en een afbraak of uitholling van de vroegere welvaartsstaat. De onvrede van veel mensen met het reilen en zeilen in de Unie werd volop door de rechterzijde gekanaliseerd. Buiten het Griekse Syriza, en in bepaalde mate de 25-M beweging van Podemos in Spanje, is er niemand ter linkerzijde echt in geslaagd om de bestaande onvrede met Europese instellingen, – of toch zeker met de trojka: Europese commissie, Europese Bank, en het IMF – en de onvrede met groeiende onzekerheid en armoede in een economie die niet hersteld geraakt van de financiële crisis,  als hefboom te gebruiken voor een serieuze progressieve (electorale) doorbraak. Vaststelling is ook dat partijen die zichzelf bij Verenigd Links indelen beter scoren in de peilingen dan in de werkelijkheid van het stemhokje.

Raad versus Parlement

De verdere neergang van de klassieke partijen zal zeker ook gevolgen hebben voor de binnenlandse politiek in elk land zelf, waar de nieuwe krachtsverhoudingen de bestaande politieke samenstelling van parlementen en regeringen enigszins onder druk zullen zetten. En zoals reeds gezegd zal dit naar alle waarschijnlijkheid uitmonden in een poging om het politiek gewicht van de Europese Raad zwaarder te maken en de intergouvernementele afspraken verder te verhogen tegenover de politieke invloed van het Europees Parlement.

De media hebben voor dit laatste punt wel wat aandacht. Inderdaad het concrete politieke kluwen van de maand juni draaide rond de benoeming door de Europese Raad van een kandidaat-Commissievoorzitter, waarbij “rekening dient gehouden” met de verkiezingsuitslag. En zoals gekend is de grootste politieke familie de Europese Volkspartij met hun kandidaat Juncker die net geen 30% van de 751 EP-zetels haalt. Vooral de Britse premier Cameron wilde de zaak blokkeren door Juncker niet te steunen, alhoewel hij hier over geen vetorecht beschikt. De commissievoorzitter kan in de Raad met een gekwalificeerde meerderheid worden gestemd en moet dan een meerderheid in het parlement achter zich krijgen. Cameron schuwde daarbij niet de man te spelen in plaats van de bal, had het over drankmisbruik en noemde Juncker een man van het verleden. Met die laatste doelde hij wellicht op Junckers vroegere voorzitterschap van de Eurogroep, de verzameling van landen die de euro als munt gebruiken, die voor Cameron en de Londense City best zou verdwijnen.

Links front?

Bij de S&D fractie was (is?) ook niet alles eenduidig. Zeker bij de Franse socialisten werd de oude gang van zaken door sommigen in vraag gesteld. De herverkozen Guillaume Balas, van de linkse stroming binnen de PS ‘Un Monde d’Avance’,  zei het duidelijk: “Willen we Europa van koers doen veranderen dan moeten we veranderen van meerderheid”. “Onze kiezers hebben het moeilijk om te begrijpen hoe we rechtstreeks met de EVP kunnen onderhandelen nadat we campagne hebben gevoerd tegen het neoliberalisme.” Volgens hem is de topprioriteit zonder meer het vormen van een linkse meerderheid in het Europees Parlement. “Als dat niet kan dan moeten we voor een sterke oppositie kiezen.” Dergelijke politieke lijn druist volledig in tegen de voorbije praktijk, waarbij via afspraken met de EVP bijvoorbeeld Martin Schultz van de Duitse sociaaldemocraten de laatste tweeënhalf jaar parlementsvoorzitter is kunnen zijn. Een snelle optelsom leert dat de Groenen (50 zetels), met Verenigd Links (52 zetels) en de sociaaldemocraten (190 zetels) samen nog heel wat zetels tekort komen om een absolute (progressieve) meerderheid van 376 zetels te vergaren. De Socialisten & Demcoraten kozen zoals te verwachten viel voor machtsdeelname en dit leverde Martin Schultz alvast een nieuwe termijn van tweeënhalf jaar parlementsvoorzitterschap op.