Het neoliberalisme begon in Chili

elladrillo
Facebooktwittergoogle_plusmail

Op 17 november 2013 grijpen er in Chili presidentsverkiezingen plaats. Tegelijkertijd wordt er gestemd om volksvertegenwoordigers en senatoren aan te duiden, en voor de eerste maal ook voor regionale raadsleden. Mocht er een tweede ronde nodig zijn is die voorzien voor 15 december. De grote favoriet is voormalig presidente Michelle Bachelet, die in de peilingen boven de 45% uitkomt. Een van de cruciale vragen is of de neoliberale grondwet, die nog dateert van tijdens de dictatuur, zal kunnen worden veranderd tijdens de komende regeerperiode.

 

Neoliberalisme is een ideologisch verhaal waarbij de overheid elke rol ontzegd wordt in het economisch leven, waarbij bestaande stelsels van sociale bescherming worden afgebroken zodat de privé-spelers op een gedereguleerde vrije markt open spel krijgen om hun winstmogelijkheden te optimaliseren. Een maximale privatisering leidt ertoe dat elke menselijke activiteit hervormd wordt tot koopwaar. De tegenstand van de georganiseerde arbeidersbeweging moet worden bestreden. Een eerste experiment hieromtrent in Zuid-Amerika werd onmiddellijk na de staatsgreep van generaal Pinochet in Chili september 1973 aangevat.

Op 4 september 1970 won Salvador Allende de presidentsverkiezingen van Chili. Hij was de kandidaat van een brede volksbeweging en met 36,3% van de stemmen haalde hij het van zijn tegenstanders Alessandri (34,98%) en Tomic (27,84%). Een tumultueuze* 50 dagen later verkoos het Congres hem dan officieel tot president tegenover Alessandri.
Jorge Alessandri was al president geweest van 1958 tot 1964 en zijn liberaal bewind had heel wat volksprotest uitgelokt. Belangrijke stakingsbewegingen kenmerkten zijn regeerperiode. Voor de presidentsverkiezingen van 1970 had hij een plan voor een ‘alternatief economisch platform’ ontwikkeld op basis van de ideeën van de zogenaamde Chicago Boys, die later verzameld werden in “El ladrillo” een werkstuk over een economische ommezwaai: opengooien van de interne markt, lage en eenvormige douaneheffingen, stopzetten van de prijscontroles en van allerlei subsidies, en dergelijke meer.

Deze Chicago boys waren Chileense economen die ofwel in Chicago bij o.a. Milton Friedman hadden gestudeerd ofwel aan de Katholieke universiteit van Chili, die samenwerkte met de University of Chicago. Dit programma was onderdeel van het “Chili project” dat in de jaren 1950 door het VS ministerie van buitenlandse zaken was gelanceerd en gefinancierd werd door de Ford Foundation met de bedoeling om het economisch denken in Chili te beïnvloeden. Na WOII was het heel normaal om te denken dat de staat een belangrijke economische en sociale rol moest opnemen, dat het grootkapitaal regels moest opgelegd krijgen, dat de rol van de georganiseerde arbeidersbeweging belangrijk was. Vanuit een kleine groep filosofen en economen met de nodige steun van conservatieve en rechtse stichtingen werd gewerkt aan de verspreiding van ideeën die haaks stonden op dit dominante denken van toen: neoliberalisme, het vrijemarktkapitalisme zonder regels. Het ‘Chili project’ van de Ford Foundation was daar deel van.
Toen de staatsgreep Pinochet aan de macht bracht werd het Chicago-denken de basis van het economisch beleid van de nieuwe machtshebbers – andere militaire dictaturen van Zuid-Amerika gingen dezelfde weg op –, dat bij het einde van het militaire regime, ook gewoon verder werd gezet door de Concertacion de Partidos por la Democracia. Het resultaat is een samenleving waarin de ongelijkheid groeit: de (super)rijken worden rijker, de armen armer.

Het militaire regime van Pinochet vernietigde het volledige Chileense politieke systeem. Het parlement werd ontbonden, de grondwet geschorst en politieke partijen werden tijdelijk op non-actief gesteld of simpelweg verboden. De noodtoestand werd afgekondigd en de pers werd danig aan banden gelegd. In de repressie die onmiddellijk volgde op de staatsgreep werden duizenden dodelijke slachtoffers gemaakt, de meesten onder hen leiders van  arbeidersbewegingen, leden van syndicaten, studentenleiders en leden van de socialistische, de communistische en andere links radicale partijen. Gedurende het 17-jarige bewind van Pinochet ‘verdwenen’ er aan de lopende band mensen die verdacht werden van oppositionele activiteiten. Er werden vele mensen verbannen, maar er werd ook volop gefolterd en gemoord.

Onder Pinochet zorgde de overheid ervoor dat de rol van privé-sector in de economie versterkt werd, met de privatisering van de elektriciteitssector, het drinkbaar water, telecommunicatie, pensioenen etc. De Allende-maatregelen zoals de drastische verhoging van de sociale uitgaven, de revolutionaire landhervormingen en de volledige nationalisering van de koperindustrie, werden zonder talmen teruggeschroefd (de kopermijnen slechts gedeeltelijk). Tegelijkertijd moest de productie georiënteerd worden op export, gezien de vele grondstoffen van Chili en de beperkte binnenlandse markt. De Concertacion privatiseerde verder zeehavens, wegen en luchthavens.

De Chileense publieke uitgaven in 1979 waren nog maar half zo groot als in 1973. Dit illustreert perfect de bruuske wijze waarop deze nieuwe economische doctrine in de praktijk werd gebracht. De sociale gevolgen waren nefast voor de meerderheid van de bevolking met een groeiende sociale ongelijkheid tot gevolg. Een bloederig repressieapparaat en veel Amerikaanse financiële steun bleken dan ook onontbeerlijk voor de introductie en de instandhouding van dit economische beleid.

In 1980 wilde Pinochet zijn regime ook een politieke basis geven in de vorm van een nieuwe grondwet. De grondwet van 1980 is geïnspireerd op de ideeën van de politieke filosoof von Hayek en legt de basis voor een regime met een conservatieve waardenschaal in combinatie met een maatschappelijk project gebaseerd op de neoliberale markt. Friedrich von Hayek was de mening toegedaan dat democratie geen doel op zich was, maar nauwelijks een zoveelste vorm van politiek regime. Daaruit volgt een wantrouwen tegenover algemene verkiezingen, met veel aandacht voor het uitsluiten van de communistische partij op een moment dat de militairen meenden de nationale veiligheid en de institutionele orde van de republiek te moeten garanderen. Dat was de basis van de Chileense grondwet van Pinochet die tot op vandaag in voege is.

De Chicago boys, die het economische beleid van Pinochet influisterden, creëerden dus de blauwdruk voor de extreme neoliberale variant van het kapitalistische vrije marktsysteem, dat pas furore zou maken in het Westen in de periode van Tatcher (GB) en Reagan (Am). Het werd een dogma voor de internationale financiële instellingen als Wereldbank en Internationaal Muntfonds, die met de Structurele Aanpassingsporgramma’s het neoliberalisme in de rest van de wereld opdrongen. Het recept is ondertussen genoegzaam bekend: het terugdringen van de staat uit de nationale economie, deze economie volledig openstellen voor de wereldmarkt terwijl de staatssector en de sociale uitgaven drastisch worden ingekrompen. Tegenstrevers van dergelijk beleid worden zwaar aangepakt.

Dit Chicago-model kon zich in Chili alleen maar installeren op basis van militaire macht, die een genadeloze en geïnstitutionaliseerde repressie ontwikkelde. Essentieel in de inplanting en ontwikkeling van het neoliberalisme is een overheid die ‘orde en wet’ garandeert bij een beleid dat focust op het wegwerken van de sociale wetgeving, en het zoveel mogelijk uitschakelen van de georganiseerde arbeidersmacht.
Enerzijds is dit nodig om de praktische tegenkanting van de arbeidersbewegingen met hun acties en stakingen zo veel mogelijk te neutraliseren. Thatcher slaagde er op haar manier in om de overheidsvakbonden en de sterke mijnwerkersvakbonden te vernietigen. Reagan ging eveneens in rechtstreekse confrontatie met de Amerikaanse vakbonden; misschien herinneren sommigen zich nog hoe de hij de luchtcontroleurs op staande voet ontsloeg en hen verving door niet-gesyndikeerden.  
Anderzijds is het van belang om linkse en sociaal-progressieve ideologieën weg te duwen om de suprematie van de vrije markt te kunnen afkondigen: media, cultuur en onderwijs, de verkiezingscampagnes, de regeringsdiscours. Met de implosie van wat het reëel bestaande socialisme genoemd werd kwam de verspreiding van deze neoliberale ideologie in een stroomversnelling: conservatieven allerhande, liberalen, sociaal- en christen-demcoraten werden allen overtuigd dat “niet u maar de staat boven zijn stand leeft”. Ignacio Ramonet noemde dat in de jaren ’90 “la pensée unique”’ anderen catalogeren het met “TINA, there is no alternative”.  

Toch is de zaak nog niet geklonken: vandaag stellen we vast dat de tegenstelling tussen het neoliberalisme en een bepaald gecorrigeerd vrijemarktkapitalisme de inzet blijft van veel politieke en syndicale strijd. Ook in Chili waar de werknemers van de gemeentelijke administraties al zowat 3 weken in staking zijn, en waar donderdag 7 november 2013 een vierentwintigurenstaking van de openbare diensten wordt georganiseerd.

 

 

 

*Er was de moord op de legalistische generaal Arturo Schneider door een extreem-rechts groep die geholpen was door de Amerikaanse multinational ITT – die later nog op het Chileens theater zeer actief zou blijken. Er ontstond onmiddellijk een geweldige kapitaalvlucht. In het parlement waren er moeilijke onderhandelingen met de christen-democraten waar Allende constitutionele garanties onderschreef. Hij werd verkozen met 153 stemmen tegen 5 voor Allessandri en 7 ongeldige stemmen

(licht geactualiseerde tekst van de bijdrage van GS voor de werkgroep neoliberalisme tijdens 3de Dag van het Socialisme van 2 november 2013)