Latijns-Amerika: zelfbeherend werken in tijden van crisis (1)

cooperativas
Facebooktwittergoogle_plusmail

In Latijns-Amerika is er sociale dynamiek aanwezig. Meer dan in de oude wereld. Ook dat subcontinent was niet immuun voor economische crises, maar er bestaat op dit ogenblik meer veerkracht van onderuit. De fábricas recuperadas in Argentinië en Uruguay én de politieke ontwikkelingen in Bolivia onder Evo Morales illustreren dat. In een tweedelig artikel gaat Walter Lotens in op die ontwikkelingen. [i]

‘Wanneer een sociaal experiment meer dan tien jaar bestaat, wordt de drempel van het zuiver overleven overschreden en komt men dichter bij de droom om de wereld te veranderen. De fábricas recuperadas, de bedrijven in Argentinië die overgenomen werden door hun arbeiders, illustreren dat het creëren van een wereld zonder bazen mogelijk is.’

Dat schreef de Urugyuaanse politieke analist Raúl Zibechi in 2010 in Upside Down naar aanleiding van een decennium fábricas recuperadas, die omstreeks de eeuwwisseling zijn ontstaan. [ii]

Toen zag het er slecht uit voor Argentinië, zeer slecht.‘God is geen Argentijn meer’, schreef de Franse journalist Pierre Kalfon in Le Monde Diplomatique begin 2002. Een groot deel van de beroepsbevolking was werkloos, de helft van de Argentijnen weggezakt onder de armoedegrens en de consumptie ingestort. De goden en Maradonna beschermden het meest Europese en welvarende land van Zuid-Amerika niet langer. De onmetelijke tangostaat – bijna 3 miljoen vierkante kilometer voor ongeveer 35 miljoen inwoners – voelde zich in de loop van haar bestaan nooit een bananenrepubliek, maar het enige blanke land ten zuiden van Canada. De dichter Discépolo zong: ‘Ik zing de tango… omdat ik liefhad en bedrogen werd en leefde met het herkauwen van mijn dromen.’ De Argentijnen voelden zich toen ook bedrogen, maar deze keer was het geen liefdesverdriet, maar een president en… het IMF.

Tussen 1989 en 2000 bestuurde de corrupte peronist Carlos Menem het land, volgens het dagblad La Nación ‘Al Capone met een presidentiële sjerp’. De Argentijne playboy van Libanese origine, die met veel bravoure campagne had gevoerd, hield zijn verkiezingsbelofte niet en koos voor het gekende saneringsrecept van het IMF: terugdringing van het begrotingstekort via privatisering van overheidsbedrijven, het opschroeven van de tarieven van de openbare nutsbedrijven en het bestrijden van de inflatie. Terwijl de militairen de staatsschuld in de jaren tachtig van 8 tot 43 miljard dollar lieten oplopen, verdubbelde de schuld onder Menem tot 110 miljard. De staatsbedrijven, die onder Peron beschermd werden door hoge tariefmuren, konden de internationale concurrentie niet aan en werden, onder druk van het IMF, in de neoliberale uitverkoop gegooid.

Exit Menem, maar zijn opvolgers, drie op een rij, bakten er al evenmin iets van. Om de toenemende kapitaalvlucht te stoppen begon de overheid een straffe beperking op te leggen aan de opname van banktegoeden. Corralito (de omheining om het vee binnen te houden) noemden de Argentijnen deze maatregel smalend. Maar het ging al gauw van kwaad naar erger: de staat kon haar schuldenlast niet meer aan, 100.000 ambtenaren werden ontslagen, er werden geen lonen meer uitbetaald, bedrijven gingen failliet, 50 procent van de bevolking balanceerde op de armoedegrens. Het IMF gaf uiteindelijk de doodsteek: eind 2001 weigerde de internationale instelling de vrijgave van een al toegezegd krediet. ‘Griekse toestanden’ zouden we het nu noemen.

Het land versleet presidenten, die machteloos stonden tegenover een hongerleger dat zich in de mondaine winkelstraten van Buenos Aires aan massale plunderingen overgaf en ook tegenover de vele cacerolazos, de spontane massademonstraties met geroffel van pannen en kookpotten van de getroffen Argentijnse middenklasse. Er ontstonden piqueteros van werkloze arbeiders die barricades opwierpen. In de wijken groeiden spontaan solidariteitsacties met de getroffenen.Buurtassemblees en werklozenverenigingen waren de motor van de protesten die de regeringen omver haalden en Ernesto Kirchner en, na zijn dood, zijn vrouw Christina Fernández-Kirchner, als president wilden.

 

Fábrica sin Patron

Het is in dat klimaat dat de fábricas recuperadas zijn ontstaan. Het tegelbedrijf Zanon in de westelijke provincie Neuquén was er daar een van. Luigi Zanon, de bazige baas, ontsloeg twee derde van zijn arbeiders – van 330 naar 60 – om de macht van de vakbond te breken. In maart 2002 kwam het antwoord: de 330 arbeiders bezetten het bedrijf en zetten de productie voort in eigen beheer. Occupar, resister, producir (bezetten, weerstand bieden en produceren) werd het nieuwe wachtwoord. Op een algemene vergadering werden werkgroepen opgericht om de verkoop, de financiën, de administratie, de productie, de verzending, de planning, de veiligheid en de hygiëne binnen het bedrijf te regelen. Er werd ook besloten aan iedereen hetzelfde loon uit te keren. En dat werkte blijkbaar want op 5 april 2002 verliet een eerste vracht van 20.000 kubieke meter tegels het bezette bedrijf. 3 maanden later produceerden de arbeiders 120.000 kubieke meter, de helft van wat het bedrijf onder de voormalige eigenaar had geproduceerd. Met behulp van de universiteiten van Neuquén en Buenos Aires werd de productie gemoderniseerd en binnen de 2 jaar werd er voor 300.000 dollar in nieuwe machines geïnvesteerd. Het aantal ongevallen in het bedrijf nam in die periode aanzienlijk af, namelijk van 330 naar 33 en er werden ook geen dodelijke ongevallen meer genoteerd.

De arbeiders noemden hun coöperatief gerunde bedrijf niet langer Zanon maar herdoopte het tot FaSinPat (Fábrica Sin Patron). De Canadese auteur John Restakis benadrukt in zijn boek Humanizing the economy dat FaSinPat niet had kunnen overleven zonder de solidariteit van de buurtbewoners. Eigenaar Zanon stuurde de politie erop af om het bedrijf te ontzetten, maar dat leidde tot een kat-en-muisspelletje met de hele buurt. Dat wordt mooi getoond in de documentaire The Take die door Naomi Klein en Avi Lewis in die periode werd gemaakt.Op 8 april 2003 probeerde de politie andermaal een inval te doen, maar een cordon van buurtbewoners rond het bedrijf hield hen tegen. Dit was even Novecento in een begin 21ste-eeuwse context. De overwinning werd gevierd met een rockconcert in het bedrijf. Negenduizend mensen waren aanwezig. Het nieuwe bedrijf zonder bazen slaagde erin om zonder overheidssteun en zware investeringen de productie op te tillen van 15.000 naar 400.000 kubieke meter tegels per maand. De coöperatie ging meer en meer deel uitmaken van de plaatselijke gemeenschap en in plaats van Italiaans design begonnen ze ook Mapuche-motieven van de inheemse bevolking in de tegels te verwerken.

 

Coöperatieve revival

Het verhaal van Zanon-FaSinPat is exemplarisch voor de coöperatieve revival in Argentinië vanaf 2002. Het aantal fábricas recuperadas is volgens officiële cijfers van 161 in 2004 gestegen naar 240 in 2010. Belangrijk is dat volgens Zibechi voor 63 procent van de coöperaties de onteigening bij wet of decreet is geregeld. 73 procent van de arbeiders kwamen 150 dagen na het uitbreken van het conflict terug naar het bedrijf en 80 procent kon rekenen op de steun van andere fabrieken. Andrés Ruggieri, directeur van het programma Facultad Abierta vat samen: ‘Het is de eerste keer in de geschiedenis van de arbeidersbeweging dat er in een kapitalistisch economisch systeem zoveel bedrijven in zelfbeheer zijn gaan werken en dat over zo’n lange periode volhouden. In mei 1968 wanneer dat idee voor het eerst de kop opstak, heeft dat experiment in zelfbeheer niet langer dan een maand geduurd.’

Hoewel het op dit ogenblik nog slechts over een kleine fractie gaat van de coöperatieve beweging in het land – er zijn in Argentinië meer dan 12.600 coöperaties die ongeveer 233.000 mensen tewerkstellen – groeit het aantal met 8 procent per jaar.[iii]

De crisis van 2008 heeft in Argentinië gezorgd voor een tweede golf van coöperaties. In Buenos Aires bijvoorbeeld stonden de 55 werknemers van de chocolatier Arrufat, die gedurende negen maanden niet meer betaald waren, op 5 januari 2009 voor de gesloten deuren van hun bedrijf. Zij forceerden de sloten, sloten de elektriciteit aan en begonnen opnieuw te produceren. Vandaag zijn er fábricas recuperadas in verschillende sectoren: de distributie, de gezondheidszorg, onderwijs, de industrie, de media en het hotelwezen. Bauen, een prestigieus hotel in Buenos Aires, draait al sinds 2003 in zelfbestuur. Meer dan 95 procent van die recuperadas hebben een statuut van coöperatie aangenomen en stellen nu ongeveer 10.000 mensen tewerk.
Een universiteit in het bedrijf

Volgens Raúl Zibechi is een van de kenmerken van de fábricas recuperadas in Argentinië dat de dynamiek niet beperkt bleef tot het bedrijf, maar dat er ook duurzame contacten werden gelegd met de buurtbewoners en de sociale bewegingen. Eerst werden de fabriekspoorten geopend voor muziek- en theatergroepen. Nadien volgden er volkshogescholen om arbeiders in de gelegenheid te stellen aan permanente vorming te doen. De aluminiumfabriek IMPA (Industria Metalúrgica y plástica Argentina) werd in 1998 de eerste fábrica recuperada van Argentinië. Dat jaar activeerde een groep arbeiders een historisch bedrijf dat bijna over kop ging en zo konden ze hun werkgelegenheid behouden. Daarnaast begonnen ze ook de banden met de buurt aan te halen. Zo ontstond La Fábrica Ciudad Cultural met workshops voor dans, muziek, theater, murga en yoga en daarnaast ook nog een gezondheidscentrum. Dat werd de basis voor de volkshogeschool waaraan algauw 150 studenten deelnamen. Enige cijfers: in het bedrijf IMPA werken 58 personen, in het cultureel centrum 30 en in de volkshogeschool 43.

In 2009 brak er een ernstig conflict uit omdat het gerecht het bedrijf dreigde te ontruimen. In die gespannen sfeer ontstond een nieuw, zeer ambitieus plan. Men wilde overgaan tot de oprichting van een arbeidersuniversiteit. ‘Dat was een historische noodzaak,’ zei Eduardo Mutúa verwijzend naar de IMPA. ‘Vanaf het anarchisme heeft de arbeidersbeweging altijd geprobeerd de basis te leggen van een volksopvoeding. Wij hebben niets nieuws uitgevonden. Wij plaatsen ons in die historische lijn.’ Vicente Zito Lema, schrijver, psycholoog en eerste ‘rector’ van de universiteit van de Madres de Plaza de Mayo benadrukt dat, hoewel er nog veel materiële voorzieningen ontbreken, ‘ alles wat met passie tot stand komt, op zijn poten terecht komt’. Bedoeling is om communicatiespecialisten te vormen omdat de meeste arbeiders daar weinig notie van hebben. Het is niet de bedoeling om een kopie te maken van de staatsuniversiteiten. Men wantrouwt de staat die ‘hoe progressief zij (hij) ook is, altijd naar de wereld zal kijken vanuit een zekere ordening, een zekere machtspositie die anders is dan die van de arbeiders.

 

Drukkerij Chilavert

(Bénédicte Manier, Un million de révolutions tranquilles, 2012, p. 41, mijn samenvattende vertaling )

Buenos Aires, april 2012. Er waait een lauw windje bij het begin van de herfst in het zuidelijk halfrond, en in Pompeya, een wijk in het zuiden van Argentijnse hoofdstad, staan de deuren van drukkerij Chilavert Artes Gráfica wijd open. Aan de binnenkant heerst de bedrijvigheid van een bijennest. Temidden van grote paletten papier staan twee roterende persen op volle kracht te draaien. Een machine verzamelt losse bladen tot een boek en enkele arbeiders laden kartonnen dozen in een vrachtwagen. Nochtans, tien jaar geleden – dag op dag – was het bedrijf bezet en hing overal de geur van traangas, gelanceerd door de politie.

‘Er heerste toen een complete chaos in het land en het kwam eropaan te overleven,’ legt Ernesto Gonzalez, een van de Chilavert-arbeiders me uit. Vele Argentijnen reageerden toen zeer instinctief. Zij weigerden te betalen voor de crisis van het liberalisme en zij die hun bedrijf zagen sluiten – vaak had de eigenaar snel het bedrijf leeggemaakt en zijn koffers gepakt – hadden maar één doel voor ogen: hun baan redden. De acht arbeiders die er nog waren, hadden er einde maart 2002 lucht van gekregen dat de baas de hele inboedel wilde verkopen. Om dat te verhinderen bezetten zij op 4 april heel vroeg in de morgen het bedrijf.

Zij volgden het ordewoord ‘Occupar, resistir, producir’. De arbeiders van Chilavert moesten de poorten barricaderen. ‘Gedurende acht maanden moesten wij het bedrijf in en uit langs een gat in de muur hier aan de zijkant’, lacht Ernesto. In Pompeya werden volksvergaderingen gehouden met de buren, gepensioneerden en studentenvertegenwoordigers van andere bedrijven die de bezetters kwamen ondersteunen. ‘Zonder die solidariteit hadden wij het niet gehaald, want wij zaten financieel echt aan de grond’, benadrukt Ernesto. Eind 2002 werd het bedrijf wettelijk onteigend en konden de arbeiders van Chilavert het statuut van coöperatie aannemen. ‘Eigenlijk moesten wij toen van nul herbeginnen’,zegt Ernesto. ‘We moesten zelf het werk leren organiseren, klanten zoeken, de bestellingen regelen, de boekhouding en noem maar op. Wij moesten zelf, met veel vallen en opstaan onze kosten berekenen. In het begin kwam er maar met mondjesmaat geld binnen. We werkten hard, verdienden weinig, maar hadden toch iets.

‘Wat echt revolutionair was voor de arbeiders van de recuperadas waren het zelfrespect en de onafhankelijkheid die zij tijdens het nemen van die beslissingen verwierven, becommentarieert Louis Alberto Caro, een avocaat die zich ingezet heeft om 120 bedrijven te legaliseren en die nu voorzitter is van de MNFR, de federatie van fábricas recuperadas.

Het statuut van Chilavert werd verder geconsolideerd door een wet van 2004 en een decreet waardoor het publiek nut van de bedrijfsbezetting erkend werd. De oorspronkelijke acht arbeiders zijn nu twaalf coöperanten van Chilavert geworden. Tussen zijn uitleg door beantwoordt Ernesto voortdurend twee telefoons. Tegen de muur hangen foto’s van de acht tijdens de bezetting. Tussen enkele administratieve aantekeningen hangt een foto van Che Guevara en enkele zelfklevers met ‘10 años de autogestion cooperativa’. Intussen is Chilavert meer dan een drukkerij. Ze hebben er ook een cultureel centrum van gemaakt dat debatten organiseert en films draait met en voor de buurtbewoners die hen ondersteund hebben. Ongeveer 35 procent van de recuperadas ontwikkelen culturele activiteiten in hun buurt. Chilavert ontvangt het hele jaar door bezoek van studenten, journalisten en onderzoekers, want de coöperatie beschikt over rijke archieven waarin de reddingsoperaties van vele empresas recuperadas beschreven worden.

Ondertussen in Uruguay

Ook in het kleine buurland Uruguay hebben zich volgens Zibechi in diezelfde periode gelijkaardige ontwikkelingen voorgedaan. In Uruguay zijn er een twintigtal fábricas recuperadas met ongeveer 1000 arbeiders van wie tweederde mannen zijn. Ook hier ontstond de beweging op het einde van vorige eeuw, met een piek in 2001 en 2002. Het gaat voornamelijk om kleine bedrijven, hoewel er ook enkele bij zijn met meer dan vijftig arbeiders: het bandenbedrijf Funsa telt zelfs 226 arbeiders. De meeste fábricas recuperadas bevinden zich in Montevideo, slechts vijf ervan zijn in het binnenland. Het zijn bedrijven in de schoonmaak, de textiel, de elektriciteit, lederwaren, plastiek, drukwerk en smelterijen. De meeste ervan zijn doorgaans ontstaan na een faillissement. Het grootste gedeelte zijn coöperaties, maar er zijn ook enkele naamloze vennootschappen bij. Negentien fábricas recuperadas maken deel uit van de koepel ANERT (Asociación Nacional de Empresas Recuperadas por sus Trabajadores), tien behoren tot de coöperatieve federatie en acht zijn verenigd in syndicale basisgroepen van de arbeiderscentrale PIT-CNT.

 

Coöperaties, syndicaten en de staat

‘In Uruguay zijn de meeste fábricas recuperadas verbonden met de vakbonden,’ zei Ariel Soto van de elektriciteitscoöperatie Profuncoop tijdens de voorstelling van zijn boek Gestión obrera (arbeiderszelfbeheer) in Montevideo. ‘De actie van de arbeiders in de coöperaties of fábricas recuperadas vonden hun oorsprong in het bankroet gaan van bedrijven uit de jaren negentig. Daarom moeten we nu nadenken over het productiemodel dat wij willen.’

Ariel Soto’s legde een traject af dat volgens Raúl Zibechi typisch is voor Uruguay. Hij werkte in een bedrijfje dat kabeldozen maakte voor een staatsbedrijf van elektriciteit. Wanneer het bedrijfje tijdens de crisis van 2002 moest sluiten, bleven vier arbeiders, gesyndiceerd in de metaalsector, actief en ze starten een project op in een samenwerkingsverband met de vakbond, het gemeentebestuur van Montevideo en de technische Universidad de trabajo. Na vele gesprekken kwam uiteindelijk een coöperatie tot stand die feestverlichting verkocht aan de gemeente en die tevens een gebouw ter beschikking stelde aan de nieuwe coöperatie. De overheid speelde dus een centrale rol in het vlot trekken van deze onderneming. Na enkele jaren waren de arbeiders van deze fábricas recuperadas in staat om een nationale vereniging ANERT (Asociación Nacional de Empresas Recuperadas por sus Trabajadores) in het leven te roepen.

In Argentinië is volgens Raúl Zibechi de rol van de staat veel complexer en ook meer gecontesteerd door de fábricas recuperadas. 85 procent ontvangen of ontvingen subsidie via het Ministerie van Arbeid, dat een programma voor werken in zelfbeheer opstelde. Een groot probleem daarbij is dat, hoewel de staat de bedrijven onteigend heeft in het voordeel van de arbeiders, zij toch geen eigenaars zijn geworden van de gebouwen en de machines, wat een grote handicap is, zeker voor kleine bedrijven, die daardoor moeilijker toegang krijgen tot bankkredieten.

Ondanks deze moeilijkheden houden de fábricas recuperadas er de moed in. 88 procent houden geregeld algemene vergaderingen, 44 procent wekelijks en 35 procent minstens een keer per maand. 73 procent van alle arbeiders ontvangen hetzelfde loon, los van het werk dat zijn verrichten. In 35 procent van de fábricas worden culturele en educatieve activiteiten gehouden, 30 procent geeft donaties aan de omliggende gemeenschap en 24 procent werkt samen met buurtverenigingen.

 

Nieuwe machtsverhoudingen op het werk?

Hoe liggen de machtsverhoudingen in de fábricas recuperadas? In Uruguay bestudeerde men vanuit die vraagstelling twee zeer uiteenlopende bedrijven: een met een lange syndicale traditie en met meer dan 200 arbeiders, en een ander met nauwelijks twee dozijn arbeiders. In beide is er sprake van een samengaan van een klassiek fordistisch productiepatroon, aangevuld met nieuwe elementen vanaf de overname. Een van de nieuwigheden is een ander gebruik van de ruimte, die erin bestaat dat er gedurende de werkuren op verschillende plaatsen (gangen, kantoren) informele werkvergaderingen, niet noodzakelijk gebonden aan de arbeidsplek, plaatsvinden. Het interessante is dat deze informele, zelf in het leven geroepen uitwisselingen stilaan deel gaan uitmaken van het dagelijkse leven in het bedrijf. Het regelen van de arbeidvraagt omhet delegeren van opdrachten en het opnemen van verantwoordelijkheid waardoor er een andere vorm van collectieve verantwoordelijkheid ontstaat. De keuze voor een collectief project veronderstelt personen die zowel bekwaam zijn om de politieke dimensie van hun werk (de vergaderingen) als de productieve en technische zijde ervan goed uit te oefenen. Het onderzoek toont verder aan dat er een tendens bestaat om productieve taken ondergeschikt te maken aan de politieke.
Groeien zonder coöperatieve pijn?

Werken in zelfbeheer is natuurlijk geen wondermiddel. Dat blijkt ook uit de praktijk in Argentinië en Uruguay. Er is voortdurend twijfel, angst en onzekerheid aanwezig bij al de betrokkenen. Die twijfels worden goed verwoord door een onderzoeker van het fenomeen fábricas recuperadas: ‘Misschien betreuren zij in stilte de dagen dat anderen beslisten wat ze moesten doen en dat ze niet zoveel creativiteit en energie moesten inbrengen. Emancipatie is een lange weg en een culturele revolutie is niet op enkele weken geklaard.

Een van de problemen in de studie over Argentinië waarmee vele coöperaties kampen blijkt het aanwerven van nieuw personeel te zijn om de productie te verhogen. Om een werkelijke coöperatie te zijn zou iedereen, na een inloopperiode van zes maanden gelijke rechten en verplichtingen moeten hebben als de socios die al langer in dienst zijn. In de werkelijkheid werken 46 procent van de coöperaties niet met aandeelhouders, maar met tijdelijke contracters.

Coöperaties moeten aan de ene kant rekening houden met de schommelingen in de markt, maar daarnaast is er natuurlijk ook het vrijwaren van hun identiteit als coöperatie. In periode van economische groei kan de coöperatie in aantal groeien, maar wanneer de verkoop afneemt kan men als coöperatie niet het klassieke recept van de privésector toepassen, namelijk personeel ontslaan. Dan blijft alleen de mogelijkheid over dat elke socio zich tevreden moet stellen met een lager maandelijks inkomen, maar die beslissing kan een crisis binnen de coöperatie veroorzaken.

Een tweede probleem situeert zich ook in het economische en heeft betrekking op de uitgangspunten van de coöperatie. Het blijkt dat 33 procent van de fábricas recuperadas alleen voor klanten werkt die grondstoffen leveren en die alleen betalen voor de geleverde arbeid. Tot op zekere hoogte kan het bedrijf hiervan leven, maar de verdienste zal hoe dan ook laag blijven, omdat zij eigenlijk werken voor een ‘externe baas’. Het zijn de tegenstellingen eigen aan het coöperatief werken binnen een kapitalistisch kader en daarvoor is op korte termijn geen echte oplossing voor tenzij men meer samenwerkingsverbanden kan maken buiten de privésector. Op dit ogenblik hebben de Argentijnse fábricas recuperadas voor 13 procent andere coöperaties als klant en leveren zij 8 procent van hun productie aan de overheid.

Niet alleen in Argentinië en Uruguay zit men opgescheept met de moeilijke vraag ‘Zijn de imperatieven gesteld door de globalisering nog wel compatibel met de coöperatieve dynamiek van een democratische organisatie?’ Ook in het Baskische Mondragón dat torenhoog de hemel wordt ingeprezen als een voorbeeld van coöperatief ondernemen, worstelt men met dat dilemma. Bij nader toezien blijkt dat het principe one worker one vote enkel geldt binnen de Baskische grenzen. Bij Mondragón zit men zelf verveeld over de ongelijke behandeling van Baskische en ‘buitenlandse’ werknemers. Een docent van de universiteit van Mondragón geeft daar een verklaring voor aan een De Standaard-journalist: “Wij zij geen engeltjes. We zijn goeie mensen, maar niet dom. Want als de buitenlandse werknemers plots beslissen om geen deel meer uit te maken van de groep. Of erger: om het hoofdkwartier te verplaatsen naar pakweg Madrid of Shangai?” [iv]

Om die reden krijgen de werknemers in het buitenland wel inspraak, maar Mondragón behoudt zelf de controle over het bedrijf. Onderzoeker Amanda Latinne die promoveerde op een studie over Mondragon stelt dat er vanaf het begin van deze eeuw binnen de Mondragóngroep maar liefst vijf verschillende categorieën van mensen met meer en minder rechten werkzaam zijn: de ‘echte coöperanten-mede-eigenaars’, dan de werknemers met een arbeidscontract van onbepaalde of bepaalde duur (trabajadores por cuenta ajena), dan zijn er nog de tijdelijke coöperanten (socios de trabajo de duración determinada). Vervolgens zijn er nog de categorieën van contractuele werknemers in binnen- en buitenland en werknemers van toeleveranciers in binnen en buitenland. In de mate dat het hier om tewerkgestelden van niet-coöperatieve al dan niet buitenlandse ondernemingen gaat, is hun juridisch statuut van werknemer afhankelijk van binnen- of buitenlands arbeidsrecht. [v]

Het besluit van Latinne is genuanceerd maar nodigt toch niet uit tot veel gejuich: ‘Bij een eerste kennismaking lijken de Mondragón coöperaties een breuk met het Westers kapitalisme en een revolutionaire oplossing van de dichotomie tussen arbeid en kapitaal. Tegelijkertijd en bij nader inzien is de huidige evolutie van Mondragón een duidelijke weerspiegeling van ditzelfde westers kapitalisme en blijkt wat op het eerste gezicht out of the box lijkt, zich telkenmale zeer goed te adapteren aan de door de tijd en omgeving opgelegde patronen.’

In onze zoektocht naar andere modellen van anders gaan samenwerken mogen we natuurlijk niet blind zijn voor een aantal uitdagende vragen die ik ook in mijn recent boek ‘De nieuwe coöperatie’ heb geformuleerd. [vi]Wat voor een coöperatie ben je nog als de verhouding die je hebt uitgebouwd met dat gigantisch internationaal netwerk alleen maar een commerciële basis heeft en niet langer op reciprociteit, op wederkerigheid is gesteund? Wanneer is een coöperatie te groot om nog een coöperatie te kunnen zijn?Zijn de imperatieven gesteld door de globalisering nog wel compatibel met de coöperatieve dynamiek van een democratische organisatie?

 

Al werkende opnieuw het leven uitvinden

De spectaculaire groei van de coöperatieve beweging in zelfbeheer in Argentinië en Uruguay is het bewijs dat ook in periodes van economische crisis banenverlies kan worden vermeden en bedrijven kunnen gered worden als ze afstand weten te nemen van een winstlogica op korte termijn. Het recupereren van failliete bedrijven in zelfbeheer is volgens Raúl Zibechi een belangrijk strijdinstrument geworden voor de arbeiders, die zeker in deze periode van economische crisis ontzettend belangrijk is.

Maar er is meer. De story van de recuperadas gaat niet alleen over overname – dat is geen mechanisch en eenmalig gebeuren – maar levert ook heel wat inzichten op in het veranderingsproces dat zich ontwikkelt in de hoofden van gewone werknemers, die door de nijpende economische omstandigheden verplicht worden een psychologische metamorfose te ondergaan. Coöperant worden doe je niet zomaar en zeker niet alleen maar door een ideologische ingeving. Het is niet omdat je een ‘bedrijf zonder bazen’ wilt worden dat alles ineens van een leien dakje loopt. Een coöperatie beginnen betekent ook dat je een bedrijf moet kunnen runnen en in de markt moet kunnen houden. Daar komen nogal wat vaardigheden en kennis bij kijken die je van een gewone uitvoerende werknemer niet zo onmiddellijk zou verwachten.

Om in een bedrijf zonder bazen te kunnen functioneren is ook een heel andere instelling nodig. Humanizing the economy , zoals de titel van het boek van de Canadese John Restakis luidt, betekent ook dat er op de werkvloer een democratische ruimte nodig is om je als mens verder te ontplooien dan een zuivere homo economicus.[vii]Het benadrukken van het Plus est en vous tijdens coöperatieve activiteiten kunnen daarin helpen. In The Take van Naomi Klein komt een mooie passage voor waarin een arbeider van Forja San Martin, een gerecupereerd bedrijf van auto-onderdelen, zegt: ‘Coöperatief werken is onze manier om een nieuwe wereld te maken. Dat is wat we hier vandaag aan het doen zijn.

Reinventar la vida por el trabajo, noemt Raúl Zibechi dat. Al werkende opnieuw het leven heruitvinden. Dat is humanizing the economy.

(cooperativa 18 de diciembre, Brukman, Buenos Aires)

 

Noten

i Walter Lotens is Latijns Amerika watcher en publiceerde onlangs ‘De nieuwe coöperatie tussen realiteit en utopie, LannooCampus, Leuven, 2013. Op 1 november neemt hij op de Antwerpse boekenbeurs, samen met Anneleen Kenis en Matthias Lievens, deel aan een gesprek over de transitiebeweging.

ii Raúl Zibechi, Una década de fábricas recuperadas: Reinventar la vida desde el trabajo, Upside down, 3 november 2010. Zibechi werkt voor het linkse tijdschrift La Brecha in Montevideo en is docent en onderzoeker over sociale bewegingen aan de Multiversidad Franciscana de América Latina(ziewww.cipamericas.org/es)

iii Bénédicte Manier, Un million de révolutions tranquilles, 2012, p. 46

iv Dries De Smet, ‘Werknemers baas’ als tegengif voor de crisis. In: De Standaard van 30-31 maart 2013

v Amanda Latinne, Alternatieve vormen van werknemersparticipatie: het experiment van Mondragón, Universiteit Gent, 2012, niet-gepubliceerde master thesis,

viWalter Lotens, De nieuwe coöperatie tussen realiteit en utopie, Leuven, LannooCampus, 2013

vii John Restakis, Humanizing the economy, Gabriola Island: New Society Publishers, 2010

Borgerhoutenaar Walter Lotens (°1942) noemt zich een glokale burger. Deze gepensioneerde leraar, mede-oprichter van de Actiegroep Kritisch Onderwijs (AKO), moraalwetenschapper, publicist en Latijns-Amerikawatcher schreef voor LA Chispa, een Nederlandstalig magazine over Latijns-Amerika en de Cariben, het Belgische De Reiskrant en voor de Surinaamse krant “De Ware Tijd” en nu voornamelijk voor de webzine voor internationale politiek uitpers.be, waarin hij niet alleen uitvoerig aandacht besteed aan Latijns-Amerika, maar ook aan het Antwerpse mobiliteitsdossier.