Over waterdruppels, grote getallen en de overheid

Facebooktwittergoogle_plusmail

Dirk Barrez is een gedreven journalist die geen hete maatschappelijke hangijzers uit de weg gaat. Integendeel, hij zoekt ze juist op, werkt zich grondig in, neemt gedurfde standpunten in en lanceert van daaruit creatieve voorstellen van out of the box-denken. Dat doet hij nu ook weer in zijn laatste boek waarin hij een aanstekelijk pleidooi houdt voor coöperatief ondernemen. Deze manier om aan economie te doen kan ‘ons zelf voorbij het desastreuze financieel kapitalisme voeren’. Dat is zijn gelukkigste conclusie waarmee hij tevens uitdagend een dikke knuppel in het linkse hoenderhok werpt.

“We maken onze structuren om er kwaad op te kunnen zijn.
Want als we onze utopieën geen vorm geven,
Hebben we niets in handen.
Dan kunnen we alleen maar janken van onmacht.”

Dat schrijft de ex-VRT-journalist in zijn voorwoord en daarmee is de toon van dit boek al meteen gezet. Het is een voluntaristische oproep om te reiken naar de concrete utopie, naar wat, Blochiaans gezegd, nog niet is, maar mogelijk blijft. Het is tevens een aansporing om niet bij de pakken te blijven zitten van dat financieel desastreus kapitalisme, maar om de handen uit de mouwen te steken om een sociaalecologische samenleving dichter bij te halen. Coöperaties kunnen daarin een niet onbelangrijke rol spelen. Dat vindt Barrez. Daarmee trekt hij de lijn door van zijn boek “Van eiland tot wereld. Appèl voor een menselijke samenleving” uit 2008. Wie de weg van de coöperatie inslaat, neemt die toekomst zelf in handen. Dat zijn geen loze woorden, zeker niet als ze worden uitgesproken door iemand die mede de aanjager is van initiatieven als PALA.be, Global Society vzw, www.dewereldmorgen.be en de coöperatieve bank-in-wording NewB.

“Coöperaties” draagt als vragende ondertitel “Hoe heroveren we de economie?” en daarmee richt de auteur zich in de eerste plaats naar het 99 procent aardbewoners, zowel in het Noorden als in  het Zuiden, van wie leven en welzijn gedomineerd worden door die 1 procent steenrijken der aarde.

In negen korte, vlot leesbare hoofdstukken, gelardeerd met veel cijfermateriaal en op basis van een grote terreinkennis, neemt de auteur zijn lezers op sleeptouw door de relatief onbekende wereld van het coöperatieve ondernemen. Wie geregeld www.dewereldmorgen.be leest, zal zeker elementen herkennen die Barrez al eerder in een minder systematische vorm heeft neergeschreven.

Economie en economie

Ondanks de overduidelijke revival van het fenomeen maken onderwijs en pers er toch slechts met mondjesmaat melding van. ‘Economie’ beperkt zich doorgaans tot de neoliberale verschijningsvorm, die door Nobelprijswinnaar Milton Friedman en zijn Chicago boys vanaf de jaren zeventig van vorige eeuw tot zaligmakend evangelie werd verklaard. Acteur Ronald Reagan en iron lady Margaret Thatcher introduceerden deze doctrine in het Westen en het IMF en de Wereldbank dwongen landen in het Zuiden van deze planeet tot draconische structurele aanpassingsprogramma’s om tot economische groei te komen. Ook in Europa bestrijdt men crisis op crisis volgens dezelfde neoliberale recepten, die sociaal volledig contraproductief werken.

Partijen als NVA die zich dat discours hebben eigen gemaakt, zijn intussen de beste leerlingen in het klasje van Milton Friedman en consorten. Out of the box denken is er niet bij. Dat doet Barrez wel vanuit de vraagstelling “Hoe heroveren we de economie?”

Met dat ‘heroveren’ verwijst hij, zoals de economische antropoloog Karl Polanyi, naar een samenlevingsmodel dat altijd en overal bestaan heeft waarin economische activiteiten ingebed zaten in het geheel van die samenleving. Van een opzichzelfstaand domein van de economie was volgens Polanyi nooit sprake. Uiteraard werd er gehandeld, maar dat gebeurde vooral lokaal, en van ‘markten’ in de moderne zin van het woord was geen spoor te bekennen. Bij die handel speelde het individuele streven naar winst bovendien een ondergeschikte rol. Juist omdat de economie onderdeel was van een gemeenschap keek je wel uit om al te veel geld te verdienen ten koste van een ander. Voor je het wist, werd je uit het dorp verstoten. Wederkerigheid en herverdeling waren daarom veel belangrijkere motieven dan welvaart vergaren. Volgens Barrez kunnen coöperaties een krachtig wapen zijn om die economie te heroveren en om te reageren tegen de moderne roofridders, met name financiële, energie- of andere concerns die zoveel macht verzamelen en monopoliseren.

Een streepje theorie

In een eerste deel ‘Tussen kapitalisme en staat’ brengt Barrez een streepje relevante theorie aan waarvan ik voornamelijk de zeven coöperatieve principes, zoals ze geformuleerd werden door de Engelse Rochdale pioniers uit de negentiende eeuw, onthoud. Vooruitlopend op zijn excursies in volgende hoofdstukken onderscheidt hij vijf soorten coöperaties. De traditioneel meest bekende, en meest voorkomende, zijn de zogenaamde verbruikers- of consumentencoöperaties, zoals de Welvaart en Coop winkels, zeker niet onbekend bij wie al wat ouder is. Als deelsoort van de verbruikerscoöperaties onderscheidt Barrez de financiële coöperaties zoals Bacob en Cera in België ooit waren en de Rabobank in Nederland nog steeds is.

Een niet onbelangrijk deel van Barrez’ analyse gaat over de op- en neergang van deze banken, die een zeer belangrijke kunnen spelen in het coöperatieve verhaal als er tenminste niet buiten de lijntjes wordt gekleurd zoals met ARCO en Dexia is gebeurd. Daarom is het zo belangrijk dat het elan van NewB zal leiden tot een nieuwe coöperatieve bank in België.

Een andere belangrijke coöperatieve bedrijvigheid komt van ondernemers of producenten die zich verenigen om aan schaalgrootte te winnen. Vooral landbouwers, zoals de melkveehouders van Milcobel, hebben zich verenigd in producentencoöperaties.

De zogenaamde werknemerscoöperatie, waar de werknemers de coöperanten en dus de bazen zijn, kan, zoals het Spaanse Mondragón, een heel sterke economische speler zijn.

Wanneer mensen, bedrijven of verenigingen zich groeperen in aankoopcoöperaties zoals Samen Sterker of Selexion, doen ze dat om samen sterker te staan en betere prijzen te krijgen voor de waren en diensten die ze gezamenlijk kopen van producenten. Barrez onderscheidt ten vijfde ook, en hij zal daar bij het formuleren van zijn voorstellen uitvoerig op terugkeren, zogenaamde gemengde coöperaties waarbij zowel klanten als werknemers leden zijn van bijvoorbeeld een coöperatieve bank of supermarktketen.

In de wereld van de coöperaties

Vanaf het tweede deel “Consumenten op het spoor van duurzaamheid” begint Barrez aan een rondreis in de wereld van coöperaties en daarvoor trekt hij naar Zwitserland om kennis te maken met de twee consumentencoöperaties Migros en Coop, die met lengtes voorsprong het supermarktlandschap in dat Alpenland beheersen. Zij hebben Carrefour in het zand doen bijten en wisten met haar bijna vijf miljoen leden (van de net geen acht miljoen Zwitsers) Aldi en Lidl af te houden.

Barrez ontdekt, enthousiasmeert, maar wordt nergens euforisch. Coöperatie zijn een boeiend fenomeen, maar geen wondermiddel. De journalist heeft op zijn reizen zijn kritische zin niet vergeten mee te nemen. Zo snijdt hij in deel drie “Succes en falen” het pijnlijke verhaal van het Arco-débâcle aan dat nochtans zo mooi begonnen was als de coöperatieve werknemersbank Bacob. ‘Vergis je niet,’ schrijft hij, ‘Dexia is niet kapot gegaan omdat het een coöperatie was, maar omdat het zich verkocht heeft aan de casino-economie.’

Deel vier ‘Greep op het geld’ is veel hoopvoller en begint met een uitstap naar het Canadese Québec ,waar meer dan honderd jaar geleden Alphonse Desjardins met een bescheiden coöperatieve bank begon, die nu is uitgegroeid tot de coöperatieve financiële groep Desjardins met 5,6 miljoen leden en 400 lokale kredietcoöperaties.

Dat overwegend mooie verhaal was een geschikte opstap voor Barrez om de ontstaansgeschiedenis van NewB, waarvan hij mede-oprichter is, te schetsen. 44.000 coöperanten, waaronder 101 organisaties, streven ernaar om uiterlijk tegen 2015 een licentie te verwerven om te mogen bankieren. NewB probeert – en met succes – haar coöperanten actief te betrekken bij het tot stand komen van de bank. Het optimaal organiseren van de interne democratie is immers zeer belangrijk. Dat is een belangrijke les uit de coöperatieve geschiedenis. Barrez: ‘Bereid de coöperanten van in het begin ook al voor op het bewaken van de instituties die ze creëren. Zodat de coöperaties, hoe groot ze ook worden, blijven doen waarvoor ze zijn opgericht, altijd opnieuw in dienst van hun leden en van de samenleving.’ (p. 79). Dat zijn wijze woorden, gebaseerd op lessen die we uit het verleden hebben kunnen trekken.

Voordat Barrez in deel zes het Belgische coöperatieve plaatje opentrekt, kijkt hij nog eens goed over de grenzen – naar Canada, Italië, Brazilië, Argentinië en naar het Baskische Mondragón – en dan blijkt dat België zeker geen topland is op het vlak van coöperatief ondernemen. Toch blijkt uit twee lange interviews met Lieve Jacobs van Coopburo en Peter Bosmans van Febelcoop dat er in België toch ook veel beweegt op dat vlak. Er zijn ongeveer 26.000 coöperaties waarvan echter slechts een 500 daarvan erkend zijn door de Nationale Raad voor de Coöperatie, wat ten dele kan worden verklaard door een zeer liberale wetgeving waarin ook ondernemingen onderdak kunnen vinden alleen maar om er financiële voordelen uit te halen.

De steile opgang van energiecoöperatie Ecopower, maar ook Beauvent, het reclamebureau Choco en het grafisch bureau Magelaan – Barrez kiest voornamelijk voorbeelden uit het noorden van het land, maar ook in het zuiden leeft de coöperatieve gedachte sterk – zijn maar enkele van de vele voorbeelden die in het boek vermeld worden.

Publiekscoöperatie Belfius

In deel acht breekt Barrez een lans voor het terugwinnen van de commons, van alles wat mensen met elkaar delen, gaande van de globale atmosfeer, oceanen, meren en rivieren, maar ook genen,  zaden, bossen, mineralen, vrije en open software, internet, wind- en zonne-energie, visgronden, agro-ecologische kennis, vrije cultuur, parken en andere publieke ruimten, geldsystemen, sportclubs en ga zo maar door.

Hoe beheren we wat van iedereen is? Barrez pleit voor de oprichting van gemengde coöperaties. De meeste coöperaties verbinden en bundelen leden met een gezamenlijk belang, maar coöperaties kunnen volgens hem ook een oplossing bieden voor de verwachtingen van heel verschillende belanghebbenden. Hij vraagt zich af: ‘Waarom zouden onderzoekers, onderwijzend personeel, andere medewerkers, ouders, studenten, overheden niet beter werken in een coöperatief verband als het om de organisatie van onderwijs gaat?’ Ook voorschoolse kinderopvang is al even belangrijk als onderwijs. Daar zijn werknemers, ouders en overheden mogelijke partners om coöperatieve initiatieven te ontplooien. Barrez vermeldt ook ouderenzorg en ziekenhuizen als mogelijke werkterreinen voor gemengde coöperaties.

De auteur draagt ook radicale coöperatieve oplossingen aan voor Belfius, bpost, Telenet, Belgacom, Electrabel en misschien ook het beheer van windmolens op zee. Maak van Belfius, zegt hij, een publiekscoöperatie en geef aan dat overheidsbedrijf het statuut van coöperatie met exact altijd evenveel vennoten als er Belgen zijn. ‘Zo creëren we de mengvorm van de publiekscoöperatie, een heel beloftevolle formule om maatschappelijk te ondernemen. Dan is en blijft Belfius een overheidsbedrijf, en tegelijkertijd zijn alle burgers er onvervreemdbaar eigenaar van. Zij zijn van geboorte tot dood de vennoten van hun bedrijf en kunnen hun aandeel niet verkopen.’ (p. 161)

Coöperaties, een politieke illusie?

Dirk Barrez maakt met zijn boek ook heel wat controverses los in linkse middens en dat is een andere en niet onbelangrijke verdienste van dit boek. De spits werd afgebeten door Ludo de Witte die op 28 januari 2014 in www.dewereldmorgen.be een kritische, goed onderbouwde reactie schreef op het boek van Dirk Barrez onder de niet mis te verstane titel ‘Met coöperaties de economie heroveren? Over het volkskapitalisme als politieke illusie’. Hij schrijft onder meer: ‘De uitgever stelt, in een presentatie van het boek: “Barrez besluit dat deze bedrijven, waar werknemers de baas zijn, ons uit het desastreuze financieel kapitalisme kunnen helpen.

Het is een standpunt dat met kracht moet worden verworpen, willen we ons kompas gericht houden op het centrale doel: de vervanging van het dog-eat-dog kapitalisme door een rationelere, rechtvaardigere, gelukkigere samenleving die ook moeder aarde koestert in plaats van leeg te roven.” En op het einde van zijn betoog stelt hij onomwonden: “Het “volkskapitalisme” als hedendaagse ideologie is een capitulatie voor het alomtegenwoordige neoliberale eenheidsdenken. Als politieke stroming komt het neer op een plekje zoeken in de poriën van het kapitalistische lichaam. Het creëert illusies en leidt aandacht en energie af van de uitbouw van een politieke tegenmacht die fundamenteel van nationale en op termijn ook van internationale aard moet zijn, want het kapitalisme is een internationaal systeem.”

Dat er scherpe reacties zouden volgen op dit boek was wel te verwachten, want coöperaties hebben ook in de loop van de geschiedenis van de arbeidersbeweging – en zeker in de tweede helft van de negentiende eeuw – voor heel wat ideologisch gebakkelei gezorgd. Zowel aan de linkerzijde als aan de rechterzijde werden er voor- en tegenstanders gevonden. Door zijn hybride karakter paste het coöperatieve profiel eigenlijk in geen enkel ideologisch discours. Voor de liberalen was de coöperatie te socialistisch, voor de socialisten te burgerlijk en voor de katholieken te liberaal. De coöperatie van de Rochdale-snit was een nieuw model, maar een model waarvoor? Om arbeiders in staat te stellen een beter leven op te bouwen? Om de maatschappelijke ordening te veranderen of, omgekeerd, om het bestaande beter en soepeler te kunnen bestendigen?

Anarchisten en marxisten

Coöperaties zijn ideologisch altijd een glibberig terrein geweest: te ‘socialistisch’ voor de ene, te ‘liberaal’ voor de andere. Coöperaties vormden ook een taai strijdpunt tussen anarchisten en marxisten. Ik ga daar in “De nieuwe coöperatie” nader op in. Voor Proudhon begon de sociale revolutie met de strijd in coöperaties en werkplaatsen. ‘De sociale revolutie,’ zo schreef hij, ‘wordt ernstig in gevaar gebracht door de politieke revolutie.’ De Franse anarchist geloofde dat de sociale strijd zonder geweld gestreden kon worden, dat de maatschappij veranderd kon worden met de rede en het stellen van voorbeelden. Proudhon en zijn volgelingen meenden dat de arbeidersbeweging zich helemaal niet hoefde te profileren in de politieke strijd. Zij zagen de redding van de arbeiders in een federatie van communes, mutualisme en coöperaties.

Karl Marx was het daar helemaal niet mee eens. Het is trouwens Marx himself die de term ‘utopisch socialisme’ eerder als een scheldnaam lanceerde. Marx en Engels zagen geen heil in het uitwerken van blauwdrukken voor een socialistische maatschappij. Zij beschouwden dat als nutteloze intellectuele speculaties. Vandaar dat zij figuren als Godin, Fourier en Proudhon eerder als dromers en zwetsers beschouwden. In hun ogen trachtten de utopisten zich met een sprong in hun verbeelding buiten de tijd te plaatsen. Zij hadden volgens hen geen notie van de krachten en processen die de historische ontwikkeling bestuurden. Daartegenover plaatsten zij hun ‘wetenschappelijk socialisme’ dat een ‘juiste’ verklaring van de geschiedenis was, en dan met name van de klassenstrijd. De plannen van de utopische socialisten waren bijgevolg gedoemd om te mislukken en bovendien gevaarlijk. Voor Marx stond het veroveren van de politieke macht in de staat voorop. Niet zo voor Proudhon en volgelingen. Beide groepen streefden het einde van het kapitalisme na, maar op een totaal verschillende manier. Bij het tot stand komen van de Eerste Internationale in 1864 vormden de productiecoöperaties – niet de consumptiecoöperaties omdat Marx alleen oog had voor de productieverhoudingen – een belangrijk strijdpunt tussen de aanhangers van het ‘wetenschappelijk’ en ‘utopisch’ socialisme. De coöperatie werd de inzet van een felle ideologische strijd tussen wereldverbeteraars en dat is nog steeds het geval – zie de reactie van Ludo De Witte – waarbij grosso modo dezelfde vraagstelling steeds weer naar boven komt. Was en blijft de coöperatie een instrument om de maatschappelijke ordening te veranderen, om het bestaande beter en soepeler te kunnen bestendigen of … gaat het hier om een derde weg zoals je nu meer en meer stemmen, zoals die van de Luikse hoogleraar Jacques Defourny, hoort opgaan?

Een hybride onderneming

Een coöperatie is en blijft een zeer hybride ondernemingsvorm. Wat doe je immers met een economische constructie, die een intermediaire maatschappelijke ruimte probeert in te nemen en die zich op het kruispunt van verschillende relaties bevindt: tussen staat en burgers, tussen de lokale gemeenschap en de nationale staat, tussen het economische en het sociale. Coöperaties bewegen zich niet buiten, maar in de marge van de vrijemarkteconomie. Ze zijn een verrassende combinatie van concreet utopisch denken en het noodzakelijke dagelijkse realisme om een onderneming te laten overleven die niet alleen winstmaximalisatie vooropstelt.

Een versmelting dus van utopie en realisme, van radicalisme en pragmatisme. Misschien zit in dat moeilijk classificeerbare wel de grote waarde van het coöperatieve verhaal. Een ding is zeker: er is in bepaalde vormen van coöperatief ondernemen een concreet utopische onderstroom aanwezig die moet gekoesterd worden, maar waarmee men ook voorzichtig moet omspringen. Zoals de filosoof Hubert Dethier zo mooi zegt: ‘We moeten ervoor zorgen dat de steen van Sisyphus aan de top van de berg net dat punt van broos evenwicht bereikt, waarop hij niet terug naar beneden rolt.’

Van onderuit

Is het coöperatieve ondernemen dan een wondermiddel? Neen, natuurlijk niet, en dat beweert  Dirk Barrez in zijn boek ook niet. De coöperatieve beweging situeert zich echter binnen het perspectief van un million de révolutions tranquilles, zoals de Franse journaliste Bénédicte Manier al die kleine initiatieven in haar gelijknamig boek benoemt, die zich afkeren van een gederailleerde vrije markt en die aan een creatieve zoektocht om de commons, le bien commun te mutualiseren, zijn begonnen. Die zoektocht vindt plaats zowel binnen als buiten het kader van de vrije markt. Zoals blijkt uit een groot aantal internationale voorbeelden kunnen coöperaties die een plaats verworven hebben in een of ander marktsegment een belangrijke motorfunctie vervullen in het humaniseren van de economie.

Dat zijn de ‘kleine revoluties’ van onderuit waarover Rik Pinxten het heeft. Even afstappen van de grote verhalen en macroanalyses is geen intellectuele doodzonde. Integendeel, het biedt uitzicht op beweging aan de basis, en die verloopt zeker niet altijd volgens de klassieke ideologische krijtlijnen. De zoektocht naar meestal kleinschalige alternatieve werk- en levenswijzen, communes, woongemeenschappen, coöperaties die met elkaar associatieve of federatieve verbanden aangaan werden niet begraven in de 19de eeuw met het anarchisme of het libertair socialisme, maar kwamen weer tevoorschijn tijdens de studentenrevolte in mei ’68 en waren ook aanwezig in de recentere andersglobalistische beweging, het optreden van de indignados en in sommige onderdelen van wat tegenwoordig nogal breed de transitiebeweging wordt genoemd.

Pinxten houdt in zijn boek een pleidooi om ook het belang van micro-ontwikkelingen te erkennen en hij gebruikt daarvoor het beeld van de weg van het water. Water, zo schrijft hij, druppelt langzaam, geduldig en aanhoudend op de harde rots om zo de vorm van de rots te veranderen. Elke waterdruppel is ongelooflijk krachtig en vele aanhoudende waterdruppels kunnen de aarde veranderen. Een revolutie is in de eerste plaats een proces in het bewustzijn van mensen. En dat vraagt tijd.

Rol van de staat

Maatschappijverandering – transitie naar een sociaalecologische samenleving heet het nu – kan natuurlijk niet enkel steunen op voluntaristische coöperaties en allerhande bewegingen van onderuit. De staat moet een belangrijke rol blijven spelen, niet als een terugwijkende maar als een ondersteunende overheid, die echt moet gaan faciliteren. Er zijn heel veel belemmeringen voor coöperatief ondernemen en bij uitbreiding voor al die vaak kleine, maar hoopvolle bewegingen van onderop. Die obstakels moeten allemaal worden weggenomen.

De overheid kan helpen met het bij elkaar brengen van coalities, partijen bij elkaar brengen. De overheid kan helpen met het ontwikkelen van slimme financiële arrangementen. Maar de overheid moet niet zelf organiseren maar zorgen dat de burgers dat doen. Dat is de taak van een faciliterende overheid.

Zoals Michel Bauwens in zijn boek ‘De wereld redden’ zou ik willen pleiten voor publieke-commons-samenwerking, wat kan leiden tot ‘commonificatie van openbare diensten’. Als voorbeeld verwijst Bauwens naar het stadsbestuur in San Francisco die een werkgroep sharing economy heeft opgezet die twintig domeinen heeft vastgesteld waaronder transport, stadsplanning en stadslandbouw waarop het gemeentebestuur wetgevende initiatieven kan nemen om sharing en autonome activiteiten te stimuleren.

Waterdruppels en grote getallen

De waterdruppels waarover Rik Pinxten het in zijn ‘Kleine revoluties’ heeft zijn nieuwe vormen van strijd. ‘Het boeiende eraan is dat ze zich bevinden aan de rand van de “grote” of “officiële” politiek. In die zin hebben burgerinitiatieven geen structureel veranderende invloed, maar spelen ze niettemin een fundamenteel corrigerende rol, en helpen ze een mentaliteitsverandering tot stand te brengen.’

Het zal wel gaan over een samengaan van al die kleine waterdruppels, versterkt met de kracht van de grote getallen waarop Dirk Barrez terecht de nadruk legt: van het Baskische Mondragón, de Zwitserse coöperaties, de Canadese Desjardins-beweging, de wereldwijde ICA en andere nationale en internationale netwerken, die de lange weg naar die sociaalecologische samenleving van de toekomst kunnen helpen verkorten. Al die initiatieven, grote en kleine, zoeken een plaats op die derde weg die zich in een breder wordend maatschappelijk middenveld situeert waarvan het belang niet genoeg kan worden onderstreept.

Barrez benadrukt in zijn boek ook herhaaldelijk hoe belangrijk het is dat vakbonden, sociale bewegingen, milieuorganisaties, boerenbewegingen en tal van andere bewegingen hun sociaal en ander kapitaal voluit gebruiken om maatschappelijk te ondernemen en die coöperatieve, duurzame economie gestalte te geven. En dan kan misschien het Gramsciaanse moment aanbreken waarop Dirk Barrez doelt op de laatste bladzijde van zijn boek: ‘Op een bepaald moment zullen wetenschappers vaststellen, tiens, dit is geen kapitalisme meer, er heeft zich een revolutie voorgedaan, en vroeg of laat zal er een nieuwe benaming zijn voor de democratische en sociaalecologische economie die we hanteren, en zullen historici van een nieuw tijdperk spreken.’

Coöperatief ondernemen balanceert in een spanningsveld tussen no-nonsense en bezieling, tussen nuchterheid en bevlogenheid. Deze merkwaardige combinatie van ratio en emotie is ook aanwezig bij de auteur van dit boek: verontwaardiging en analysekracht gaan bij hem hand in hand en versterken elkaar. Dat maakt “Coöperaties, hoe heroveren we de economie?” tot een bijzonder boek.

Coöperaties, Hoe heroveren we de economie?
Dirk Barrez
Global Society
2014
192
9789081803410
Borgerhoutenaar Walter Lotens (°1942) noemt zich een glokale burger. Deze gepensioneerde leraar, mede-oprichter van de Actiegroep Kritisch Onderwijs (AKO), moraalwetenschapper, publicist en Latijns-Amerikawatcher schreef voor LA Chispa, een Nederlandstalig magazine over Latijns-Amerika en de Cariben, het Belgische De Reiskrant en voor de Surinaamse krant “De Ware Tijd” en nu voornamelijk voor de webzine voor internationale politiek uitpers.be, waarin hij niet alleen uitvoerig aandacht besteed aan Latijns-Amerika, maar ook aan het Antwerpse mobiliteitsdossier.