Blufpoker in Berlijn

merkelduitsland
Facebooktwittergoogle_plusmail

De voorbije bondsdagverkiezingen waren een triomf voor Angela Merkel, de regeringsvorming wordt een harde dobber. Omdat in feite slechts één coalitieformule mogelijk is, kunnen de sociaaldemocraten hun huid duur verkopen; en ze hebben daar goede redenen voor. Dus opent Merkel een rondje blufpoker: de groenen mogen opdraven als alternatieve potentiële coalitiepartner.

“De kiezers delen alleen maar de kaarten; welk spel er vervolgens mee wordt gespeeld – dat bepalen de partijen” luidde, decennia geleden al, de conclusie van een gezaghebbend politoloog. Die vaststelling gold en geldt waarachtig niet alleen voor België. Na de jongste verkiezingen ontsnapt ook Duitsland niet aan partijpolitiek pokerspel.
Eerst toch even de resultaten in herinnering brengen: de christendemocraten (CDU + CSU in Beieren) behaalden 41,5 procent van de uitgebrachte geldige stemmen, de sociaaldemocraten (SPD) 25,7 %, de ‘Linke’ 8,6 %, de groenen 8,4 %, de liberalen (FDP) 4,8 % en de AfD (Alternative für Deutschland) die voor het eerst opkwam 4,7 %. Die cijfers waren – in combinatie met de rechtstreeks verworven zetels in de 299 kiesdistricten – respectievelijk goed voor 311, 193, 64 en 63 zetels in de nieuwe Bundestag. En – vooral – voor twee dramatische verrassingen : voor het eerst in de geschiedenis van de bondsrepubliek verdwijnen de liberalen uit het federale parlement; de gloednieuwe, misprezen en onderschatte AfD geraakte er ei zo na wél in.

Kortom: bondskanselier Merkel mag dan als grote overwinnaar uit de verkiezingen zijn gekomen, ze is wel haar liberale bondgenoot kwijtgespeeld. En ze heeft aan deze en de vorige verkiezing een reputatie overgehouden als “partner-killer”.

Louter rekenkundig zijn nu op basis van de verkiezingsresultaten verschillende coalitieformules mogelijk, maar politiek hooguit een of twee. Daarenboven lijken zich merkwaardige perspectieven af te tekenen in het partijpolitieke landschap. Merkel ziet dat, en grijpt de kans voor een rondje blufpoker. Tijd dus voor een analyse jenseits van de gangbare clichés.

 

Affront

Waar kan die analyse beter beginnen dan bij de meest sensationele uitslag: de genadeloze afstraffing van de liberale FDP. Die partij is een van de grondleggers van de (toen nog Wést-) Duitse bondsrepubliek, en mocht – als tegenprestatie voor haar trouw als kleine colitiepartner –  meer dan eens de bondspresident leveren. Zij bleef altijd het kleine broertje naast de twee grote volkspartijen CDU en SPD, maar was (na het tijdperk van de absolute CDU-meerderheden onder Adenauer) steevast nodig om een van die beide groten aan een meerderheid te helpen in het parlement.

Dus regeerden de liberalen haast altijd mee, al waren ze (zeker na het invoeren van de 5%-kiesdrempel) voor hun electoraal overleven ettelijke keren aangewezen op de stilzwijgende steun van een van beide groten. En op de liberale reflex van een kiezerscorps dat liever geen absolute meerderheid schonk aan één enkele partij. Op die reflex had de partij ook nu gerekend. Zeker nadat ze, een week voor de bondsdagverkiezingen, uit het Beierse deelstaatparlement was gekieperd, hoopte ze op een Mitleidbonus op 22 september. Maar die bleef deze keer uit.

Daarbij moet zeker worden aangestipt dat kanselier Merkel het verlies van haar liberale regeringspartner voor een goed deel aan zichzelf te wijten heeft: op geen enkele moment in de campagne kreeg zij een min of meer omfloerste sympathie-betuiging aan de FDP over haar lippen. En ook een ultieme (en allesbehalve omfloerste !) oproep van oud-kanselier Kohl kon niet meer baten. Want in feite had de FDP deze keer als regeringspartner een uiterst belabberd figuur geslagen, en betaalde ze de prijs voor een stuurloos beleid én interne ruzies.

Overigens is de FDP altijd een merkwaardig conglomeraat geweest van uiteenlopende strekkingen. Er was de achterban van betere burgerij, verknocht aan de nobele liberale waarden van burgerlijke democratie en rechtsstaat. Er was de brede waaier van kleine, middelgrote én zeer grote ondernemingen die in de FDP vooral een correctie-mechanisme zagen om hun economische belangen te vrijwaren door de christendemocraten voldoende rechts van het centrum te houden. En er was tot in de jaren ‘zeventig van vorige eeuw ook een sterk nationaal-voelende vleugel. Die laatste strekking leek in de voorbije kwarteeuw weggedeemsterd, zodat alleen ‘waarden’-liberalen en ‘winst’-liberalen leken over te blijven, bijeengehouden door de quasi-permanente deelname aan de macht.

Op 22 september is dan gebleken dat de resterende ‘nationaal-voelende’ achterban massaal is overgelopen naar de AfD, de ‘waarden’-liberalen’ zich door het regeringsbeleid in de steek gelaten voelden, en veel KMO-liberalen zich kennelijk veiliger voelden in de CDU. Met als  gevolg dat de partij in één klap twee derden van haar aanhang kwijtspeelde, én niet eens meer in aanmerking kwam voor de zetelverdeling. Dit was erger dan een nederlaag; het was een affront.

De partij blijft wel aanwezig in enkele deelstaatparlementen, maar ze zal het op bondsniveau voortaan met een pak minder mensen en middelen moeten stellen. En ze zal vooral alle moeite van de wereld hebben om zich weer een geloofwaardig profiel aan te meten. Vroeger mochten de liberalen forse stemmenwinst verwachten van hun oppositie tegen een ‘grote’ coalitie (van christen- en sociaal-democraten) maar daar kunnen ze nu niet meer zo zeker van zijn. Want er loeren kapers op de kust. Aan de ene kant biedt de AfD – die vanuit het niets haast evenveel stemmen behaalde als de FDP – een levensvatbaar en ‘hard’ alternatief voor de proteststemmers; aan de andere kant zouden de groenen zich kunnen ontpoppen als vluchtheuvel voor de ‘waarden’-liberalen.

 

Toekomstmuziek

Groenen die liberale kiezers aantrekken ? Het klinkt ongelooflijk, maar is hoegenaamd niet meer ondenkbaar. Want ook bij de groenen valt beweging te verwachten.   

Na de onmiskenbare opdoffer op 22 september (2,3 % verlies ten opzichte van 2009, maar daarmee vér onder de hooggestemde verwachtingen) heeft de partijtop – pas na enig aarzelen – zijn ontslag aangeboden. Eerstdaags moet een vervroegd congres een nieuw bestuur kiezen, en daar moet dan ook de nederlaag geanalyseerd worden en lering getrokken voor de toekomst. Dat wordt ongetwijfeld (en in de beste groene traditie…) een woelig congres, dat zeker een afgang en wellicht zelfs het einde zou kunnen betekenen voor boegbeelden als Trittin of Künast die voor een linkse koers staan.

De tweespalt die zich aftekent is van een andere aard dan de aloude tegenstelling tussen realo’s en fundi’s, etiketten die al te vaak – gemakshalve maar simplistisch – werden gehanteerd maar bijlange niet samenvielen met rechts versus links. In de komende discussies zal die rechts-links-tegenstelling wél een grotere rol spelen. Want zonder dat zoiets met evenveel woorden wordt gezegd, gaat het voortaan om niéts minder dan een potentiële hertekening van het partijpolitieke landschap.

Vele jaren geleden reeds voorspelden pientere politologen dat de groenen op termijn de nieuwe liberale partij konden worden – en daarmee een potentiële coalitiepartner voor zowel sociaal- als christen-democraten. Tot voor kort leek dat muziek voor een verre toekomst, maar nu ziet het plaatje er anders uit.

Dat het kiezerspubliek van de groenen sociologisch heel wat meer overeenkomsten vertoont met dat van de liberalen of christendemocraten dan met de traditionele SPD- of linkse achterban is ondertussen al lang duidelijk, en op zichzelf niet doorslaggevend.

Sinds 22 september komt daarbij dat de groenen in de bondsdag de enige niet-linkse oppositie worden indien het na veel touwtrekken uiteindelijk toch tot een ‘grote’ coalitie komt van CDU-CSU en SPD. Het tijdelijk verdwijnen van de FDP uit het federale politieke landschap is dus niet zonder belang.

Want wanneer dan dié liberale kiezers die vooral uit zijn op eigenbelang uitwijken naar CDU en AfD, weten de ‘waarden’-liberalen maar al te goed dat ze het nooit op eigen houtje zullen redden. En zullen ze dus geneigd zijn andere perspectieven te verkennen.

Is dat een hersenspinsel van burgerlijke groene realo’s ? Best mogelijk. Maar een eventuele toenadering tot het ‘nobeler’ FDP-electoraat kan ook uitgaan van een heel andere (en in feite tegengestelde) hypothese.

Stel – stel ! – dat de grote coalitie er (om wat voor redenen ook) niet komt, en de groenen alsnog in de regering zouden stappen, dan brengt dat ongetwijfeld een splitsing van de partij met zich. Voor Merkel geen ramp, want zelfs met slechts de helft van de groene mandatarissen heeft ze nog altijd een comfortabele meerderheid. Maar voor beide vleugels  van de groenen zou dan het schrikbeeld opduiken dat ze volgende keer niet eens de kiesdrempel halen. De linkse groenen zouden dan hun heil moeten zoeken bij SPD of Linke, de ‘burgerlijke’ zouden actief kunnen gaan hengelen naar dakloos geworden FDP-kiezers. Indirect zou Merkel dan het sein hebben gegeven tot een hertekening van het partijpolitieke landschap.

 

Staatsdragend afgestraft

Maar zover is het nog lang niet. Omdat Merkel niet bepaald experimentierfreudig is, en in de komende jaren wel andere katten te geselen zal krijgen dan de herschikking van het partijenlandschap. Omdat nog onduidelijk is hoe generatiewisseling en eventuele heroriëntering bij de groenen zullen verlopen. Omdat de liberale partij nog niet meteen mag worden afgeschreven, en als proteststem tegen het samengaan van christen- en sociaaldemocraten juist goed scoort nà een grote coalitie. En natuurlijk vooral omdat de SPD – ondanks alles – liever zo’n grote coalitie tot stand ziet komen dan een ‘zwart-groene’.

‘Ondanks alles’ dan wel. Want er is reden te over om zich terughoudend op te stellen. Gemakshalve wordt dan verwezen naar de forse electorale kater die de sociaaldemocraten overhielden aan hun grote coalitie met Merkel van 2005 tot 2009. Dat speelt zeker mee, maar is niet doorslaggevend. Want wat het ‘doodknuffelen’ van de coalitiepartner betreft, is het verhaal van de SPD wel van een andere orde dan dat van de FDP. De SPD verloor in 2009 in één klap meer dan 11 procent van de stemmen (dat is méér dan de FDP op 22 september verloor) maar hield daarmee toch nog bijna een kwart van het Duitse kiezerscorps achter zich.

De SPD is de oudste Duitse partij, en was in de geschiedenis van de na-oorlogse bondsrepubliek als brede volkspartij zeker een stabiliserende factor. Alleen: als dat stabiliseren àl te opvallend in het nadeel uitvalt van de eigen achterban, dan is de electorale afstraffing niet ver weg. Dat is wat in 2005 en vooral 2009 gebeurde.

De rood-groene regering onder kanselier Schröder had kort na haar nipte overwinning in 2002 werk gemaakt van een drastische hervorming van de arbeidsmarkt – tegen ongebruikelijk fel verzet in de eigen rangen, maar met de uitgesproken steun van de groenen. Voor de anti-sociale maatregelen in die hervorming betaalde de SPD de prijs, terwijl Merkel later ging lopen met de pluimen voor het economisch herstel. Ironie van de geschiedenis heet dat…

Ook na de voorbije legislatuur werden de sociaaldemocraten slecht beloond voor hun ‘stabiliserende’ houding vanuit de oppositie. Omdat ze mét Merkel de overtuiging deelden dat de ineenstorting van de Euro binnen de kortste keren ook de implosie van de hele Europese Unie tot gevolg zou hebben, keurden ze de opeenvolgende reddingspakketten goed die de Duitsers flink wat geld dreigen te kosten. Dat was en is althans de heersende perceptie; dat de ‘kranige’ Duitse houding het land ook heel wat geld bespaart werd tijdens de verkiezingscampagne maar zelden beklemtoond.

Alleen – en ook dat is niet uitsluitend Duits – wordt een zelfvergeten, staatsdragende houding niet altijd electoraal beloond. Ironie is eens te meer dat de SPD om dezelfde houding werd afgestraft waarom Merkel werd toegejuicht. De sociaaldemocraten hebben dus reden te over om niet nóg eens (zoals ze in 2009 al mopperden) “onder in het ruim stoker te spelen, terwijl de kanselier op het dek van de zon geniet”.
     

Blufpoker

De SPD stelt dus zware eisen om als ‘junior partner’ nog eens met Merkel in zee te gaan. Ze moét dat, om niet haar laatste restje geloofwaardigheid te verliezen bij de traditionele achterban wanneer ze zowel door de Linke als door de groenen onder vuur zou worden genomen. En ze kàn het, omdat in werkelijkheid geen andere coalitie realistisch is. Echt niet ?

Mathematisch zou een ‘linkse’ coalitie van sociaaldemocraten met groenen en Linke inderdaad over een meerderheid van 320 (op 631) zetels beschikken. Over de ‘rood-rood-groene’ hypothese is dus voor en na de verkiezingen vooral in de Duitse media onnoemelijk veel inkt en speeksel gevloeid, terwijl ieder nuchter waarnemer verduiveld goed wist en weet dat die formule alsnog is uitgesloten. Niet meteen omdat dan het hele bedrijfsleven sito presto zou wegvluchten uit Duitsland; en ook niet alléén maar omdat de linksen het land uit de Navo willen weghalen en zich tegen militaire operaties zonder VN-mandaat blijven verzetten.

Maar omdat zowel bij SPD als groenen een heel sterk historisch ressentiment blijft bestaan tegen de partij die door hen nog altijd wordt gezien als de opvolger van de eenheidspartij SED die 40 jaar lang de DDR bestuurde. Bij de sociaaldemocraten speelt nog steeds de herinnering aan de gedwongen fusie tussen SPD en communisten in wat toen de Sovjet-bezettingszone was. Bij de groenen zitten veel mensen die in de voormalige DDR als dissidenten onzacht kennismaakten met het SED-regime.

Die ressentimenten wis je niet zomaar weg, maar eeuwigheidskarakter hebben ze zeker niet. In verschillende deelstaten in het oosten regeerden of regeren SPD en ex-communisten samen, en uitgerekend Berlijn – tijdens de Koude Oorlog nog ‘frontstad’ – was jarenlang een toonbeeld van moeilijke maar toch constructieve samenwerking. Na de jongste verkiezingen is overigens duidelijk geworden dat de SPD met nauwelijks meer dan een kwart van de kiezers ertoe veroordeeld is om nog vele jaren lang ofwel in de oppositie vastgenageld te zitten, ofwel als “klein broertje in een grote coalitie” te overleven … tenzij ze een geloofwaardige opening naar links zou maken. Voorlopig komt die opening er echter niet, en de eerder behoudsgezinde sociaaldemocraten weten zich in die afwijzende houding (voorlopig, maar evenmin ten eeuwigen dage…) gesteund door de groenen.

De andere alternatieve meerderheid is er een van christendemocraten en groenen. Die formule mag dan zo goed als kansloos zijn, dat is voor kanselier Merkel zeker geen reden om ze niet uit te spelen in een rondje blufpoker. Lees: als de SPD te hoog van de toren blaast omdat ze zich onmisbaar weet of waant, komt het er op aan duidelijk te maken dat wél een andere coalitie mogelijk is.

De Beierse CSU heeft zich kort na de verkiezingen wel uitdrukkelijk tegen een samengaan met de groenen uitgesproken, maar in de CDU is een goed deel van de jongere kaders en mandatarissen bepaald niet afkerig van de formule. En bij de groenen is een groeiende ‘burgerlijke’ vleugel er zeker voor te vinden, al zullen op het komende congres (19-20 oktober) de passies over zo’n ‘bocht naar rechts’ hoog oplaaien.

Nieuwe coalitie-formules worden in Duitsland eerst uitgetest op deelstaat-niveau, en dat was met “zwart-groen ook al het geval (in de deelstaat Hamburg, en niét in Baden-Württemberg, zoals in vorige bijdrage door een slordigheid gemeld). Dat experiment was echter niet bepaald een succes, en algemeen overheerst de mening dat het voor zo’n formule op federaal niveau nog (veel ?) te vroeg is.

Tenslotte bestaan tussen CDU-CSU en groenen nog té krasse meningsverschillen over het te voeren beleid, met name qua energievoorziening. Merkel heeft weliswaar het afscheid van de kernenergie verordend (en daarmee de groenen ongetwijfeld stemmen afgesnoept) maar haalt steenkool als alternatief aan. Dat moet niet alleen de oude SPD-basis in Noordrijn-Westfalen als muziek in de oren klinken, maar al evenzeer de grote energie-oligopolisten, die na het verdwijnen van de FDP hun boontjes zonder aarzelen te weken leggen op een grote coalitie.

 

Rustverstoorder

Het pokerspel in Duitsland mag dan op langere termijn wellicht de voorbode zijn van verschuivingen in het partijpolitieke landschap, buiten de bondsrepubliek overheerst de vraag of nu beweging te verwachten valt in de Duitse positie inzake Eurozone en Europese Unie. En kijk: ook hier werpt 2014 zijn schaduw vooruit.

Over een ‘sociaaldemocratische wending’ inzake Euro-herstelbeleid maakt men – en met name de Franse president Hollande – zich best niet teveel illusies. De eenzijdige en drastische besparingskoers zal wel op enkele kosmetische punten worden bijgestuurd – en dat écht niet alleen omdat ze nu ook vanuit onverdacht monetaristische hoek wordt gerelativeerd, maar vooral in de hoop de regeringspartijen in diverse Euro-staten een electorale afstraffing te besparen.

Om het even welke Duitse regering zal echter niet toelaten dat aan de essentie van budgettaire orthodoxie wordt geraakt. Want in Duitsland voelen de staats- en Euro-dragende partijen sinds september de hete adem van de Alternative für Deutschland (AfD) in de nek. Wat heeft die rustverstorende nieuwkomer eigenlijk te betekenen ?
Electoraal alvast een dreiging die door alle partijen ernstig wordt genomen. De cijfers liegen er niet om; de perspectieven al evenmin. Dat een partij vanuit het niets op goed een half jaar tijd ei zo na de kiesdrempel haalt is in de geschiedenis van de bondsrepubliek nooit vertoond. En al helemààl verrassend nadat ‘het verschijnsel’ maandenlang door alle weldenkende politici, commentatoren en media was doodgezwegen of weggelachen.
Het lachen is die lieden inmiddels vergaan, want de AfD heeft, zoals partijleider Bernd Lucke het op 22 september uitdrukte, de andere partijen “das Fürchten gelehrt” – zeg maar: behoorlijk angst aangejaagd. Want zeker op korte termijn – en met name richting Europese verkiezingen in mei 2014 – ziet de toekomst er voor die ‘alternatieven’ veelbelovend uit.

Niet alleen omdat bij Europese verkiezingen een kiesdrempel geldt van 3 in plaats van 5 procent; want iedereen beseft wel dat de AfD die 5% volgende keer moeiteloos zou halen. Of niet alleen omdat Europese verkiezingen – heus niet alleen in Duitsland – gelden als “tweederangsverkiezingen” (ofte ‘second order elections’ zoals politologen dat noemen) waarbij kiezers zich minder dan bij ‘echte’ (= nationale) verkiezingen geremd voelen om hun ongenoegen over de gang van zaken te uiten door een radicale of alternatieve stem uit te brengen.

Neen, veeleer omdat die Europese verkiezingen deze keer géén bijkomstigheid zijn. Want – terecht of ten onrechte – worden ze in brede kring opgevat als een uitmuntende gelegenheid om de gewone burger zijn (m/v) zeg te laten doen over een bij uitstek Europees thema: de Euro, de belabberde toestand waarin die verkeert, en de remedies die werden en worden aangewend om de afbrokkeling van de muntunie te vermijden. Die thematiek ligt in Duitsland – gezien zijn historisch verklaarbare obsessie met muntstabiliteit – nog gevoeliger dan in andere landen. En wie daar nog aan twijfelde, moet sinds september erkennen: de cultus van de D-Mark leeft hier nog steeds.

De AfD is dus een reële bedreiging voor alle partijen. En zoals is gebleken helpt het niet om die partij dan maar gemakshalve af te schilderen als populistische rattenvanger, van verdacht rechts allooi, enz. Dat soort clichés werd door de analyses van de verkiezingsuitslag overduidelijk gelogenstraft: de AfD heeft massaal kiezers weggelokt bij de liberale FDP, maar tastte ook CDU en SPD aan, en scoorde verhoudingsgewijs opvallend sterk bij de achterban van, jawel, de Linke.

Dat laatste is trouwens niet zo verrassend als het lijkt. In Duitsland dreigen immers vooral de oostelijke deelstaten (de ex-DDR) te lijden onder de sanering van de Euro. De Bondsrepubliek ziet immers de budgettaire orthodoxie als onontbeerlijke basis voor een herstel van de Euro, en heeft alvast in de eigen grondwet (!) een verbod op het maken van nieuwe schulden vastgelegd. Samen met het geplande uitdoven van de intra-Duitse solidariteitstransfers en diverse ‘markt-fundamentalistische’ Europese maatregelen dreigt die orthodoxie de nog erg wankele ‘heropstanding’ in het oosten in gevaar te brengen.

Gelukkig is dat iets waarvoor – zelfs los van louter electorale overwegingen – beide grote volkspartijen toch nog enigszins beducht zijn.