President Correa: “Door schulden geplaagd Europa herhaalt onze fouten”

rafael correa
Facebooktwittergoogle_plusmail

Tijdens een conferentie aan de Sorbonne van 6 november 2013 heeft de Ecuadoraanse president Rafael Correa zijn Europese collega’s geïnterpelleerd over hun beleid in verband met de schuldencrisis. Zij hebben maar een grote bezorgdheid, met name het behartigen van de belangen van de financiële wereld. De lezing van Correa, in het Frans uitgesproken, kan je beluisteren/bekijken op de website van de Sorbonne (www.paris-sorbonne.fr) en is vertaald door Walter Lotens.

‘Wij, Latijns-Amerikanen, zijn experten in crisis. Niet omdat wij intelligenter zouden zijn dan anderen, maar omdat we ze allemaal hebben ondergaan. En we zijn er zeer slecht mee omgesprongen, want wij hadden maar een prioriteit: de belangen van het kapitaal verdedigen op gevaar af de regio in een langdurige schuldencrisis te storten. Wij zijn verontrust dat Europa vandaag dezelfde weg inslaat.

In de loop van de jaren 1970 zijn de Latijns-Amerikaanse landen opgezadeld met een zeer grote buitenlandse schuldenlast. De officiële geschiedenis bevestigt dat deze situatie veroorzaakt werd door “onverantwoordelijke” regeringen en door ontwikkelingsmodellen die na de Tweede Wereldoorlog door het subcontinent werden toegepast, met name de creatie van een industrie die in staat zou zijn ingevoerde producten lokaal te produceren of, anders gezegd, industrialisering door importsubstitutie. Die grote schuldenlast werd bevorderd – en zelfs opgelegd – door internationale financiële organisaties. Vanuit hun vooropgestelde logica om grote projecten met een hoog rendement te financieren, die op dat ogenblik overvloedig aanwezig waren in de derde wereld, zou men niet alleen de ontwikkeling van die landen stimuleren, maar zou het hoge rendement van die investeringen ook toegelaten hebben om de aangegane schulden terug te betalen.

Die logica werd aangehouden tot 13 augustus 1982, datum waarop Mexico bekend maakte geen schuldaflossingen meer te kunnen doen. Sindsdien moest heel Latijns-Amerika lijden onder de opheffing van alle leningen en de brutale verhoging van de interesten op de uitstaande schuld. Leningen die aangegaan werden tegen vier à zes procent, maar met een variabele interest, gingen plotseling de hoogte in, zelfs tot twintig procent. Mark Twain zei: “Een bankier is iemand die je een paraplu leent wanneer er veel zon is, maar die hem afneemt op het ogenblik dat het begint te regenen.”

Zo is onze schuldencrisis begonnen. Tijdens het decennium van 1980 transfereerde Latijns-Amerika naar zijn schuldeisers 195 miljard dollar (ongeveer 554 miljard dollar in de huidige waarde). In dat zelfde decennium steeg de buitenlandse schuld nochtans van 223 miljard dollar in 1980 tot… 443 miljard dollar in 1991! Niet door het aangaan van nieuwe kredieten, maar door herfinanciering en verhoging van de interesten. Dat betekent dat het subcontinent in het decennium van 1980 op hetzelfde inkomensniveau per hoofd van de bevolking is blijven staan dan in het decennium ervoor. Men spreekt dan ook over “het verloren decennium”. In de werkelijkheid betekent het dat een ganse generatie hiervan het slachtoffer is geworden.

Hoewel zij gemeenschappelijk verantwoordelijk waren, hebben de grote mogendheden, en de internationale bureaucratieën zoals het IMF, de Wereldbank en de BID, evenals de internationale privébanken die crisis verklaard als het oeverloos schulden aangaan – overborrowing in het Engels – van de betrokken staten. Nooit hebben zij de eigen verantwoordelijkheid in een proces van overlending onder ogen willen zien.

De diepe budgettaire crises en buitenlandse schuld, veroorzaakt door de financiële transfer van Latijns-Amerika naar zijn schuldeisers, heeft een aantal landen van de regio, op instigatie van het IMF, verplicht een intentieverklaring te ondertekenen. Die dwingende akkoorden maakten het mogelijk om nieuwe leningen te verkrijgen, alsook een onderpand bij de onderhandelingen over de bilaterale schulden met de schuldeisende landen, bijeengekomen in het kader van de club van Parijs.

De structurele aanpassings- en stabilisatieprogramma’s hebben de klassieke recepten van altijd opgelegd: budgettaire strengheid, verhoging van de prijzen voor publieke diensten, privatisering, et cetera. Even zoveel maatregelen die niet bedoeld waren om zo vlug mogelijk uit de crisis te geraken, noch om de werkgelegenheid aan te zwengelen, maar om de terugbetaling van de uitstaande schulden bij privébanken te garanderen. Per slot van rekening bleven de betrokken landen met hun schulden zitten, niet meer bij privébanken, maar bij internationale financiële organisaties, die de belangen van de banken beschermen.

In het begin van de jaren ’80 werd een nieuw economisch model opgedrongen aan Latijns-Amerika: het neoliberalisme. De nieuwe consensus om economisch te ontwikkelen staat bekend als de Washingtonconsensus, waarvan de multinationale organisaties die in Washington gevestigd zijn, de belangrijkste bedenkers waren. Volgens de dominante logica was de crisis in Latijns-Amerika een gevolg van de te grote staatstussenkomst in de economie, van een gebrek aan een adequaat systeem van vrije prijzen en van de afwezigheid van internationale markten, allemaal te wijten aan het Latijns-Amerikaans model van industrialisering gebaseerd op importsubstitutie.

Door een verdoorgedreven ideologische marketing, verpakt als wetenschappelijk onderzoek en aangevuld met de nodige druk uitgeoefend door het IMF en de Wereldbank, heeft er zich in de regio een verschuiving voorgedaan van het ene uiterste naar het andere: van een wantrouwen ten aanzien van de markt en van een groot vertrouwen in de rol van de staat naar privatisering en deregulering. De crisis is niet alleen economisch: zij heeft ook geleid tot een gebrek aan leiders en ideeën. Wij hebben angst om zelfstandig te denken en hebben op een passieve manier buitenlandse dictaten aanvaard.

De beschrijving van de crisis die Ecuador heeft doorgemaakt zal waarschijnlijk bekend zijn aan heel wat Europeanen. De Europese Unie lijdt nu onder een schuldenlast, veroorzaakt en uitgediept door een neoliberaal fundamentalisme. Met respect voor de soevereiniteit en onafhankelijkheid van alle regio’s ter wereld, zijn wij toch verrast te moeten constateren dat Europa, eens zo verlicht, op alle punten dezelfde fouten herhaalt die Latijns-Amerika in een recent verleden heeft gemaakt. De Europese banken hebben aan Griekenland geleend en beweren dat zij niet gemerkt hebben dat het budgettair deficit drie keer groter was dan wat de staat beweerde. Hier stelt zich opnieuw het probleem van de overborrowing, maar men vergeet de keerzijde ervan, de overlending te vermelden. Het is alsof het financieel kapitaal nooit aansprakelijk kan worden gesteld.

Tussen 2010 en 2012 heeft de werkloosheid alarmerende hoogten bereikt in Europa. Tussen 2009 en 2012 hebben Portugal, Italië, Griekenland, Ierland en Spanje hun budgettaire uitgaven gemiddeld met 6,4 procent verminderd en daardoor drastisch bezuinigd op volksgezondheid en onderwijs. Deze politiek wordt gerechtvaardigd omdat er een gebrek aan middelen zou zijn, maar er werden wel aanzienlijke bedragen vrijgemaakt om de financiële sector te steunen. In Portugal, Giekenland en Ierland overstijgen de bedragen van deze financiële reddingsoperatie het totaalbedrag aan jaarlijkse lonen.

Terwijl de crisis de Europese volkeren zwaar treft, blijft men echter dezelfde recepten toepassen die overal in de wereld mislukt zijn. Nemen we even het voorbeeld van Cyprus. Zoals altijd is het probleem begonnen met de deregulering van de financiële sector. In 2012 werd dat slecht beleid onhoudbaar. De Cypriotische banken, voornamelijk de Bank van Cyprus en de Laiki Bank, hebben aan Griekenland privéleningen toegestaan voor een bedrag dat hoger lag dan het bbp van Cyprus.  In april 2013 stelde de ‘troïka’, (IMF, de Centrale Europese Bank en de Europese Commissie) een “reddingsoperatie” van 10 miljard euro voor. Daarvoor werd Cyprus in een herstructureringskeurslijf gedrongen met als belangrijkste maatregelen een afslanken van de openbare sector, het opheffen van een solidair pensioensysteem voor nieuwe ambtenaren, privatisering van strategische publieke bedrijven, bezuinigingsmaatregelen tot 2018, de beperking van sociale uitgaven en de oprichting van een ‘fonds voor financiële redding’ waarvan de bedoeling is om banken te ondersteunen en het bevriezen van bankdeposito’s van meer dan 100.000 euro.

Niemand betwijfelt dat hervormingen noodzakelijk waren, ook niet dat zware vergissingen, ook initiële, moesten worden gecorrigeerd, zoals die van de Europese Unie die landen bij elkaar gebracht heeft met zeer grote verschillen in productiviteit, die zich niet weerspiegelen in de nationale lonen. Overigens bieden die maatregelen geen oplossing om met de minste kost voor de Europese bevolking uit de crisis te geraken, maar wel om de terugbetaling van de schulden aan privébanken te garanderen.

Wij hebben tot nu toe landen met een schuldenlast vermeld. Maar wat gebeurt er met particulieren die niet langer kredietwaardig zijn? Laten we even het voorbeeld van Spanje nemen. Het gebrek aan regelgeving en de al te gemakkelijke toegang tot geld via Spaanse banken hebben geleid tot een immense hoeveelheid van hypothecaire leningen, die het speculeren in immobiliën heeft aangewakkerd. Banken zochten zelf naar klanten, schatten de prijs van hun woning en leenden ook voor de aankoop van een auto, een huis, een elektrisch vuur, enz. Wanneer de vastgoedzeepbel gesprongen was, kon de eerlijke lener zijn lening niet meer afbetalen: hij of zij had namelijk geen baan meer. Men nam zijn/haar woning af, maar die was ineens veel minder waard dan bij aankoop. Het gezin stond ineens op straat met een levenslange schuldenlast om de nek. In 2012 werden er alle dagen meer dan 200 gedwongen huisuitzettingen uitgevoerd, wat een groot deel van de zelfmoorden in Spanje verklaart…

Ik stel de vraag: waarom past men geen evidente remedies toe, waarom moet zich altijd het meest slechte scenario herhalen? Omdat het antwoord niet technisch, maar politiek is. Het wordt bepaald door de bestaande machtsverhoudingen. Wie stuurt onze samenlevingen? De mensen of het kapitaal?

Het ergste onrecht dat men aan de economie kon aandoen, is dat men haar onttrokken heeft aan de politieke economie. Men heeft ons doen geloven dat alles technisch is; men heeft ideologie vermomd tot wetenschap en, door abstractie te maken van de maatschappelijke machtsverhoudingen, zijn wij met zijn allen ten dienste gesteld van de dominante macht die ik ‘het rijk van het kapitaal’ noem. De strategie van de toenemende schuld, die de crisis van de Latijns-Amerikaanse schuld heeft teweeg gebracht, was er niet op gericht onze landen te ontwikkelen. Zij speelt in op de noodzaak een teveel aan geld die de financiële markten van “de eerste wereld” overspoelden via de petrodollars van de Arabische staten die olie produceren. Die liquiditeiten zijn afkomstig van de olieprijzen die vanaf oktober 1973 de hoogte zijn ingegaan, prijzen die door de OPEP-landen kunstmatig hoog zijn gehouden. Tussen 1975 en 1980 zijn de bankdeposito’s in internationale banken gestegen van 82 miljard dollar naar 440 miljard dollar, wat correspondeert met 1126 miljard dollar nu.

Geplaatst voor de noodzaak om die grote hoeveelheden geld te plaatsen, kwam de derde wereld in het vizier. Vandaar dat vanaf 1975 internationale bankiers wat graag kredieten verleenden, ook om militaire dictaturen in de gelegenheid te stellen wapenaankopen te doen. Die ijverige bankiers die nooit in onze regio waren geweest, ook niet als toerist, brachten ook grote koffers met steekpenningen mee, bedoeld om ambtenaren onder gelijk welke omstandigheden nieuwe leningen te laten aangaan voor hun land. Gelijktijdig effenden internationale organisaties en ontwikkelingsorganisaties het terrein door het aangaan van leningen als de oplossing te zien voor de crisis.

De onafhankelijkheid van de centrale banken dient om de continuïteit van het systeem te garanderen, los van om het even welke verkiezingsuitslag. Die onafhankelijke positie werd vanaf het begin van de jaren 1990 als een ‘technische’ noodzaak naar voren geschoven, ingegeven door empirische studies, die zouden aantonen dat daardoor betere macro-economische resultaten behaald konden worden. Volgens die “onderzoeken” kunnen onafhankelijke centrale banken daardoor op een “technische” manier handelen, ver van alle politieke druk. Met hetzelfde absurde argument zou men eveneens autonomie kunnen verlenen aan het ministerie van Financiën omdat dan ook de budgettaire politiek een zuiver “technische” aangelegenheid zou zijn.  Ronald Coase, laureaat van de prijs van de Koninklijke Bank van Zweden in economische wetenschappen ter herinnering aan Alfred Nobel,  zegt wat de resultaten van dergelijke studies verduidelijken: men heeft de gegevens zolang ‘mishandeld’ totdat ze zeggen wat men wilde zeggen.

In de periode voorafgaand aan de crisis hebben de autonome centrale banken zich uitsluitend bezig gehouden met het handhaven van de monetaire stabiliteit, dat wil zeggen het controleren van de inflatie, in weerwil van het feit dat centrale banken een sleutelrol gespeeld hebben in de ontwikkeling van landen als Japan en Zuid-Korea. Tot in de jaren 1970 was het belangrijkste objectief van de Amerikaanse Federale Reserve werkgelegenheid en  economische groei bevorderen. Het is slechts door de inflatietendensen van het begin van de jaren 1970  dat het objectief om prijsstabiliteit te bevorderen werd losgelaten.(..)

De zogenaamd onafhankelijke centrale banken, die zich alleen maar bekommeren om monetaire stabiliteit maken deel uit van het probleem. Zij vormen een van de factoren die beletten dat Europa sneller uit de crisis zal geraken.
De Europese capaciteit is nochtans intact. U beschikt over alles: menselijk talent, productiemiddelen en technologie. Ik denk dat men hieruit enkele belangrijke conclusies kan trekken. Het gaat om een probleem van sociale coördinatie, van een economische politiek van de vraag. Ook de machtsverhoudingen binnen uw landen en op internationaal niveau zijn voordelig voor het kapitaal en dat is de reden waarom de economische politiek die toegepast wordt tegengesteld is aan wat sociaal wenselijk is. Murw geslagen door de zogenaamd economische wetenschap en door de internationale bureaucraten, gelooft een aantal burgers dat er geen alternatief is.
Zij vergissen zich.