Een bloederige patstelling in Syrië

syrie oorlog2
Facebooktwittergoogle_plusmail

Washington kondigde begin mei 2014 aan dat het één van de Syrische oppositiegroepen een officiële diplomatieke status toekent. De Verenigde Staten plant ook een toename van 27 miljoen dollar aan hulp voor de rebellen die aan het vechten zijn voor de verdrijving van president Bashar al-Assad.

Voor de Syrische Nationale Coalitie (SNC) -een coalitie van oppositionele groepen die werd opgericht in Doha in november 2012- betekent de diplomatieke upgrade van haar kantoren in Washington en New York tot ‘buitenlandse missies’ een volgende stap op de weg naar internationale erkenning. Ahmad Jarba, voorzitter van de SNC noemde het “een diplomatieke klap” voor de legitimiteit van Assad. In maart 2014 schortte de VS al de werkzaamheden van de Syrische ambassade in Washington en de Syrische consulaten in andere Amerikaanse steden op. De bijbehorende Syrische diplomaten van het Assad-regime werden verzocht het land te verlaten. De VS bevestigt met deze recentste diplomatieke demarche dat het de SNC beschouwt als de enige legitieme vertegenwoordiger van het Syrische volk. Deze VS-analyse van de politieke situatie in Syrië vertoont echter weinig realiteitszin. De Syrische Nationale Coalitie is onderling verdeeld, geïnfiltreerd door buitenlandse belangen (de vorige voorzitter Moaz al-Khatib gaf in april 2013 zijn ontslag omwille van de bemoeienissen van de regionale donormachten, meer bepaald Saoedi-Arabië en Qatar) en staat helemaal niet zo sterk op het terrein. Er zijn heel wat andere oppositionele krachten in Syrië die zich niet bij de SNC hebben aangesloten, zoals bijvoorbeeld het geweldloze Nationaal Coördinatiecomité voor de Krachten van Democratische Verandering of de Koerdische Democratische Unie Partij die een aanzienlijk gebied in het noorden van Syrië controleert. De SNC wordt ook expliciet verworpen door verschillende salafistische groepen die momenteel zeer actief zijn in Syrië, waaronder het aan Al-Qaeda gelieerde Al-Nusra Front.

Diplomatie vs bewapening

Tot enkele maanden geleden had de VS zich samen met Rusland geëngageerd om diplomatieke initiatieven te lanceren die tot de beëindiging van de oorlog in Syrië moesten leiden. Dankzij deze samenwerking werd in september 2013 nog een akkoord gesloten over de vernietiging van de chemische wapens van het Assad-regime. De vredesgesprekken in Genève (onder auspiciën van de Verenigde Naties) sprongen in februari 2014 echter voor een tweede keer af en de diplomatieke aanpak stokte definitief toen de onderlinge relaties tussen Moskou en Washington dramatisch verslechterden door de crisis in Oekraïne. De stemmen die een jaar geleden al pleitten voor het bombarderen van Syrië om de rebellen te assisteren bij hun militaire strijd, beginnen weer luider te weerklinken in de VS. Het Pentagon is echter op zijn hoede (veel meer dan het ministerie van Buitenlandse Zaken), want het vergroten van de militaire druk op Assad zou wel eens het begin kunnen zijn van een moeras genre Irak of Afghanistan. De meest mondige tegenstander van een rechtstreekse militaire betrokkenheid van de VS in Syrië, is de minister van Defensie Chuck Hagel.

De Amerikaanse aankondiging van de diplomatieke erkenning van de SNC is in ieder geval een manier om de focus terug op de oppositie te leggen in plaats van op het moeilijke proces van vredesonderhandelingen. De Obama-regering werkt momenteel ook samen met het congres om het huidige bedrag aan hulp dat geschonken wordt aan de Syrische oppositiegroepen, met 27 miljoen dollar op te krikken tot 287 miljoen dollar. Officieel gaat dit geld alleen maar naar niet-dodelijke hulp (communicatiemateriaal, voertuigen, medicijnen, ‘niet-dodelijke’ wapens, …), maar toen SNC-voorzitter Ahmad Jarba begin mei naar de VS trok om er te vergaderen met de Amerikaanse autoriteiten, stelde hij expliciet dat hij Washington zou vragen om geavanceerde wapensystemen te leveren aan de Syrische oppositie. Hij geniet hierbij de steun van Saoedi-Arabië en Qatar, die beiden geloven dat de verdeling van anti-tankwapens en draagbare lanceersystemen voor luchtafweerraketten het verschil zou kunnen maken voor de rebellen. Er doen al maanden geruchten de ronde dat de VS via de CIA reeds zwaardere wapens levert aan bepaalde goedgekeurde strijders. De reeds meermaals bekroonde Amerikaanse onderzoeksjournalist Seymour Hersh heeft het in een zeer recent artikel over een geheime aanvoerlijn voor wapens via Turkije, gesuperviseerd door de VS in samenwerking met Turkije, Saoedi-Arabië en Qatar. Van deze twee Golfstaten is algemeen geweten dat ze de Syrische oppositie rijkelijk bevoorraden met wapens.

In februari 2014 werd Prins Bandar bin Sultan vervangen als baas van de Saoedische Inlichtingendiensten door de minister van Binnenlandse Zaken Prins Mohammed bin Nayef, een man die veel dichter bij de Verenigde Staten aanleunt. De chef van de Saoedische inlichtingendiensten is verantwoordelijk voor het sturen, bevoorraden en financieren van de rebellen in Syrië. De aanstelling van Mohammed Nayef zal zeker geen vermindering betekenen van de rechtstreekse Saoedische steun aan de oppositie, maar kan wel een Syrië-beleid inluidden dat veel nauwer aansluit bij de VS-lijn. Die lijn bestaat officieel uit het steunen van de erkende “gematigde” oppositie, zodat die zowel het Assad-regime als de in Syrië zeer actieve salafistische, door Al Qaeda geïnspireerde groepen kan bestrijden. Maar wie wordt als gematigd beschouwd en hoe kan gegarandeerd worden dat de aangeleverde steun niet in handen van salafistische rebellen valt? De VS controleert zelf maar weinig spelers op het reële terrein. Prins Mohammed bin Nayef boekte al een aantal successen in de strijd tegen Al Qaeda in Jemen en met hem aan het roer van de Saoedische inlichtingendiensten verwacht de VS dat er nu effectief inspanningen geleverd zullen worden om ook de salafisten te bestrijden.

Salafisten & Assad

Een deel van de Syrische oppositie is geïnspireerd door het islamisme en salafisme (zeer fundamentalistische stroming binnen de islam). De belangrijkste gewapende salafistische groepen zijn het Al-Nusra Front (de plaatselijke Al Qaeda afdeling), de Islamitische Staat van Irak en de Levant (ISIS) en Ahrar al-Sham, maar er zijn nog een hele reeks kleinere extremistische jihadi-groepen actief. Sommigen zijn het resultaat van plaatselijke afscheuringen, maar er duiken ook alsmaar agressievere en autonome jihadistisch-geinspireerde milities op. Verder vormen al deze groepen geen gezamenlijk blok. Ze vechten vaak onderling voor de controle over bepaalde gebieden en strategische punten, en sluiten wisselende allianties (met elkaar maar ook met de meer gematigde delen van de gewapende oppositie). Het Al-Nusra Front en de ISIS zijn gezworen vijanden en vochten reeds heel wat veldslagen uit. De verschillende salafistische groepen in Syrië worden versterkt of bestaan soms zelfs volledig uit buitenlandse strijders. De afgelopen 3 jaar stroomden zij van overal toe om de jihad te voeren in Syrië. Velen komen uit de buurlanden, waar ze vaak actief gerekruteerd werden. Zowel in Jordanië, Libanon als Turkije heerst er in bepaalde kringen heel wat nervositeit en ongerustheid over wat er zal gebeuren als deze salafistische strijders terug naar huis komen. Ook de Golfmonarchieën, de Maghreblanden en Tsjetsjenië vormen een aanzienlijk reservoir voor gemotiveerde jihadisten. Over de islamitische jongeren die vanuit de VS, Canada, Australië en Europa naar Syrië trekken om te vechten, valt regelmatig iets te lezen in de reguliere westerse pers. De verslagen afkomstig van Europese journalisten en de filmpjes gepost via de digitale sociale media suggereren dat het probleem van de geradicaliseerde Europese jongeren die zich aansluiten bij groepen zoals ISIS veel groter is dan officieel wordt erkend.

De Syrische gewapende oppositie wordt momenteel gedomineerd door de jihadisten en salafisten. Het zijn zij, en niet het Vrij Syrisch Leger (geassocieerd met de erkende en zogezegd gematigde oppositie), die het meest actief zijn in de strijd tegen Assad. Het zijn ook zij die aanzienlijke stukken van Syrië onder controle hebben. Bovendien zijn ze in staat om in een nog veel groter gebied militaire operaties te lanceren.

De andere grote machtsfactor in Syrië is en blijft het Assad-leger. Met de hulp van verschillende pro-regime milities en Libanese Hezbollah-strijders controleert het leger momenteel de meeste bevolkte gebieden en strategische wegen in Syrië.

Deze feiten brengen ons tot de belangrijkste reden voor het falen van de Syrische vredesonderhandelingen. De erkende Syrische oppositie, daarin bijgetreden door de VS-minister van Buitenlandse Zaken Kerry, wil alleen maar spreken over het einde van het regime van Bashar al-Assad. Het Syrische regime staat politiek en militair echter veel sterker op het terrein dan de oppositie. De oppositie is niet alleen versnipperd maar heeft ook te kampen met een gebrek aan steun bij de bevolking, eveneens in delen van het land waar de rebellen in 2011 en 2012 nog volop aangemoedigd werden. Dit betekent zeker niet dat de bevolking massaal achter de Assad-regering staat (al heeft hij zeker nog een reële aanhang), maar wel dat veel Syriërs Assad prefereren boven een overname van de macht door de ongereguleerde rebellen. De door het Westen en regionale actoren gesteunde oppositie bevindt zich met andere woorden absoluut niet in een positie waarin het de wet of de voorwaarden tot overgave kan dicteren aan Assad. Tijdens de vredesgesprekken in Genève leek ze dat echter niet in te zien, waardoor de onderhandelingen strandden.

Patstelling

De militaire strategie op het terrein van het Syrische regime bestaat uit het volledig afsnijden van de buitenwereld van de rebellenenclaves. De elektriciteit en het water wordt afgesloten, de toevoer van voedsel geblokkeerd, waarna de geviseerde gebieden zwaar belegerd worden -overstelpt met artillerievuur en bommen. Deze meedogenloze methode heeft op bepaalde plaatsen geleid tot het sluiten van lokale wapenstilstanden, maar ook tot grote internationale verontwaardiging. Op militair vlak kregen de rebellen heel wat tegenslagen te verwerken het laatste anderhalf jaar en in het bijzonder de afgelopen maanden. Het staat buiten kijf dat de rebellen in Syrië er niet in slagen om het Assad-regime omver te werpen, maar men moet ook vaststellen dat het regeringsleger evenmin in staat lijkt te zijn om de rebellen definitief te verslaan. Er is dus sprake van een bloederige patstelling. De VS-strategie van alsmaar meer geld te stoppen in de handen van de Syrische Nationale Coalitie lijkt wegens diens zwakke reële positie bij voorbaat gedoemd om te mislukken. Indien de oppositie zwaarder bewapend wordt, zal daar alleen maar een grotere steun tegenover staan vanwege Rusland, Iran en de Hezbollah aan Assad. Dit zal de huidige patstelling alleen nog maar bloederiger maken.

Het feit dat hij er nog altijd is, in combinatie met een aantal militaire overwinningen van zijn leger gedurende de afgelopen maanden, heeft president Assad blijkbaar zodanig gesterkt dat hij zelfs presidentsverkiezingen aankondigde voor 3 juni 2014. Het organiseren van verkiezingen in een land dat totaal verscheurd wordt door oorlog is uiteraard een absurditeit, om nog maar te zwijgen van de praktische onhaalbaarheid ervan.

Breuklijnen

Het conflict in Syrië heeft al vele gedaantes aangenomen terwijl het muteerde van een volksbeweging voor politieke verandering die vreedzaam door de straten trok, tot een burgeroorlog waarin buitenlandse actoren en sektarische ondertonen alsmaar zwaarder gingen doorwegen. Wie Damascus uiteindelijk moet gaan besturen is de inzet geworden van een vijandige strijd tussen de fundamentalistische regionale grootmachten Saoedi-Arabië en Iran, die elk achteloos hun respectievelijk soennitische en sjiitische bondgenoten in de strijd gooien. Voor veel islamistisch geïnspireerde rebellen is Syrië het strijdtoneel geworden van een heuse soenni-sjia oorlog. Het alawitisch (sjiitische) regime van Assad is daarbij het eerste doelwit, maar de heilige oorlog overstijgt een enkele nietige president.

Syrië is een etnisch en religieus lappendeken. Hoewel sektarische argumenten heel wervend zijn in een oorlogscontext, kan men niet stellen dat de Syrische bevolking zich overal simpelweg opgesplitst heeft in een soennitische oppositie tegen een sjiitisch regime en zijn christelijke, Koerdische en Armeense bondgenoten. Andere aspecten van maatschappelijke stratificatie zoals klasse, clan-affiliaties, nationalisme en politieke ideologie spelen ook. Een goed voorbeeld daarvan vinden we in de Syrische provincie Aleppo, waar een groot aantal soennieten vechten voor het regime, zowel in het leger als in pro-regeringsmilities. De inwoners van het Palestijnse vluchtelingenkamp Nayrab in Aleppo zijn soennitisch, maar richtten hun eigen verdedigingsbrigades op die zij aan zij vechten met pro-regime milities zoals de Nationale Defensiemacht. In de warboel van de Syrische burgeroorlog zijn de breuklijnen die door het hart van de maatschappij snijden wazig.

Hulp gevraagd

De oorlog in Syrië is ondertussen al zijn vierde jaar ingegaan. Er vielen naar schatting al meer dan 150.000 doden (waarvan een derde gewone burgers) en miljoenen mensen sloegen op de vlucht. Velen strandden in de buurlanden. De ministers van Buitenlandse Zaken van Turkije, Libanon, Jordanië en Irak deden in april 2014 nog een wanhopige oproep voor meer internationale steun voor de Syrische vluchtelingen in de overvolle kampen in hun landen. Volgens recente cijfers van het VN Vluchtelingenagentschap huisvest Libanon meer dan een miljoen Syrische vluchtelingen. Jordanië en Turkije vangen respectievelijk 700.000 en 600.000 vluchtelingen op en zelfs het instabiele Irak moet 200.000 Syrische vluchtelingen bijstaan. Deze cijfers verwijzen enkel naar de vluchtelingen die bij de VN geregistreerd zijn en in de officiële kampen verblijven. Honderdduizenden anderen vertoeven illegaal in de Syrische buurlanden, waar ze in armoede leven en vaak uitgebuit worden. In Syrië zelf dolen ook miljoenen interne vluchtelingen rond. Antonio Gutteres, het hoofd van het VN-vluchtelingenagentschap trad de ministers van Buitenlandse Zaken van de Syrische buurlanden bij en verweet de donorlanden niet genoeg te doen om de miljoenen Syrische vluchtelingen en de landen die ze opvangen te helpen. Hij stelde dat deze crisis “massale hulp vereiste”. De VN heeft voor 2014 nog maar 25% van het bedrag ontvangen dat nodig is om de kampen draaiende te houden. De Europese landen steigeren als asielzoekers en ‘illegale migranten’ de grenzen van fort Europa overschrijden, maar als het er op aankomt financiële steun te voorzien voor de opvang van de Syrische vluchtelingen in hun eigen buurlanden, komen ze niet over de brug. Liever wordt er een veelvoud van het daarvoor vereiste bedrag uitgegeven aan de militarisering van de Europese grenzen. De VS spendeert op zijn beurt liever 287 miljoen dollar aan het in stand houden van de Syrische oorlog door de ‘gematigde oppositie’ te steunen, terwijl het maar 88,4 miljoen dollar veil heeft voor humanitaire hulp aan de Syrische vluchtelingen die verkommeren in de kampen van de buurlanden.

Dit artikel verschijnt ook in het Tijdschrift Vrede, mei-juni 2014