De BDS-beweging tegen de Israëlische mensenrechtenschendingen zit in de lift

geen vrede met nederzettingen
Facebooktwittergoogle_plusmail

Scarlett Johanssons beslissing om voortaan het gezicht te worden van SodaStream, bracht het debat over de illegale nederzettingen in de bezette Westelijke Jordaanoever nog eens prominent op de internationale voorgrond.

SodaStream is een bedrijf met een belangrijke productiefaciliteit in de volgens het internationaal recht, illegale nederzetting Ma’ale Adumim. De Hollywoodster koos er voor om uiteindelijk een punt te zetten achter haar ‘post’ als ambassadeur van Oxfam. De samenwerking met Oxfam eindigde na een intensieve campagne van BDS-activisten (Boycot, Desinvesteringen en Sancties), die op de onverenigbaarheid wezen met de standpunten en het werk van de humanitaire organisatie. De zaak kreeg veel aandacht in de wereldpers. Hier en daar lieten respectabele ‘business’kranten als The Financial Times (31/01/14) zich voor hun doen, zelfs behoorlijk kritisch uit over zowel Johansson als SodaStream. Het bedrijf kreeg daarop ook te maken met een daling van 3,3% op de beurs van New York. De Amerikaanse van Buitenlandse Zaken, John Kerry, waarschuwde Israël vanop de Veiligheidsconferentie in München (1/02/2014) voor de ‘delegitimiseringscampagnes’ zoals “oproepen tot boycot”. Hij zei dat het land wel eens “te maken kan krijgen met grotere isolatie en economische druk wanneer de vredesgesprekken falen en de nederzettingen groeien”.

In een commentaar op de gedaalde aandelenkoersen van SodaStream, bevestigde een beursanalist, David Kaplan, van Barclays Plc vanuit Tel Aviv de vrees van investeerders voor economische schade als gevolg van de boycotcampagnes en sancties. “De aandelen zullen naar beneden gaan tot ze (SodaStream) een weg vindt om het vertrouwen te herstellen”.

De BDS-beweging heeft de wind in de zeilen. Dat was ooit anders. Toen Palestijnse organisaties in 2005 de BDS-oproep lanceerden, waren het vooral grassroots activisten die er de boer mee opgingen. Grote organisaties kozen er liever voor om veilig afstand te nemen van een campagne die als veel te controversieel werd ervaren. De wereldwijde pro-Israëllobby ging immers van meet af aan in de tegenaanval en speelde in op de welbekende historische gevoeligheden. In België voerde het Actieplatform Palestina, een platform van derdewereld- en vredesorganisaties organisaties, al heel vroeg campagne voor een boycot van Israëlische landbouwproducten. Veel van de ingevoerde landbouwproducten zijn afkomstig uit landbouwnederzettingen in de Palestijnse bezette gebieden die onder het label ‘made in Israel’ op de Europese markt komen. Oxfam Solidariteit was een van de partners van de campagne. Toen dit het Simon Wiesental-centrum ter ore kwam, organiseerde het een grote briefschrijfcampagne die Oxfam in de VS viseerde waarbij de BDS-oproep vergeleken werd met de Nazi-campagne ‘Kauft nicht bei Juden’.

Hoewel BDS-campagnes de Israëlische inbreuken op het internationaal recht en de Palestijnse mensenrechten willen aanklagen, raakte de pro-Israëlische lobby met geregeld succes een gevoelige snaar door ze te associëren met antisemitisme. De zaak zorgde toen voor een discussie binnen Oxfam Internationaal. De Belgische tak zag zich verplicht om zich terug te trekken uit de campagne. Uiteindelijk zou zelfs het hele Actieplatform Palestina aan interne verdeeldheid daarover ten onder gaan.

 

BDS en ‘panikerende’ Israëlische regering

Die tijden lijken voorbij. De BDS-campagne, die deels geïnspireerd is op de acties van de anti-Apartheidsbeweging tegen het racistische Zuid-Afrika, lijkt effect te resorteren. Op 9 februari bracht de Israëlische krant Haaretz een artikel onder de kop: “Netanyahu roept ministers bij elkaar om te discussiëren over de groeiende boycotdreigingen tegen Israël”. Uit het artikel blijkt dat de Israëlische regering zich behoorlijk zorgen maakt over de uitbreiding die de BDS-campagne neemt. Nog volgens Haaretz bestaan er binnen de regering grote onenigheden over de te volgen strategie om de BDS-beweging het hoofd te bieden. De minister van Strategische Zaken, Yuval Steinitz, schoof een plan naar voor dat voorbereid was door zijn diensten, de Mossad (Buitenlandse Veiligheid) en Shin Bet (binnenlandse veiligheid). Volgens het plan zou Israël ‘substantiële middelen’ moeten investeren in een publieke campagne waarin “PR-materiaal en agressieve wettelijke en mediacampagnes tegen pro-boycotorganisaties” worden ingezet. Volgens minister van Buitenlandse Zaken, Avigdor Lieberman, zou dit evenwel het omgekeerde effect veroorzaken. Andere ideeën die op de kabinetsbijeenkomst werden besproken gaan erg ver zoals het aanspannen van “rechtszaken in Europese en Noord-Amerikaanse rechtbanken tegen (pro-BDS) organisaties”; “wettelijke maatregelen tegen financiële instellingen die nederzettingen boycotten… en (medeplichtige) Israëlische bedrijven”; “aanmoedigen van anti-boycotwetgeving in bevriende hoofdsteden in de wereld”; “activeren van de pro-Israellobby in de VS”. Nu al zijn er rechtzaken en wetgevende initiatieven om Boycot-oproepen te sanctioneren. In de senaat in New York is er zo’n wet in behandeling nadat de American Studies Association, een belangrijk academisch platform, besliste om Israël te boycotten en niet langer samen te werken met Israëlische universiteiten wegens hun nauwe band met de bezettingspolitiek of de militaire industrie.  

In Israël is er al sinds de zomer van 2011 een anti-boycotwet van kracht die personen of organisaties die oproepen tot een boycot, tot het betalen van schadevergoedingen kan verplichten of kan onderwerpen aan financiële sancties. De wet kreeg heel wat kritiek in binnen- en buitenland omdat het om een ernstige inbreuk van de vrije meningsuiting gaat. Inmiddels spanden verschillende Israëlische organisaties die zich geviseerd voelen, een rechtsgeding over de wet aan voor het Israëlische Hooggerechtshof. De zaak is nog in behandeling.

 

Golf van desinvesteringen

Deze paniekerige initiatieven zijn een gevolg van het feit dat het lang niet meer gaat om enkele activisten die oproepen om geen Israëlische of producten uit Israëlische nederzettingen in bezet gebied te kopen. De jongste maanden zijn er verschillende financiële instellingen en bedrijven die hebben aangekondigd hun investeringen in de Israëlische nederzettingen op bezet gebied op te schorten. De Deutsche Bank, de grootste Duitse financiële instelling, plaatste de Israëlische Hapoalim Bank op een lijst met bedrijven die ethisch problematisch zijn voor investeringen omwille van hun activiteiten in de nederzettingen. Nordea, een belangrijke Noorse bank, kondigde aan om Cemex uit zijn investeringsportfolio uit te sluiten omdat het niet-hernieuwbare grondstoffen in bezet gebied ontgint. Veel van deze ‘desinvesteringen’ zijn een gevolg van de schade die bedrijven oplopen als gevolg van hun activiteiten in de bezette gebieden. De Franse multinational Veolia kondigde een paar maanden geleden aan dat het niet langer operator wil zijn van de buslijnen voor kolonisten in de bezette Westelijke Jordaanoever, nadat bleek dat de onderneming daardoor contracten verloor in Europa en de VS. Enkele universiteiten in Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk besloten om geen beveiligingscontacten toe te kennen aan G4S omwille van de rol van het veiligheidsbedrijf in de Israëlische gevangenissen (met Palestijnse gevangen) en de nederzettingen. Het zijn slechts enkele voorbeelden, maar het lijstje groeit wekelijks aan.

 

EU start met eerste sancties

Ook de Europese Unie lijkt zich in toenemende mate te storen aan de bouw van steeds maar nieuwe nederzettingen in bezet gebied. De EU heeft herhaaldelijk verklaard dat de nederzettingen illegaal zijn en een obstakel vormen voor de vrede, maar gaf daar verder geen gevolg aan. Integendeel, Israël kon al die tijd rekenen op een voorkeursbehandeling – zoals o.a. bleek uit de ‘upgrade’ die Israël kreeg toegekend van de Europese Raad in zijn politieke en economische relaties met de EU. Israël is ook de belangrijkste niet-EU-partner in de Europese onderzoeksprogramma’s, waardoor Israëlische bedrijven en instellingen al voor vele miljoenen Europese subsidiegelden ontvingen. Maar de intensiteit waarmee de huidige regering Netanyahu de ene bouw van nieuwe nederzettingen na de andere aankondigt is blijkbaar toch een stap te ver. Na verschillende keren te hebben aangedrongen en een ongewoon kritisch rapport van de EU-missie in Jeruzalem, nam de EU in juli 2013 nieuwe richtsnoeren aan. Deze richtsnoeren bepalen dat Israëlische instellingen die gevestigd zijn in bezet gebied niet langer in aanmerking kunnen komen voor Europese subsidies, giften of financiële instrumenten. Het is een van de eerste keren dat de EU Israël aan een, zij het vooralsnog bescheiden, sanctieregime onderwerpt. Eerder zetten een aantal individuele landen zoals Spanje, Zweden, Noorwegen of Nieuw-Zeeland de toon door overheidsmiddelen voor Israëlische instellingen in de bezette gebieden te blokkeren.

 

Verbod op import van producten uit nederzettingen

In zijn jongste rapport (eind februari 2014) vraagt de Speciale Rapporteur van de VN voor Mensenrechten in de Palestijnse gebieden, Richard Falk, dat het Internationaal Gerechtshof in Den Haag onderzoekt of er sprake is van Apartheid en etnische zuivering en dringt hij er bij de VN op aan om een onderzoek te starten naar de “bedrijven die profiteren van onwettige Israëlische activiteiten.” In zijn rapport beveelt hij de VN-lidstaten ook aan om een ban te overwegen op de import van producten uit Israëlische nederzettingen.

Het rapport komt net op het ogenblik van de lancering van een nieuwe campagne van Belgische mensenrechten-, ontwikkelings- en vredesorganisaties (waaronder ook Vrede vzw) “Made in Illegality”. Volgens de campagne is het verbod op import van producten uit nederzettingen geen vrijblijvende zaak, maar een verplichting die voortvloeit uit het internationaal recht om geen economische of commerciële relaties met Israëlische nederzettingen aan te gaan. Ze baseren zich op de uitvoerige juridische argumentatie van een rapport van professor Dubuisson van de ULB. “De organisaties willen met deze campagne België en de Europese Unie aanzetten tot concrete actie opdat Israël zijn nederzettingenbeleid in de Palestijnse gebieden staakt. Concrete actie betekent in de eerste plaats de onmiddellijke stopzetting van alle economische- en handelsrelaties met de Israëlische nederzettingen”

 

 

Ludo De Brabander studeerde pers- en communicatie aan de Universiteit Gent. Sinds 1995 werkt hij voor Vrede vzw, een linkse vredesorganisatie met kantoor in Gent. Tegenwoordig is hij er de woordvoerder. Hij is auteur van o.m. 'Als de NAVO de passie preekt' (EPO, 2009 - samen met Georges Spriet) en 'Oorlog zonder grenzen' (EPO, 2016). Hij is van bij de start (1999) redactielid van Uitpers