Dwarsliggers schrijven geschiedenis

Facebooktwittergoogle_plusmail

Memoires zijn één ding, geschiedschrijving is een ander. Natuurlijk: gedenkschriften kunnen nieuwe en soms verrassende feiten aan het licht brengen, dor feitenrelaas voorzien van wat anecdotisch vlees en bloed, en in het beste geval zelfs nieuwe inzichten opleveren. Ze zijn dus een nuttige en soms zelfs noodzakelijke aanvulling van de eigentijdse geschiedschrijving. Maar je moet als lezer wel op je hoede blijven. Want mémoires lopen altijd gevaar af te glijden naar een pleidooi pro domo, om vooral het eigen optreden te rechtvaardigen.

Daarom is het geen kwaad idee een buitenstaander aan te spreken om zo’n terugblik op papier te zetten. Dat laat nog altijd ruimte voor uiteenlopende benaderingen, zoals blijkt uit twee boeken van/over politieke figuren die in de voorbije decennia allebei duchtig aan de politieke en maatschappelijke kar hebben getrokken: Nelly Maes (°1941), als pasionaria van de Volksunie door de enen op de handen gedragen, door anderen verguisd; en Jef Turf (°1932), die een carrière als prominent kernfysicus opgaf om voltijds voor de communistische partij te gaan werken, en later door die partij later – letterlijk – op straat werd gezet. Twee heel verschillende verhalen, die echter ook een  verrassende parallel vertonen.

Maar alvorens daarop in te gaan, verdienen de boeken afzonderlijk onder de loep genomen te worden. Ladies first.

De jonge jaren van Nelly Maes moeten voor tienduizenden Vlamingen (m/v) van haar leeftijd uitermate herkenbaar zijn: bescheiden afkomst, eerste generatie die méér dan secundair onderwijs mocht aanpakken, huiselijke kring waarin politiek min of meer taboe was maar vage (en vooral brave) culturele belangstelling wél mocht. Maar ook : een generatie die bij de vele vanzelfsprekendheden luidop vragen begon te stellen. Niet ten onrechte beweerde een gezaghebbend socioloog later dat “achtenzestig” evenzeer het eindpunt was van een emancipatieproces als het begin ervan. Die ontvoogding wordt goed  geïllustreerd door een grappig toeval : in het namenregister achterin het boek staan Elvis Presley en Armand Preud’homme broederlijk achter elkaar, allicht bien étonnés de se trouver ensemble…

Ongebonden best. Nelly Maes, vrouw en VlaamsAuteur Alain Debbaut, die Nelly Maes’ herinneringen optekende, is wel twintig jaar jonger, maar weet erg goed te schetsen hoe in de jaren ‘vijftig en begin ‘zestig van vorige eeuw die emancipatie zich stap voor stap een weg baande van conservatieve roomse bekrompenheid naar een open en kritische kijk op de wereld. Zo wordt verteld hoe destijds iets als het Jong-Davidsfonds baanbrekend was omdat het – o zo voorzichtig nog – discussies toeliet over kerkelijk gezag, over de wijde wereld buiten Vlaanderen, en … omdat die discussies werden gevoerd in gemengde gespreksgroepen ! Wie het allemaal zelf heeft meegemaakt wordt er haast nostalgisch bij.

Een nostalgische terugblik is dit boek echter helemaal niet geworden. Debbaut is ook zijn licht gaan opsteken bij allerlei mensen wier wegen die van Nelly Maes hebben gekruist – als tegenstanders die wederzijds respect bleven koesteren (bijv. Freddy Willockx), of als medestrijders die ei zo na tegenstanders werden (bijv. Bert Anciaux). Die getuigenissen zorgen er voor dat het levensverhaal geen heiligenverhaal is geworden. Dat zou Maes zelf trouwens nooit  gewild hebben. Daarvoor was, is en blijft ze (overigens zowel over haar politieke als over haar privé-leven) te nuchter, te eerlijk, te bescheiden.

Nuchter, eerlijk, bescheiden …het zijn kenmerken waarmee je het doorgaans niet ver schopt in de politiek. Maes heeft dan ook aardig wat tegenkanting ondervonden. Vanwege haar keuze voor de Volksunie, én tegelijk binnen die partij vanwege haar progressieve standpunten. En – vooral dat aspect wordt uitvoerig en terecht in het licht gesteld – als vrouw in het mannenbastion dat politiek zeker toen nog was.

De schaamteloze uitlating van socialistisch vakbondsleider en parlementslid Louis Major (“Wijven moeten niet zoveel complimenten maken”) is in de Belgische politieke geschiedenis legendarisch geworden, maar is in dit boek slechts één van de vele verhalen die duidelijk maken hoe vrouwen altijd en overal hebben moeten knokken om een gelijkwaardige plaats te krijgen en te behouden.

Daarenboven bestond Nelly Maes het om in een partij als de Volksunie, die toen nog grotendeels steunde op een rancuneuze kleinburgerlijke basis, standpunten te verdedigen die veel verder reikten dan de traditionele Vlaamse kerktoren, en aandacht hadden voor de sociaal-economische, de ontwikkelings- en de ontwapeningsproblematiek. Dat ze die standpunten onversaagd en met felle gedrevenheid verkondigde, leverde haar snel de bijnaam “rooie Nelly” op – in ’t Pallieterke als scheldwoord, voor haar (en vele medestanders) een geuzennaam.

Het valt hoe dan ook niet te loochenen dat Nelly Maes in de Volksunie een belangrijke rol heeft gespeeld. Dat de Volksunie in het leven van Maes een nog belangrijker rol heeft gespeeld valt nog veel minder te loochenen. Nog steeds krijgt ze een krop in de keel wanneer het gaat over het uiteenvallen van de Volksunie (in het najaar van 2001) dat zij samen met enkele anderen tot het bittere einde probeerde te verhinderen. Maar uiteindelijk was 2001 slechts het dramatische einde van een verscheurdheid die sinds het grote Egmont-trauma (in 1977-’78) nooit meer echt was geheeld, en die in feite altijd aanwezig is geweest. Maes ziet die verscheurdheid als de potentiële tegenstelling tussen “degenen die de structuren willen veranderen” en “degenen die aan taalpolitiek doen”. Soms lopen die twee bekommernissen samen, soms werken ze elkaar tegen. Wie vindt dat de traditionele Vlaamse taaleisen zijn ingewilligd, kan sociaal-economische opties laten doorwegen en belandt dan (meteen of na omwegen) bij een van de drie klassieke Belgische politieke families; wie van oordeel is dat aan de gelijkberechtiging van Vlaanderen in dit land nog aardig wat schort, moet dan maar zijn heil zoeken bij de neo-nationalisten. Wie zich in geen van beide keuzes thuis voelt, blijft dakloos achter.

“Zwei Seelen wohnen, ach ! in meiner Brust” moet de partijloze Nelly Maes met Goethes Faust gedacht hebben, toen ze bij de gemeenteraadsverkiezingen van oktober 2012 meteen twéé borden in haar tuin zette : een voor de N-VA en een voor … Groen. Bien étonnés de se trouver ensemble, inderdaad.

Het kan ook anders lopen. Bij de voorstelling van de mémoires van Jef Turf moest de Gentse burgemeester Termont (SP-a) lucht geven aan zijn gram – en vooral zijn onbegrip – over het feit dat de harde communist van weleer nu een N-VA-sympatisant zou zijn geworden. Daarmee bewees Termont vooral dat hij de laatste veertig bladzijden van het boek kennelijk niet had gelezen –  of niet wou begrijpen.

Nu ja, het is niet niks natuurlijk : een tachtigjarige rooie rakker die anno 2013 durft beweren dat méér Vlaamse autonomie niet het einde van links inluidt, maar integendeel voorwaarde is voor de heropbouw van een geloofwaardig links alternatief in deze deelstaat. Dat is vloeken in de kerk van het Belgische salonsocialisme dat bij vele Vlaamse intellectuelen en kunstenaars bon ton is. Maar precies daarom zijn de herinneringen – en de conclusies – van deze merkwaardige communist zo leerrijk.

Deze mémoires zijn anders opgevat dan die van Nelly Maes. Hier is Jef Turf als verteller aan het woord, die zijn historisch relaas rijkelijk doorspekt met beschouwingen achteraf of bedenkingen omtrent de actualiteit; redacteur Karl van den Broeck heeft “alleen maar” de ondankbare taak ter harte genomen om een en ander tot een verteerbaar geheel te ordenen. Turfs relaas is – ook dank zij de vele zijdelingse beschouwingen – bijzonder boeiend.

Want merkwaardig kan je Turfs keuze voor het communisme wel noemen. Hij was er zeker niet ‘van huis uit’ voor in de wieg gelegd : vader was onderwijzer, later inspecteur in het katholiek onderwijs. Ook zijn studie (kernfysica) en aanvankelijke loopbaan als wetenschapper wezen in een heel andere richting. Maar reeds tijdens zijn studie in Gent had Turf het marxisme ‘ontdekt’, en was hij – in volle Koude Oorlog – lid geworden van de Kommunistische Partij van België. Vanuit een idyllisch dorp in Wallonië (waar hij voor een gloednieuwe afdeling van het KMI instond voor het meten van radioactiviteit) stak hij de plaatselijke PCB-kernen een handje toe, en speelde een actieve rol in de ‘grote staking’ van 1960-’61 – waardoor hij zelfs op grond van verzonnen beschuldigingen enige tijd in de gevangenis belandde.

Die staking liep, zoals bekend, op een sisser af en in de daaropvolgende ‘rooms-rode’ regering zouden de sociaaldemocraten de eenheidswet goedkeuren waartegen hun achterban zo fel had geprotesteerd. Maar voor Turf was de atmosfeer in zijn werkkring “grondig verziekt”. En in 1963 vroeg de partijleiding hem om voltijds als vrijgestelde aan de slag te gaan in Gent. Die keuze betekende niet alleen het einde van een rustig en comfortabel  bestaan in de ivoren toren van de wetenschap, maar tegelijk ook een forse inkomensvermindering. Bepaald geen gemakkelijke keuze dus, die hem toen ook door ettelijke mensen werd afgeraden. Maar of dat nu de juiste keuze was of niet, schrijft Turf ook nù nog, “ik heb mij gehouden aan mijn moeilijke beslissing, tot het bittere einde, toen de KPB mij niet meer nodig had en zelf verdween in het stof van de geschiedenis”.

Maar voor het zover was, speelden Turf en andere communisten nog een belangrijke rol in enkele grote sociale conflicten in het Gentse: de bezetting van ACEC Gent (december 1970), de dokwerkersstaking van 1973, en de acht maanden durende bezetting van Fabelta Zwijnaarde (1982-’83). Turf laat in zijn relaas niet alleen pittige anecdotes en diep-menselijke herinneringen aan bod komen, maar ook nuchtere analyse van de ‘reëel bestaande machtsverhoudingen’.

Hoe het met de reëel bestaande machtsverhoudingen binnen de communistische partij was gesteld zou hij ondervinden vanaf de late jaren ‘zeventig, toen in zowat alle Westeuropese partijen het touwtrekken begon tussen “eurocommunisten” en “moskou-getrouwen”. Turf was een vroege voorvechter van dat eurocommunisme, en zou dat blijven … tot de partijleiding hem in 1988 uit ‘zijn’ volkshuis in de Sleepstraat verdreef en uit de partij sloot.
Dat was het dan ? Neen. Om te beginnen staan in dit boek ook vele uiterst  behartenswaardige bladzijden te lezen over Turfs ervaringen in wat destijds het ‘oostblok’ heette, over de diverse mobilisaties van links in de voorbije decennia, en – vooral – over de gevaren van kernenergie. En (in de laatste hoofdstukken) over zijn stelling dat links en Vlaams engagement hoegenaamd niet ‘per definitie’ tegenstrijdig zijn, zoals vaak ten onrechte wordt beweerd.

Daarmee belanden we bij een opvallende parallel in de bewogen levensloop van Nelly Maes en Jef Turf, die allebei – elk op een eigen manier – dwarsligger werden in een politieke partij waarvoor ze zich wél tientallen jaren lang met hart en hersens hebben ingezet. Waarom ? Het antwoord op die vraag kan worden gevat in een fraaie paradox (of, voor de ware liefhebbers: dialectische analyse): Maes was te links voor haar Vlaamse partij, Turf te Vlaams voor zijn linkse partij. Waarbij natuurlijk de adjectieven ‘Vlaams’ en ‘links’ precies het soort discussie uitlokken waar het in essentie om draait.

Een zinnig debat over de verhouding tussen beide adjectieven is ook anno 2013 geen overbodige luxe, zeker niet voor links-in-Vlaanderen. Maar dat debat moet dan wel geschraagd worden door respect voor feiten en intellectuele eerlijkheid, én voor wie een andere mening verdedigt.

In essentie ligt hier ook de kern van de parallel tussen beide dwarsliggers, waarschijnlijk het best samen te vatten in de (ouderwets bijbelse) uitdrukking: “hongeren naar rechtvaardigheid”. Niet alleen binnen de grenzen van dit kleine land, maar overal in de wereld. Niet alleen overal elders in de wereld, maar ook tussen de beide grote gemeenschappen in dit land. Met het eerste standpunt haalde Nelly Maes zich de banbliksems van haar partijgenoten over het hoofd; het tweede maakte Jef Turf tot paria in zijn partij én voor tal van ‘progressieven’ die zelf een veel comfortabeler weg verkozen.
Wie zich dezer dagen zorgen maakt om de gezondheid van de democratie, zou dat moeten betreuren. En zou wellicht even mogen stilstaan bij die oude spoorwegarbeiderswijsheid : “zonder dwarsliggers bouw je geen betrouwbare spoorlijn”.

Memoires. Van kernfysicus tot Vlaams communist
Jef Turf
Lannoo
2012
280