14-18, nog altijd de Union sacrée

jean-jaures-le-pacifique-15520139021
Facebooktwittergoogle_plusmail

De herdenking van de oorlog 1914-1918 komt de volgende maanden ook in Uitpers aan bod. We trachten vooral aspecten te benaderen die wellicht minder aan bod komen in de ‘mainstreem media’. Zoals in deze eerste bijdrage: de houding van de socialistische Tweede Internationale, een thema waar we op terugkomen.

 

De grote herdenking van de Grote Oorlog is ingezet, de Franse president François Hollande heeft op plechtige wijze de centenaire van de oorlog 1914-1918 ingeluid. Het gebeurde in de geest van 1914. Want al had hij het over een vredesboodschap, het belangrijkste was toch het oproepen van de geest van de “Union sacrée”: “De oorlog herdenken betekent het patriottisme hernieuwen”. Miljoenen nutteloze doden ter ere van het vaderland? Toen op 2 augustus 1914 de oorlog uitbrak, slikten de Franse – maar ook de Belgische en veel andere – socialisten al hun vredesresoluties in om zich in de patriottische “verdedigingsoorlog” te gooien. Het internationalisme was ineens een vod papier.

Toen president Raymond Poincaré op 4 augustus 1914 tot patriottische eenheid opriep, had de socialistische SFIO (Section Française de l’Internationale Ouvrière), die jarenlang pacifistische campagnes had gevoerd, daar ineens geen probleem mee. De partij keurde zonder schroom de oorlogskredieten goed en leverde ministers voor de regering van nationale eenheid, de Union sacrée.

Jaures

Enkele dagen eerder, op 31 juli 1914, schreef partijstichter Jean Jaures in de partijkrant ‘L’Humanité’ nochtans een vurig pleidooi tegen de oorlog. Maar Jaures kon op 4 augustus zijn stem niet meer laten horen, hij was de dag dat zijn artikel verscheen, vermoord. Op 11 september 1914 sloeg L’Humanité een gans andere toon aan. Op de vraag of de socialistische partij haar eigenheid en de scheidslijn met de burgerlijke partijen niet had opgegeven, zei Edouard Vaillant van de SFIO dat Frankrijk door te strijden voor zijn onafhankelijkheid meteen ook streed voor de wereldvrede. En dus versterkten patriottische en socialistische plicht elkaar. De uitleg was, ook aan de overzijde, dat dit een “verdediginghsoorlog” was.

In augustus 1914 werd vooral duidelijk dat de vele plechtige vredesresoluties van de jaren voordien weinig voorstelden. Zoals elders in Europa had zich een apparaat gevormd dat vooral recruteerde in de “arbeidersaristocratie” en dat meer en meer de beweging zelf als doel ging stellen. Ondanks het revolutionaire taalgebruik, ging de praktijk de andere kant op, die van de weg naar de gevestigde orde. Het uitbreken van de oorlog doorbrak bruusk de laatste remmingen om “regeringsverantwoordelijkheid” te nemen. Een jaar later werd een socialist zelfs minister van Bewapening.

Tweede Internationale

Nochtans waren zowel Jaures als Vaillant grote pacifisten geweest in de Tweede Internationale waarvan de SFIO deel uitmaake samen met onder meer de grote Duitse Sociaal-democratie, de Belgische BWP, de Russische Sociaal-Democratie (met toen nog bolsjevie ken en mensjevieken samen tot 1912), Britse Labour en partijen in de meeste Europese landen. De naam zelf van de Franse partij, afdeling van een Internationale, illustreerde dat de “internationalisten” bij de naambepaling in 1905 de bovenhand hadden.

De Tweede Internationale had op haar congres van 1907 in Stuttgart een resolutie goedgekeurd ingediend door Lenin en Rosa Luxemburg die duidelijk stelde: “Als er oorlog dreigt, hebben de arbeidersklassen en hun parlementaire vertegenwoordigers in de betrokken landen de plicht om, daarin gesteund door het Internationaal Bureau (van de Tweede Internationale), alles in het werk te stellen om met de geschikste middelen te beletten dat die oorlog uitbreekt… Als die oorlog dan toch uitbreekt, is het hun plicht om er zo snel mogelijk een einde aan te maken en om met alle kracht de economische en politieke crisis ten gevolge van de oorlog, aan te wenden voor een volksopstand en zo het einde van de de heerschappij van de kapitalistische klasse te bespoedigen”.

Oorlog nadert

In 1912 kwam die oorlogsdreiging steeds dichterbij. Op de Balkan sloten enkele staten die lang onder Turks-Ottomaanse heerschappij hadden gezeten een verbond tegen dat zieltogende imperium voor de controle over Macedonië. Na een eerste Balkanoorlog, in 1912, plukte vooral Bulgarije de vruchten van de zege op het Turkse rijk – het verwierf Macedonië. Waarop de andere staten, met onder meer Servië, Bulgarije in een nieuwe oorlog bevochten en versloegen. Intussen liepen de spanningen tussen Servië en het Habsburgse Oostenrijks-Hongaarse imperium hoog op. Rusland, Frankrijk, Groot-Brittannië en Duitsland waren meer dan toeschouwers, er was een lange lijst van gebieden in Europa, Afrika en Azië waar ze elkaars rivalen waren. De Balkanoorlogen waren ook oorlogen waarin de grootmachten elkaar bevochten per procuratie.

De kwestie van oorlog en vrede werd dus steeds concreter. Na het uitbreken van de eerste Balkanoorlog organiseerde de Tweede Internationale in november 1912 een spoedconferentie in Bazel waar Jaures een emotionele oproep deed om de oorlog tegen te houden. “Dat zal de gebalde actie van het wereldproletariaat vergen”, aldus Jaures.

Verbijsterd

Toen het dan bijna zover was, organiseerden de diverse partijen eind juli 1914 massademonstraties om het spook van de oorlog af te wenden. Maar toen enkele dagen of uren later de mobilisatiebevelen vielen, riepen de pacifisten ook in eigen partij in de woestijn, het was al patriottisme wat de klok sloeg. Dat was zo in Frankrijk, dat was niet anders in Duitsland, België en de meeste andere landen. Alleen de Italiaanse socialisten hielden de boot af, terwijl in Rusland Lenin en de bolsjevieken verbijsterd het nieuws van die patriottische roes elders ontvingen.

De Internationale zweeg, ze had de geest gegeven. In de meeste landen keurden de socialistische partijen de oorlogskredieten goed. In België stuurde de BWP al op 4 augustus zijn leider Emile Vandervelde naar de regering. In Frankrijk duurde het tot 28 augustus eer twee kopstukken van de SFIO, Jules Guesde en Marcel Sembat, minister werden in de regering van de Union sacrée. De oorlog werd gerechtvaardigd als een defensieve en dus rechtvaardige oorlog.

Het internationalisme bleef in schijn overeind. De socialistische partijen van de twee grote oorlogskampen troffen elkaar afzonderlijk om, elk aan zijn kant, te ijveren voor sociale rechten en voor de verdediging van de democratische vrijheden. Wel waren er in elk land kleine minderheden die zich tegen de oorlogsdeelname verzetten – de groep rond Rosa Luxemburg, Clara Zetkin en Karl Liebknecht in Duitsland, syndicalisten in Frankrijk, de Independent Labour Party in Groot-Brittannië. Op initiatief van Italianen en Zwitsers kwam er in 1915 een conferentie in Zimmerwald met 38 deelnemers uit 11 landen. Maar zelfs die beperkte groep kon niet tot een nieuw concept komen. Voor de enen moest de arbeidersbeweging druk uitoefenen als bemiddelaar, voor Lenin, Trotsky en anderen was dit het moment om tegenover de imperialistische oorlog te revolutie te stellen.

De Russische revolutie van oktober 1917 zou een compleet andere wending aan de discussie geven. Intussen waren miljoenen proletariërs omgekomen, vaak gesneuveld door kogels afgevuurd door ‘kameraden’. De patriottische waanzin eiste een hoge tol.

Erfgenaam Hollande

President Hollande werpt zich honderd jaar later op als een erfgenaam van die waanzin. Terwijl zijn minister van Justitie Christiane Taubira er openlijk over klaagt dat ze niet gesteund wordt tegen de vele racistische aanvallen waarvan ze slachtoffer is, heeft Hollande het in zeer positieve zin over die patriottische Union sacrée. Hij bezegelt zo een eeuw later de keuze die de socialistische partij in 1914 maakte: deelname aan de oorlog, regering van nationale eenheid met de rechtse partijen. De SFIO zou later een actieve rol spelen in de Algerijnse oorlog (te gen de onafhankelijkheid) en in andere koloniale oorlogen, in diezelfde patriottische geest.

Misschien om dat patriottisme niet te kwetsen was er van juridisch eerherstel voor de meer dan 650 tijdens de oorlog gefusilleerde soldaten in de toespraak van Hollande nog geen sprake. De meeste van die gefusilleerde mannen werden terechtgesteld als voorbeeld voor anderen. Ze deserteerden het slagveld, verminkten zichzelf om weg te kunnen gaan, weigerden bevelen op te volgen en kwamen daardoor voor het vuurpeloton. Een eeuw later kunnen historici in hun rapport niet tot een besluit komen. Geval per geval eerherstel, collectief, of zo laten? Die executies waren een bijkomende smet op de oorlogsdeelname, maar een eeuw later kan er nog altijd geen spijtbetuiging van af.

Keerpunt

Voor de sociaaldemocratie was 1914 een historisch keerpunt. Het is dan dat die partijen in de praktijk definitief opteren voor een reformisme in het kader van de burgerlijke democratie. De aanloop daartoe was al wel langer genomen, er was de zogenaamde “dialectiek van de partiële veroveringen” waarmee mobilisaties soms werden tegengewerkt of zelfs gesaboteerd om wat reeds was verworven, niet in gevaar te brengen. Er was het gewicht van de apparaten en van de arbeidersaristocratie daarin die eigen belangen ging verdedigen. Maar in de zomer van 1914 werden de remmen losgelaten voor wat tot dan toe “klassencollaboratie” was genoemd.

Het zal enkele jaren later leiden tot splitsingen binnen die partijen, tot de oprichting van communistische partijen en tot een nieuwe, de Derde, Internationale.

Freddy De Pauw was van 1972 tot 2002 redacteur buitenland bij De Standaard. Hij volgde jarenlang Centraal- en Oost-Europa, een groot deel van Azië (o.m. China) en Italië. Hij publiceerde o.m. bij het Davidsfonds ‘Volken zonder Vaderland’ over de ‘etnische kwesties’ in Centraal- en Oost-Europa; De firma maffia; Italië, moeder van alle smeer; Russische mafija; Handelaars in mensen; Maffia in België en Handelaars in nieuws over trens in de berichtgeving. Werkt sinds de start in 1999 mee aan Uitpers.