Europese verkiezingen: wat de linkerzijde nu kan doen

EP elections
Facebooktwittergoogle_plusmail

De gekste dingen lees je dezer dagen weer over ‘Europa’. Nu hebben deze verkiezingen weliswaar nooit eerder geziene resultaten opgeleverd, maar tegelijk blijft het toch belangrijk om te proberen een algemeen beeld te schetsen en te proberen er politieke besluiten uit te trekken.

Er kunnen tegenstrijdige conclusies worden getrokken uit 25 mei.

 

Euroscepticisme

Het enorme succes van overwegend rechtse eurosceptische partijen is het meest opvallende resultaat. Van uiterst rechts tot eurofoob, deze ongeveer 150 zetels zijn bijzonder nefast zo niet gevaarlijk voor de democratie en voor de legitimiteit van het Europees Parlement (EP). Aangezien deze mensen per definitie niet in staat zijn om constructieve voorstellen op tafel te leggen voor de verbetering van het Europese beleid, kan ook worden voorspeld dat ze zo goed als machteloos zullen blijven in Straatsburg en Brussel. Maar ze worden wel een luidruchtige en belangrijke stoorzender.

Paradoxaal genoeg is het echter vooral op nationaal vlak dat deze eurosceptici voor een geweldige schok zorgen. Het succes van Marine Le Pen in Frankrijk en van Nigel Farage in het Verenigd Koninkrijk kan er op termijn ernstige gevolgen hebben voor de regerende partijen. De stemmen voor de PVV van Geert Wilders in Nederland, voor Jobbik in Hongarije en Gouden Dageraad in Griekenland, om slechts de bekendste voorbeelden te noemen, moeten ons ernstig doen nadenken over hoe het verder moet met het beleid als we de democratie willen redden. Dit soort partijen zijn geenszins bedoeld om vreedzame en diverse samenlevingen op kleine en grotere schaal te bevorderen. Zij leiden onvermijdelijk tot onverdraagzaamheid en hard conflict. De vragen die we daarbij zullen moeten stellen is in hoeverre de huidige mainstream politieke partijen een deel van de oplossing dan wel het probleem zelf zijn.

Even paradoxaal is het feit dat veel van de eurosceptische kiezers minder problemen hebben met de Europese Unie (EU) dan met hun nationale regeringen. Dit is zeer duidelijk in het geval van de Front National aanhang in Noord Frankrijk, waar mensen zonder nadenken de Belgische grens oversteken om er te werken of er inkopen te doen, of met andere woorden, alleen maar voordelen van de EU ervaren.

De linkse eurosceptische stemmen zijn veel minder belangrijk, maar daarom niet minder moeilijk te verwerken. Het Griekse KKE, de Nederlandse SP en de Deense rood-groene alliantie zorgen binnen  de al kleine fractie van Verenigd Links voor een serieuze rem op eensgezinde standpunten en initiatieven.

 Stabiliteit

Niettemin laten deze verkiezingen ook een verrassende stabiliteit zien. Een eerste element van stabiliteit is de participatiegraad in deze verkiezingen. Ondanks uitschieters zoals Slowakije (13 %!) is er een minieme stijging. In totaal ging 43,09 % van de kiezers ook echt naar de stembus. Dat is positief en beter dan verwacht, maar bedroevend laag. Samen met het euroscepticisme geeft het aan hoe bitter weinig mensen geïnteresseerd zijn in het reilen en  zeilen van de EU en hoe moeilijk heet zal zijn die trend weer te keren.       

Verder valt op dat ondanks de flinke brok euroscepticisme, de machtsverhoudingen in het Parlement redelijk stabiel zijn gebleven. De Europese Volkspartij (EVP) blijft de grootste fractie, ondanks een zwaar verlies, de sociaal-democraten (S & D) volgen op nummer twee. Samen halen ze, met een lichte marge, een absolute meerderheid. De liberalen en de groenen gaan lichtjes achteruit, Verenigd Links gaat lichtjes vooruit. De cijfers zijn nog niet definitief, want momenteel wordt er druk onderhandeld om nieuwe groepen bij de ene of andere fractie onder te brengen. Maar de machtsverhoudingen liggen wel vast. Het betekent in eerste en belangrijkste instantie dat er weinig moet verwacht worden van mogelijke beleidsveranderingen door het EP.

Zeker als we kijken naar de progressieve fracties, S & D, Verenigd Links (GUE) en Groenen zien we slechts een minieme versterking. Nogmaals, de cijfers zijn niet definitief, waar de 17 leden van Beppe Grillo’s ‘Cinque Stelle’ zullen terecht komen, en waar de vijf Spaanse leden van het nieuwe ‘Podemos’ onderdak zullen zoeken, is nog niet geweten. Maar de voorlopige cijfers geven een groei van 278 naar 288 leden. Dat is een groot gewicht, maar erg waarschijnlijk wordt wel dat de sociaal-democraten meer met de cristen-democraten zullen samenwerken om er naar compromissen te zoeken. Een bijkomend probleem is dat de fractie van Verenigd Links nog meer dan vroeger is verdeeld en zowat één derde wellicht uit eurosceptici zal bestaan.

Het democratisch deficit

Tenslotte, en zoals reeds herhaaldelijk werd onderstreept, hangt het democratisch deficit vooral af van wat de Europese Raad, dit zijn onze nationale regeringen, gaan beslissen. Het Verdrag van Lissabon stelt dat hij ‘rekening moet houden’ met het verkiezingsresultaat voor het kiezen van een nieuwe Commissievoorzitter, maar zoals te verwachten viel, heeft de Raad daar lak aan. De Raad kan met een gekwalificeerde meerderheid beslissen, en kan makkelijk voorbij gaan aan de tegenstemmen van het Verenigd Koninkrijk, mocht dat land het enige zijn dat bezwaar aantekent tegen een normale democratische werkwijze.

Voor alle duidelijkheid, het gaat hier minder om de persoon die zal gekozen worden – hoewel het verschil tussen de gematigde  en sociaal denkende Jean-Claude Juncker van de EVP en de rechtse Christine Lagarde van het IMF niemand onberoerd kan laten – dan wel om een machtsstrijd tussen Raad en Parlement.

De ontwikkeling die al jaren aan de gang is en waarbij de Raad meer en meer macht naar zich toe trekt, krijgt hier een sterk anti-democratisch reukje mee. In de inter-goevernementele EU waar de Raad van droomt is het Parlement niet meer dan een schaamlapje. Zij beslissen soeverein en maken zich schuldig aan het vergroten van het democratisch tekort dat de EU kenmerkt. Voor regeringen die zo makkelijk de les leren aan de rest van de wereld, is dit zeer bedenkelijk.

Het is het resultaat van die machtsstrijd die ook de machtsverhoudingen in de Europese Commissie zal bepalen. Barroso heeft zich tien jaar lang gewillig laten doen en heeft van deze bij uitstek Europese instelling gemaakt wat de meeste nationale regeringen wilden: een soort secretariaat dat niet langer gebruik maakt van het initiatiefrecht dat ze wel degelijk heeft.

Hoe moet het dan verder?

Elke verkiezing geeft aanleiding tot verschillende interpretaties, en het is normaal dat elke partij de eigen resultaten positief zal willen voorstellen.

Toch kan het besluit niet anders zijn dan dat de eerste reacties van sommige regeringsleiders van grote landen bijzonder zorgwekkend zijn. Nee, de kiezers houden niet van de EU, maar het is een raadsel wat hen ertoe brengt te stellen dat er ‘minder regels’ moeten komen. De karikatuur van de komkommers, de stofzuigers en de grasmaaiers heeft haar tijd gehad. De EU hééft belangrijke verdragen en wetgeving aangenomen die het macro-economisch en begrotingsbeleid in een streng neoliberaal keurslijf hebben gedwongen. Nu stellen dat er ‘minder regels’ nodig zijn betekent dat er geen correcties op dat beleid moeten verwacht worden, dat nieuwe investeringen, laat staan sociaal beleid kunnen vergeten worden. Tel daarbij dat sommigen ook vragen dat ‘Schengen’ wordt afgeschaft of aangepast, en je ziet één van de belangrijkste positieve verwezenlijkingen van de EU, het vrij verkeer van personen, de mist ingaan. Dit is beslist niet de boodschap van de kiezer geweest.

Even zorgwekkend is de boodschap van enkele linkse leiders, van de Franse President François Hollande, tot het Belgische PVDA: ja, het is moeilijk, maar we zijn goed bezig en we zijn op de goede weg. We doen voort.

Het gaat er niet om de Franse sociaal-democraten met het Belgische radicaal links te vergelijken. Wel gaat het er om de mislukking van links vast te stellen, dat met uitzondering van Griekenland en Italië geen enkel voordeel haalt uit de zware economische en sociale crisis die de Europese landen treft. Wie dan stelt dat er geen ‘ander links’ nodig is, moet ergens iets gemist hebben.

Besluiten voor de linkerzijde

Europees beleid is nooit zo hard nodig gewest als vandaag. De crisis is nog lang niet voorbij en welk probleem men ook bekijkt, geen enkel land is in staat om het aan te pakken. De grote breuklijnen van vandaag, het te volgen macro-economisch beleid, de overmatig grote schuldenlast, de migratiestromen en de diversiteit in onze samenlevingen, de klimaatcrisis, de sociale dumping, rechtvaardige belastingen, ze vergen allemaal een internationale samenwerking en internationaal overlegde solidaire oplossingen.

Tot vandaag leven de mensen in de Europese Unie in de welvarendste regio ter wereld, met een sociale bescherming die sterk kan verbeterd worden, maar beter is dan waar dan ook. Zoals Paul Krugman het onlangs stelde in de New York Times, zelfs de nieuwe werkgelegenheid en uiteraard de verzorgingsstaten zijn hier veel beter dan in de Verenigde Staten. Ik besef zeer goed dat dit een schrale troost is voor de slachtoffers van het soberheidsbeleid in Spanje en Griekenland, maar het zou de linkerzijde wel moeten aansporen om alles in een beter perspectief te bekijken. We leven niet in de hel. Integendeel, we leven in een continent waar we de middelen hebben om de sociaal-economische situatie snel en sterk te verbeteren. Die middelen moeten we gebruiken.

Van het Europees Parlement, noch van de Europese Raad valt er op korte termijn veel positieve verandering te verwachten. Het EP heeft een rechtse meerderheid en de Raad blijft het grootste democratisch tekort vertonen. Indien we verandering willen en de slogan voor een ‘ander Europa’ concreet willen maken, zullen de sociale bewegingen de hand aan de ploeg moeten slaan. Indien we een minimum aan politieke slagkracht wil ontwikkelen, zijn verschillende initiatieven noodzakelijk.

Een eerste voorwaarde is simpel: stop met praten over ‘Europa’. Dat is niets meer dan een geografische entiteit maar betekent politiek gezien gewoon niets. Er is een Europese Unie met instellingen die elk een eigen dynamiek en een eigen democratische ingesteldheid laten zien. En die zijn lang niet altijd met elkaar verenigbaar.

Ten tweede, zullen de linkse ondubbelzinnig eurofobe krachten zich moeten bevragen over wat hen scheidt van de sterker wordende rechterzijde. Het was pijnlijk om tijdens de campagne leden van de PVDA op facebook te zien jubelen bij uitspraken van het Britse UKIP. Vooral diegenen die pleiten voor een ‘ander Europa’ en daarbij eveneens aan een Europa van de natiestaten denken, moeten beseffen dat ze de anti-democratische Raad alleen maar steunen. Dat de linkse eurosceptici samenwerken met Europees gezinde linkse krachten kan positief zijn om een convergentie te bevorderen, maar de onduidelijkheid en de spraakverwarring moet dan wel uit de wereld worden  geholpen. Zolang de ‘tegenstander’ en de ‘medestander’ niet duidelijk worden geïdentificeerd is ook elke vooruitstrevende samenwerking onmogelijk.

Ten derde zou er een ernstige poging moeten ondernomen worden om permanent correcte politieke informatie over de Europese politiek te verspreiden. De EU is een politiek project en moet als dusdanig ook in de media worden behandeld. De grote nonsens die meestal wordt verteld – over de ‘beperkte bevoegdheidspaketten’ van het EP, over de macht van de Commissie, over het monopolie van de ‘lobbies’ of de ‘supergeheime’ besprekingen van het transatlantisch handelsverdrag…  een beetje studie en wat gezond verstand zouden moeten volstaan om de informatie ook relevant en interessant te maken en mensen voor het Europees beleid te interesseren.

Ten vierde moeten alle bestaande democratische middelen gebruikt worden om controle op de regeringen en op het beleid te  versterken. De nationale parlementen hebben nu al heel wat bevoegdheden om zich met het Europees beleid te moeien, maar ze doen dat niet. Volgens de parlementaire regels in dit land zijn alle Commissievergaderingen open voor het publiek, maar het middenveld is zelden te zien in de Commissie die het Europees beleid bespreekt. De mogelijkheid om daar een oppositiestem te laten horen kan meer opbrengen dan de gebruikelijke ‘Europese manifestaties’ van 300 tot 500 mensen die slechts in de media komen als er ook politiegeweld wordt gebruikt.

Ten vijfde is het bijzonder dringend om ook aan echte alternatieven te werken. Nee, de EU zal morgen niet ‘socialistisch’ worden, maar er is een schrijnend tekort aan constructieve voorstellen om het ‘andere’, ‘sociale’ en ‘democratische’ ‘Europa’ ook maar één stap dichterbij te brengen. Vanuit het Europees Verbond van Vakverenigingen en vanuit diverse sociaal-democratische kringen zijn er de afgelopen maanden erg goede voorstellen geformuleerd. Het Griekse Syriza had een interessant partijprogramma. Wat denken we daarvan? Kunnen we punten vinden die ons binden en waar we samen kunnen voor strijden? Kunnen we verder denken dan enkele gemakkelijke slogans waar niemand de betekenis van kent?

Ten zesde, en daarbij aansluitend, zou het duidelijk moeten zijn dat het moeilijk is om mensen te overtuigen en te mobiliseren met een uitsluitend negatieve boodschap, tégen het begrotingsverdrag, tégen het handelsverdrag, tégen het soberheidsbeleid… Er zijn goede redenen om daar inderdaad tegen te zijn, maar wat stellen we in de plaats? De rechterzijde biedt een onhaalbare nationale bescherming aan. Heeft links dan niets beters te bieden? Kan de linkerzijde haar internationalistische traditie niet in een nieuw kleedje stoppen om mensen warm te maken  voor internationale solidariteit? Of blijft men denken dat de migratiestromen wel zullen ophouden, dat de klimaatverandering stopt aan de grenzen en dat de werkmensen hun sociale bescherming ongewijzigd kunnen behouden?

Het is makkelijk om voor alles wat mis loopt aan de linkerzijde de sociaal-democratie met de vinger te wijzen. Men kan de PS en de SPA inderdaad verwijten dat ze veel te ver zijn meegegaan met het neoliberale discours en praktijk, dat ze wel probeerden de scherpe hoekjes af te ronden, maar nooit de logica probeerden om te buigen. Anderzijds weet de sociaal-democratie veel beter dan klein links en dan de vakbonden dat we in een nieuwe wereld leven, dat de verdediging van een status quo niet haalbaar is, dat de arbeidsmarkt nooit meer wordt wat hij vroeger was, dat we moeten streven naar vernieuwing van het linkse gedachtegoed. Zeker op dat punt zou samenwerking moeten mogelijk zijn.

Kortom, het is tijd voor een krachtdadige, zo eensgezind mogelijke oppositie. Niet tegen de Europese eenmaking, die even hard nodig blijft als vijftig jaar heleden. Wel voor een Europese Unie die kan waarmaken waar ze in de rest van de wereld voor staat en wordt benijd: voor democratie, solidariteit en sociale rechtvaardigheid. De grote thema’s van vandaag zijn inderdaad die democratie, de ongelijkheid en de sociale rechtvaardigheid, rechtvaardige belastingen, de bescherming van het leefmilieu en het in goede banen leiden van het migratie- en asielbeleid. Dat kunnen de speerpunten worden van een geloofwaardig en aantrekkelijk programma waar iedereen beter van wordt.

En ja, op termijn zullen de Europese instellingen en de verdragen moeten veranderd worden. Maar daarmee willen beginnen is even steriel als wachten tot het kapitalisme verdwijnt om over te gaan tot actie.

Er is één groot probleem waar een collectieve inspanning voor nodig is. Erg veel mensen, zeker politici maar ook journalisten, kunnen moeilijk buiten de grenzen denken. Elk probleem wordt vertaald in een binnenlands probleem. Het besef dat dit niet klopt is er wel, maar de stap naar breder denken is er niet. Dat blijft een grote hinderpaal om echte alternatieven uit te werken. Er is daarom een gigantische educatieve inspanning noodzakelijk.

De toekomst ligt voor ons en het is vijf voor twaalf. De enige hoop die ons rest is dat de progressieve krachten in onze diverse landen zich herpakken en op zoek gaan naar formules van samenwerking.

Het huidige Europese beleid heeft gefaald, maar de linkerzijde heeft eveneens gefaald. Men slaagt er niet in de mensen een geloofwaardig, aantrekkelijk alternatief aan te bieden, men blijft hangen in ongeloofwaardige slogans van solidariteit die men niet hard kan maken. Men blijft janken om een ‘democratisch’ en ‘sociaal’ Europa zonder te weten wat dit kan betekenen.

Er moet gewerkt worden aan een sterke oppositie, op lokaal, nationaal, Europees en mondiaal vlak. Nooit eerder was het zo duidelijk dat er meer samenwerking tussen sociale bewegingen nodig is, dat men moet leren luisteren naar de ander en moet proberen de ‘eigen eigenheid’ opzij te zetten om te zoeken naar wat ons bindt. Misschien is dit gewoon een vrome wens. Maar als het niet lukt staat ons een zwarte toekomst te wachten. Erger dan het Ebolavirus waar vader Le Pen naar verwees.

Francine Mestrum is doctor in de sociale wetenschappen en doet onderzoek naar sociale rechtvaardigheid, ontwikkeling en samenwerking, armoede, ongelijkheid en mondialisering. Zij is voorzitter van het mondiale netwerk van Global Social Justice (www.globalsocialjustice.eu) en werkt momenteel aan een project voor ‘social commons’ (www.socialcommons.eu ) voor een transformatieve en universele sociale bescherming.