Palestijnen blijven, zoals verwacht, in de kou staan

palestina
Facebooktwittergoogle_plusmail

Op 29 april 2014 moest er volgens de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken John Kerry, een akkoord zijn voor een Palestijnse staat naast Israël. Dat er dat niet zat aan te komen was al duidelijk voor waarnemers toen de onderhandelingen tussen Israël en Palestina op 29 juli 2013 werden hervat. Kerry wist dat ook en was al ruim vier maanden bezig met een poging een verlenging van de deadline tot eind dit jaar te verkrijgen in plaats van vrede. Maar de Israëlische extreem-rechtse Likoed-premier Benjamin Netanyahu wachtte niet eens tot 29 april om het overleg op te blazen.

 

Aanleiding was de verzoening tussen de Palestijnse verzetsbewegingen Al Fatah, de partij van wijlen Yasser Arafat, en de Islamistische verzetsbeweging Hamas. Die laatste, militante partij die weigert formeel Israël te erkennen, had in 2006 de Palestijnse verkiezingen gewonnen, tot grote woede van Israël en het Westen. De Palestijnse president Mahmoed Abbas kon op de Westelijke Jordaanoever, met steun van Israël, dat een reeks Palestijnse parlementsleden en militanten in de gevangenis stopte, Hamas buiten spel zetten. Maar een poging om in 2007, met de steun van en op aandringen van Israël en de Verenigde Staten, de macht te grijpen in de Gazastrook, mislukte. Nu is er hoop op verzoening. Maar volgens Netanyahu is het simpel: president Abbas moet kiezen voor vrede of voor Hamas. Wat Netanyahu onder vrede verstaat is onduidelijk. Zijn eigen Likoedpartij, evenals alle andere grote Israëlische regeringspartijen, verwerpen een onafhankelijke Palestijnse staat en ze zijn bovendien druk in de weer om de bezette Palestijnse gebieden vol te bouwen met kolonies, die nu al zo’n 600.000 inwoners tellen, om te verhinderen dat er ooit zo’n staat komt. Het is een paradox dat het Westen van de Palestijnen eist dat ze Israël erkennen, maar er geen graten in ziet dat Israël Palestina  – sedert 29 november 2012 als staat erkend door de Verenigde Naties – weigert te erkennen. Meer nog dat een regering die weigert een tweestatenoplossing voor het Palestijns-Israëlisch conflict te erkennen, als valabele partner wordt aanvaard om over zo’n oplossing te onderhandelen. En nog erger, dat het Westen Israël nooit een strobreed in de weg heeft gelegd om de bezette gebieden te koloniseren, in die mate zelfs dat een tweestatenoplossing al jaren in de praktijk een onmogelijkheid is geworden.

Balfour-verklaring

Als men het op lange termijn bekijkt heeft het Westen al direct na de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) besloten dat Palestina een joodse staat, en niet de staat van zijn inwoners, zou worden. Dit door de incorporatie van de Balfour-verklaring van 1917 – zo genoemd naar de Britse minister van Buitenlandse Zaken Arthur James Balfour, een notoir antisemiet, – die Palestina cadeau deed aan de joden, op te nemen in het Brits mandaat van de Volkerenbond over Palestina. Het Westen is consequent achter dit cadeau blijven staan. Na de Tweede Wereldoorlog (1939/1940-1945) was er wel een verdelingsplan goedgekeurd door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, dat al onmiddellijk door joodse terroristische organisaties en “geregelde” zionistische troepen werd ondergraven door verovering van Palestijnse gebieden nog voor dat verdelingsplan van kracht zou worden. Toen het in 1948 formeel in voege trad en Israël zijn onafhankelijkheid uitriep, ging het frontaal in de aanval om de Palestijnen te verjagen en een reeks nieuwe gebieden te veroveren. Het Westen heeft formeel zijn zegen gegeven aan die veroveringen, die, merkwaardig genoeg, ook door de Palestijnse leiders zijn erkend. De rest van Palestina kon Israël in 1967 inlijven met, natuurlijk, de steun van het Westen. Dankzij de westerse steun en de miljarden dollar (en euro’s) die Israël – nog altijd – jaarlijks van het Westen krijgt, plus westerse conventionele en massavernietigingswapens (kernwapens, chemische en biologische wapens) – om de enorme investeringen en diplomatieke steun (tot en met deelname aan Europese sportcompetities en organisaties als Eurovisiesongfestival) niet te vergeten – kan Israël doen wat het wil. Zo kon het jarenlang weigeren te onderhandelen met de Palestijnen want dat waren “terroristen” waar niet mee kon worden gepraat.

Golfoorlog

De Golfoorlog van begin 1991 om Koeweit te bevrijden van de bezetting door Irak (juli 1990) was een keerpunt. Vele Arabische landen (o.a. de Golfstaten, maar ook Syrië) sloten zich aan bij de coalitie tegen de Iraakse president Saddam Hoessein. Die landen drongen dan ook aan dat het Westen iets zou doen tegen de Israëlische bezetting van Palestijnse (de westelijke Jordaanoever en de Gazastrook) en andere Arabische gebieden (de Syrische Golan-hoogten). Om de Arabieren te sussen begon eind oktober 1991 in Madrid een vredesconferentie over het Midden-Oosten plaats, die uiteindelijk tot enig resultaat had dat Israël bereid werd gevonden met de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) te praten. Dit alles eigenlijk zeer tegen de zin van Israël, dat slechts onder zware druk naar Madrid kwam. De toenmalige Israëlische Likoed-premier Yitzhak Shamir verklaarde in een interview in juni 1992 dat het zijn bedoeling was de onderhandelingen zeker tien jaar te laten aanslepen en in die periode honderdduizenden joden in de bezette gebieden te vestigen om elke vrede onmogelijk te maken. Dat is Israël inmiddels aardig gelukt: het is ook de politiek geweest van elke premier van Israël na Shamir, en overduidelijk ook van zijn Likoed-partijgenoot Benjamin Netanyahu, die bijna elke week met nieuwe bouwplannen op de proppen komt.

De Oslo-ramp

Al snel na het begin van de conferentie in Madrid wilde ook het Westen af van internationale besprekingen gebaseerd op een heel corps teksten van de Verenigde Naties – zeg maar van het internationaal recht dat de Palestijnse eisen kracht bij zette. Het Westen wist Yasser Arafat ertoe te verleiden zijn eigen onderhandelingsteam in de rug te schieten en directe geheime onderhandelingen met Israël op te starten in de Noorse hoofdstad Oslo, die een volslagen ramp zijn geworden voor de Palestijnen. In plaats van de in Madrid beloofde autonomie voor de Palestijnse gebieden zou er een Palestijns gezag komen op een klein deel van de Westelijke Jordaanoever, een gemengd bestuur op een ander deel terwijl het grootste deel uitsluitend onder Israëlische bestuur zou blijven in afwachting van een definitieve oplossing – die er binnen de vijf jaar (in 1998 dus) zou moeten geweest zijn. Voor het Westen was met de Oslo-akkoorden van 1993 de kous af: het was nu een zaak tussen Israël en de Palestijnen geworden, waarbij het internationaal recht van geen tel meer was. De Palestijnen hadden zich in Oslo laten verleiden geen expliciete vermelding te maken van een stopzetting van de kolonisatie, maar genoegen te nemen met de vermelding dat unilaterale daden verboden waren. Iets waar Israël zijn laars aan lapte. Sedert Oslo werd de kolonisatie op grote schaal gelanceerd. Het Westen zegt wel tegen de kolonisatie te zijn maar vertikt het er ook maar iets tegen te doen, terwijl het elders er snel bij is met sancties, met beschuldigingen van oorlogsmisdaden, van schendingen van de mensenrechten enz.   Een begin om gebruik te maken van het internationaal recht door de Palestijnen werd gekelderd toen Arafat inging op de vraag een gebaar van goede te stellen ter gelegenheid van het eerste ministerschap van de sociaal-democraat Yitzak Rabin, die “gematigd” zou zijn ook al had hij de Israëlische soldaten opgeroepen de botten te breken van Palestijnse demonstranten (wat die ook effectief deden). Arafat deed daarmee het jarenlange lobbywerk van zijn diplomaten teniet om een conferentie van de ondertekenaars van de Geneefse conventies over oorlogsvoering samen te roepen. Tegen die voorgestelde conferentie was een verwoed westers offensief gevoerd, ook door de EU, want Israël liep voor het Westen het gevaar internationaal aan de kaak te worden gesteld voor zijn volgens de conventies illegale kolonisatie.

Geen wonder dat er vijf jaar na de Oslo-akkoorden geen Palestijnse staat was. Telkens opnieuw werd die in het vooruitzicht gesteld. Binnen zoveel maanden, werd telkens gezegd, zou de staat er wel zijn.  In 2003 werd er een “kwartet” gevormd (Verenigde Staten, Verenigde Naties, Rusland en de Europese Unie) dat een “routeplan” lanceerde dat eind 2003 zou resulteren in een Palestijnse staat. De Amerikaanse president George Bush jr. was een andere leugenkampioen. Tot kort voor het einde van zijn ambtstermijn in februari 2009 meldde hij dat de Palestijnse staat er nog voor zijn aftreden zou zijn. Zijn opvolger Barack Obama toonde zich aanvankelijk ook vastberaden om de Palestijnse kwestie op te lossen, maar al snel liet hij de Palestijnen gewoon vallen. De – voorlopig – laatste einddatum van 29 april 2014, negen maanden na het begin van de onderhandelingen, is dus weer op niets uitgelopen.

Internationale verantwoordelijkheid

De Palestijnse regering van president Mahmoud Abbas gaat hierin niet vrij uit. Abbas ging en gaat altijd uit van de goede trouw van de andere partijen in de onderhandelingen – en van de bemiddelaars. De VS zijn geen “honest broker” zoals al sedert de dagen van Henry Kissinger (van 1969 tot 1977 Nationaal Veiligheidsadvizeur en minister van Buitenlandse Zaken) wordt beweerd. Kissinger zelf behoort tot de Israëlische lobby in de VS, evenals Martin Indyk, de man die door Obama werd benoemd om de eind juli 2013 heropgestartte onderhandelingen te coördineren. De VS zelf zijn de grootste schuldigen voor het uitblijven van elke vooruitgang. Als grootste steunverleners van Israël weigeren ze om het even welke voorwaarde voor die steun te stellen of Israël ook maar ooit te veroordelen. Mahmoud Abbas zou op zijn minst echte “honest brokers” van de VS kunnen eisen en fervente aanhangers van Israël als “bemiddelaars” moeten afwijzen. Dat geldt ook voor de voormalige Britse premier Tony Blair, een even vurig aanhanger van Israël, die voor zijn diensten in Israël een “vredesprijs” van één miljoen dollar kreeg, en die, onbegrijpelijk maar waar, door het “kwartet” werd aangesteld tot onderhandelaar! Ook de Noorse diplomaat Terje Roed Larsen, die een hoofdrol speelde in het bedotten van de Palestijnen in Oslo kreeg een prijs van enkele honderdduizenden dollar in Israël. Nochtans is hij nog altijd actief in het Midden Oosten voor de VN. Het is een raadsel waarom Mahmoed Abbas met dergelijke mensen zaken wil blijven doen.

Het wordt dringend tijd, zeker nu de zoveelste poging een fiasco is geworden, dat de “internationale gemeenschap” haar verantwoordelijkheid opneemt. Zij heeft het probleem geschapen, zij kan haar handen niet in onschuld wassen, zij hoort het op te lossen en het niet door te schuiven naar beide partijen, zeker als één ervan, de Palestijnse, geen enkel gewicht in de schaal legt. Want dat komt er op neer dat het recht van de sterkste triomfeert. Er zouden op zijn minst internationale sancties moeten worden opgelegd aan Israël. Voor een oplossing bestaan er voldoende VN-resoluties en internationale wetten. Waarom worden die van tafel geveegd en moet Israël die niet naleven? Elders – in het jongste geval Oekraïne – wordt er met internationaal recht, mensenrechten, speciale tribunalen enz. geschermd. Maar hier speelt weer het klassieke systeem van twee maten en gewichten: Israël behoort (evenals Turkije, Marokko, Saudi-Arabië enz. enz.) tot de vrienden en is feitelijk lid van de EU en van de NAVO. En tot nader order mogen die van het Westen alles doen wat in tegenstrijd is met nobele (maar in feite fictieve) principes van dat Westen. Het is alvast een goed teken dat Mahmoed Abbas nu eindelijk gebruik gaat maken van het feit dat de VN Palestina als staat hebben erkend. De EU en de VS hebben, aanvankelijk met succes, Abbas bezworen geen gebruik te maken van de rechten die de erkenning van Palestina meebrengt om bv. te voorkomen dat het Israëli’s voor het Internationaal Strafhof zou laten dagen voor oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid. Op 2 mei a.s. zal Palestina zich formeel aansluiten bij tien VN-conventies, onder tegen foltering, racisme en burgerrechen. Daarna zal Zwitserland, de sponsor van de Vierde Geneefse Conventie, die de bescherming van burgers in oorlogstijd regelt, aankondigen dat Palestina zich erbij heeft aangesloten. Of Nederland, de sponsor van de Haagse Conventie over het oorlogsrecht, dit voorbeeld zal volgen, valt nog af te wachten gezien de zeer sterk pro-Israëlische houding van Nederland. In elk geval maakt men zich in Israël ernstig zorgen over het feit dat Israëli’s hun internationale straffeloosheid zullen kunnen verliezen.

Historicus en actief gepensioneerd journalist. Werkte bijna 30 jaar in de dagbladpers. Schreef talloze krantenartikels en achtergrondbijdragen voor tijdschriften en verzamelwerken. Daarnaast ook een aantal boeken, zoals over de opkomst van het islamitisch fundamentalisme (1995) en de Koerdische kwestie. Werd medeoprichter van Uitpers uit onvrede met de berichtgeving in de mainstreampers, die zich meer laat meeslepen door desinformatie en propaganda.